← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH4275

IWMD 25 februari 2009 Sector civiel recht Zaaknummer HV103.007.000/01 Zaaknummer eerste aanleg 145840 FA RK 05-1791 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Eindbeschikking in de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant, de man, advocaat mr. J.J.B. Brits, t e g e n [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, de vrouw, advocaat mr. P.A.K. van Eck. Als vervolg op de door het hof op 19 december 2008 tussen partijen gegeven beschikking.

  1. De beschikking van 19 december 2008 Het hof heeft bij voornoemde beschikking een voorlopige beslissing gegeven ten aanzien van de onderhoudsbijdrage voor [Z.] en iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de nadere mondelinge behandeling op 21 januari
  2. Het verdere verloop van het geding 23.
  3. De nadere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari
  4. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de man; - de vrouw, bijgestaan door mr. Van Eck; - de heer D. Nowee, namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen/Drenthe, locatie Groningen (hierna: de raad); - de heer J. Scholten, gezinsvoogdijwerker Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering Groningen.
  5. De verdere beoordeling Hoofdverblijf en omgang, verwijzing naar mediation mislukt, hof verzoekt raad onderzoek te doen 24.
  6. Zoals vermeld in de tussenbeschikking van 6 juli 2006 heeft de man bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 24 februari 2006, het hof onder meer verzocht de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Breda van 29 november 2005 gedeeltelijk te vernietigen en te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [Z.] bij de man zal zijn en alsdan een in goede justitie te bepalen omgangsregeling tussen [Z.] en de vrouw vast te stellen. De man is van mening dat het meer in het belang van [Z.] is dat hij bij hem verblijft, gelet op de (gezins)situatie van de man en de daarmee vergeleken minder goede situatie bij de vrouw. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de huidige hoofdverblijfplaats van [Z.] in zijn belang gehandhaafd moet worden. De vrouw is van mening dat zij [Z.] op goede wijze verzorgt en opvoedt en dat er geen redenen zijn op grond waarvan wijziging van het hoofdverblijf van [Z.] thans gerechtvaardigd is. Het hof dient derhalve te beslissen welk hoofdverblijf het meest in het belang van [Z.] is. Aangezien dit belang het meest gediend is bij een verblijfplaats waar beide ouders achterstaan, heeft het hof allereerst bemiddeling beproefd. 24.
  7. Nadat het hof bij beschikking van 6 juli 2006 partijen had verwezen voor bemiddeling naar mr. Suringar, is vervolgens gebleken dat bemiddeling niet tot stand is gekomen. Bij beschikking van 1 november 2006 heeft het hof een onderzoek bevolen door de raad naar de tussen partijen bestaande geschilpunten, alsmede naar de mogelijkheden die ertoe kunnen leiden dat partijen hun onderlinge betrekkingen als ouders van [Z.] normaliseren, waardoor partijen mede daardoor eventueel kunnen geraken tot een algehele overeenstemming in deze zaak, in het bijzonder ten aanzien van de uitvoering van de omgang tussen de man en [Z.]. Het rapport van de raad van 25 september 2007 24.
  8. Uit het rapport van de raad van 25 september 2007 blijkt onder meer dat er sinds de beëindiging van het huwelijk tussen partijen eind 2005 onverminderd sprake is van een zeer gespannen verhouding als ouders van [Z.], dat beide partijen de andere ouder diskwalificeren en dat er sprake is van een problematisch verlopende omgangsregeling. Uit informatie van de school van [Z.] is naar voren gekomen dat [Z.] in de periode september 2006 tot en met december 2006 11 dagen niet op school is geweest, waarbij de vrouw [Z.] steeds afwezig meldde op de omgangsdagen met zijn vader. Verder hebben zich de laatste jaren vele incidenten tussen partijen voorgedaan, die hebben geleid tot tientallen meldingen of aangiftes bij de politie door zowel de man als de vrouw. Eind 2006 hebben deze ontwikkelingen geresulteerd in de beslissing van de raad een onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van [Z.] en dit onderzoek een hogere prioriteit toe te kennen dan aan het onderzoek naar het hoofdverblijf van [Z.] en de omgang, zoals door het hof was verzocht. Het opvoedingsonderzoek heeft geleid tot het verzoek van de raad aan de rechtbank om een ondertoezichtstelling van [Z.] uit te spreken, dat bij beschikking van 25 april 2007 van de rechtbank Assen is toegewezen. 24.
  9. In voormeld rapport concludeert de raad dat, hoewel uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de vrouw als ouder/opvoeder in pedagogisch opzicht meer te bieden heeft dan de man, het niet in het belang van [Z.] is om zijn verblijfplaats te wijzigen. Daarbij betrekt de raad het feit dat [Z.] bij de vrouw woont en een verhuizing in sociaal opzicht voor hem ingrijpend zou zijn. Voorts zijn volgens de raad in het kader van het onderzoek geen zwaarwegende redenen of gewijzigde omstandigheden naar voren gekomen die een wijziging van het hoofdverblijf van [Z.] rechtvaardigen. Ondanks dit advies getuigt het rapport van de raad van ernstige zorgen rond de positie van de vrouw, gelet op het gedrag van de vrouw destijds naar de school van [Z.], de moeilijkheden die zij heeft met de opvoeding van [Z.], waarvoor door de gezinsvoogden therapeutische ouderbegeleiding is aangevraagd, en de benarde financiële situatie van de vrouw. Bij de gezinsvoogden is de indruk gewekt dat de vrouw nauwelijks iets te besteden had. Onduidelijk was zelfs of [Z.] wel verzekerd was tegen ziektekosten. Zitting 2 april 2008, nader gewijzigd advies van de raad, reactie van partijen 24.
  10. Ter zitting van het hof van 2 april 2008 bleek de situatie van de vrouw verder te zijn verslechterd. Zoals in de brief van de zijde van de vrouw van 29 april 2008 is toegelicht, is door haar werkgever Staatsbosbeheer aan de vrouw ontslag verleend als disciplinaire straf. Hiertegen heeft de vrouw overigens bezwaar aangetekend, onder meer het verweer voerend dat zij een dissociatieve stoornis heeft, die kan leiden tot zeer ernstige concentratiestoornissen. Dit bezwaar is uiteindelijk gegrond verklaard. Zij heeft verder getracht een minnelijke regeling te treffen met haar schuldeisers, hetgeen is mislukt, waardoor slechts het traject van een wettelijke schuldsaneringsregeling overblijft, onverminderd de mogelijkheid van een faillissement. Gelet op de ontwikkelingen na het tot stand komen van het raadsrapport van 25 september 2007 heeft de raadsvertegenwoordiger zich ter zitting bereid verklaard tot het uitbrengen van een nader schriftelijk advies. 24.
  11. De raad heeft nader geadviseerd op 29 mei
  12. De raad concludeert dat, ondanks de ondertoezichtstelling, die inmiddels negen maanden loopt, de ontwikkelingsbedreiging van [Z.] niet is afgewend en dat er te weinig vooruitgang is geboekt. De vrouw blijkt weinig veranderd; als de man op een of andere manier nabij komt, kan zij dit niet hanteren en reageert zij heftig. Ook geeft zij kritiek op de man als [Z.] aanwezig is. Ook de man lukt het niet om ”gewoon” te doen als de vrouw nabij komt. De man reageert dan gespannen, maar blijft aanspreekbaar. De man lijkt hier echter wel beter mee om te kunnen gaan dan de vrouw. Partijen blijven te veel bezig met de ex-partnerstrijd en de vrouw geeft geen inzage in haar persoonlijke problematiek. Dit alles maakt dat de raad de opvoedingssituatie van [Z.] zorgelijk vindt en inschat dat de relatief stabielere situatie bij de man meer ontwikkelingskansen biedt voor [Z.]. In tegenstelling tot zijn eerdere advies adviseert de raad thans om het hoofdverblijf van [Z.] bij de man vast te stellen. 24.
  13. De vrouw heeft bij brief met bijlagen van 11 juni 2008 gemotiveerd gereageerd op voornoemd rapport en advies van de raad. De vrouw stelt dat de huidige gezinsvoogd, de heer J. Scholten, het niet eens is met de inhoud van het rapport en evenmin met de strekking van het advies van de raad. De gezinsvoogd acht het niet in het belang van [Z.] dat hij uit zijn sociale netwerk wordt gehaald. Volgens de gezinsvoogd is de intensieve orthopedagogische gezinsbehandeling op 21 mei 2008 gestopt, omdat de doelen zijn bereikt en de vrouw geen hulpvragen meer heeft. De gezinsvoogd heeft de vrouw nooit gevraagd of contact opgenomen mocht worden met de GGZ over haar behandeling. De vrouw stelt dat er ten aanzien van [Z.] een positieve ontwikkeling is waar te nemen, hetgeen onder meer blijkt uit zijn schoolresultaten en zijn sociale vaardigheden. Volgens de vrouw zal wijziging van het hoofdverblijf niet zonder meer leiden tot een verbetering van de situatie van [Z.], temeer nu [Z.] daardoor in zijn positieve ontwikkeling kan worden geremd. 24.
  14. De man heeft bij faxbrief van 12 juni 2008 bericht dat hij zich geheel kan vinden in het nadere rapport en advies van de raad. Hof verzoekt raad opnieuw onderzoek te doen naar de thuissituatie van de vrouw alsmede van de man, nader rapport van de raad van 14 november 2008 24.
  15. Het hof heeft in het nader schriftelijk advies van de raad alsmede in de schriftelijke reacties van partijen daarop en de daarbij overgelegde stukken aanleiding gezien om de raad een nader onderzoek te laten instellen naar de recente situatie van [Z.] bij de vrouw én uitdrukkelijk ook naar de thuissituatie van de man, en de raad verzocht daarbij mede de onderlinge communicatie en verstandhouding van partijen te betrekken alsmede het verloop van de omgang tussen [Z.] en de man. 24.
  16. De raad heeft bij rapport van 14 november 2008 nader gerapporteerd en geadviseerd ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [Z.] en de omgang tussen [Z.] en de niet-verzorgende ouder. De raad concludeert dat [Z.] nog steeds door partijen ingezet wordt in hun juridische strijd, hetgeen een ernstig appel doet op zijn loyaliteit naar beide ouders en een sterk negatief effect heeft op zijn ontwikkeling. Het is de raad gebleken dat partijen nog steeds hevig strijden over de oorzaken en de effecten van de scheiding. In vier gesprekken onder leiding en begeleiding van de gezinsvoogd zijn partijen inmiddels wel in staat gebleken zaken aangaande [Z.] met elkaar te bespreken. De raad is van mening dat partijen moeten gaan werken aan acceptatie, aandacht voor het losmakingsproces als ex-partners, adequate communicatie en samenwerking als ouders en de eigen rol ten aanzien van de scheidings- en omgangsproblematiek. 24.
  17. Volgens de raad zijn beide partijen in staat [Z.] een adequate opvoedings- en thuissituatie te bieden. Zij zijn beiden betrokken op [Z.] en [Z.] is betrokken op zijn beide ouders. Wel kan de man in materiële zin meer bieden dan de vrouw. Verder zijn volgens de raad stabiliteit en rust voor een kind in de leeftijd van [Z.] uitermate belangrijk. [Z.] heeft reeds vanaf februari 2005 zijn hoofdverblijf bij de vrouw. Sinds juni 2006 wonen [Z.] en de vrouw in hun huidige woonomgeving in Drenthe. Gelet op de huidige adequate sociale inbedding van [Z.] en gelet op de noodzakelijke rust en stabiliteit voor [Z.], adviseert de raad het verzoek van de man tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [Z.] af te wijzen. Bij de raad en de gezinsvoogdijinstelling zijn geen indicaties en/of gewijzigde omstandigheden bekend die een wisseling van het hoofdverblijf noodzakelijk maken. 24.
  18. De raad acht een omgangsregeling tussen [Z.] en de man in het belang van [Z.]. Gelet op de scheidings- en omgangsproblematiek geldt ook voor de omgangsregeling dat deze vastomlijnd dient te zijn qua structuur, duidelijkheid en regelmaat. De raad acht een omgangsregeling, inhoudende omgang gedurende één weekend per veertien dagen en gedurende helft van de schoolvakanties, nog steeds een goed uitgangspunt. De gezinsvoogd kan in het kader van de ondertoezichtstelling in gesprekken met partijen de door hen gewenste uitzonderingen bespreekbaar maken en het effect hiervan op [Z.] bewaken. Het verdere verloop 24.
  19. Bij faxbericht van 27 november 2008 heeft de advocaat van de vrouw er bij het hof op aangedrongen op korte termijn duidelijkheid te verschaffen ten aanzien van het hoofdverblijf en de omgang. In haar faxbericht van 11 december 2008 heeft zij er nog op gewezen dat de scheidings- en omgangsproblematiek tussen partijen niet zal veranderen bij een wijziging van het hoofdverblijf van [Z.]. Bij faxbericht van 2 december 2008 heeft de advocaat van de man gewezen op de onderling verschillende adviezen van de raad, alsmede op de omstandigheid dat het hof ten derde male aan de raad heeft gevraagd onderzoek te doen met name naar de thuissituaties bij de man en de vrouw. Het laatste rapport van de raad is (wederom) uitgebracht zonder dat enig onderzoek naar de thuissituatie van de man is verricht. De man is zelfs niet gehoord door de raad. Ter zitting van het hof van 21 januari 2009 zijn partijen nader gehoord en heeft de gezinsvoogd van [Z.] inzicht verschaft in de problematiek tussen partijen. Het oordeel van het hof 24.
  20. Uit het raadsrapport van 14 november 2008 blijkt dat beide partijen volgens de raad betrokken ouders zijn en in staat kunnen worden geacht om een adequate opvoedings- en thuissituatie te creëren voor [Z.]. 24.
  21. Uit de bij het rapport gevoegde evaluatierapporten van de gezinsvoogdijinstelling blijkt echter dat de vrouw [Z.] betrekt bij de scheidingsproblematiek en haar financiële problemen, dat de vrouw emotioneel reageert en dat zij moeite heeft met het maken van afwijkende afspraken met betrekking tot de omgang. Zo heeft de vrouw op 19 juli 2007 de crisisdienst van de gezinsvoogdijinstelling gebeld in verband met een door haar ontvangen brief van een deurwaarder. De vrouw was in paniek en [Z.] gilde op de achtergrond. De gezinsvoogd heeft aangegeven dat hij zich zorgen maakt om de reactie van de vrouw op de gebeurtenissen en met name op het effect hiervan op [Z.]. Op 23 juli 2007 heeft de vrouw op emotionele wijze in bijzijn van [Z.] de scheidingsproblematiek met de gezinsvoogd besproken. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij er geen vertrouwen in heeft dat de man de overdracht in het kader van de omgang goed zal laten verlopen. [Z.] heeft toen geprobeerd zijn moeder af te leiden en haar te helpen door te bevestigen dat zijn vader al zijn speelgoed heeft gestolen. Op 19 november 2007 heeft de vrouw overstuur met de bureaudienst van de gezinsvoogdijinstelling gebeld, nadat de deurwaarder beslag op haar inboedel had gelegd. Op 20 november 2007 heeft de vrouw opnieuw overstuur gebeld. In het weekend voorafgaand aan 4 februari 2008 heeft de vrouw contact opgenomen met de crisisdienst van de gezinsvoogdijinstelling, omdat zij niet kon instemmen met het verzoek van de man per sms om [Z.] iets later terug te brengen aan het einde van het omgangsweekend in verband met carnaval. De crisisdienst heeft toen tussen partijen bemiddeld. Op 13 februari 2008 heeft de vrouw de gezinsvoogd gebeld met de vraag of de gezinsvoogd met de man afwijkende omgangsafspraken kon maken voor het daaropvolgende omgangsweekend. De gezinsvoogd heeft aangegeven dat de vrouw haar voorstel zelf aan de man moest voorleggen per sms en dat zij daarbij de reden voor haar verzoek diende te vermelden. De vrouw raakte toen overstuur. 24.
  22. Het hof leidt uit de overgelegde stukken af dat de vrouw in het kader van de omgang snel overstuur is en dat zij niet in staat is om [Z.] buiten haar problemen en die tussen partijen te houden. In zoverre sluiten deze evaluatierapporten geheel aan bij de inhoud van het advies van de raad van 29 mei
  23. Het hof is in dit verband bevreesd voor parentificatie ofwel het delen van volwassenenproblematiek met een kind en het daardoor plaatsen van een kind op het niveau van een ouder. Dit vormt een reële bedreiging voor de evenwichtige ontwikkeling van [Z.]. Naar het oordeel van het hof volgt uit de hiervoor geschetste gang van zaken dat de vrouw alleen met de nodige hulp van bekwame gezinsvoogden in staat is om zich staande te houden en dat voor [Z.] in de verblijfssituatie bij de vrouw onverminderd een ondertoezichtstelling nodig is. 24.
  24. In het raadsrapport van 14 november 2008 concludeert de raad dat de situatie bij de man goed is, overigens zonder een onderzoek te hebben ingesteld naar de gezinsomstandigheden van de man, ofschoon het hof daar herhaalde malen om heeft verzocht. De man heeft betoogd dat hij hertrouwd is met mevrouw [R.], die haar dochter [S.] heeft meegebracht uit een vorige relatie, en dat uit dit huwelijk zoon [T.] is geboren. Volgens de man is sprake van een uitstekende gezinssituatie, waarin [Z.] zich zeer thuis voelt. [Z.] heeft graag contact met [S.], die wat ouder is, en met [T.], die jonger is. Hij voelt zich goed thuis in de omgeving en heeft er vriendjes. Volgens de man kan [Z.] zonder problemen op een school in de omgeving worden geplaatst, indien zijn verblijfplaats bij de man wordt bepaald. Deze voorstelling van zaken wordt op geen enkele wijze door de raad of de gezinsvoogd weersproken. 24.
  25. Het hof realiseert zich dat de scheidings- en omgangsproblematiek niet verandert door een wijziging van verblijfplaats, maar het hof heeft er vertrouwen in dat de man iets flexibeler met deze problematiek kan omgaan dan de vrouw. Het hof sluit in dit opzicht aan bij de constateringen van de raad in het rapport van 29 mei
  26. 24.
  27. Behoudens de persoonlijke problematiek tussen partijen, heeft het hof uit de rapportages van de raad noch uit de rapportages van de gezinsvoogdijinstelling kunnen afleiden dat er enige contra-indicatie is voor een overplaatsing van [Z.] naar het gezin van de man. Natuurlijk betekent dit voor [Z.] een vertrek uit een omgeving, waaraan hij inmiddels gewend is. Echter, de stelling van de man dat [Z.] prima functioneert in het gezin van de man waar hij al lange tijd in de weekenden en in de vakanties verblijft, komt het hof aannemelijk voor. Naar het oordeel van het hof zijn de aan de wisseling van het hoofdverblijf verbonden risico’s voor de ontwikkeling van [Z.] klein te achten. De omstandigheid dat de overgang van [Z.] naar de man een grote emotionele impact zal hebben op de vrouw, mag naar het oordeel van het hof deze overgang niet in de weg staan. 24.
  28. De overgang van [Z.] naar het gezin van de man dient door de gezinsvoogd goed te worden voorbereid en dient plaats te vinden op een goed gekozen moment in de meivakantie, doch uiterlijk op 29 april
  29. De overgang naar een school in de omgeving van de man kan dan tijdig worden voorbereid. Verder zal de gezinsvoogdijinstelling de nodige begeleiding en ondersteuning aan de vrouw dienen te geven. 24.
  30. Bij verweerschrift in appel van 21 maart 2006 heeft de vrouw verzocht - ingeval het verzoek van de man betreffende het hoofdverblijf van [Z.] wordt toegewezen - een omgangsregeling tussen haar en [Z.] vast te stellen, inhoudende omgang gedurende eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag 13.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, op moederdag en op de verjaardag van de vrouw. Nu niet gebleken is van contra-indicaties met betrekking tot de omgang van [Z.] met zijn moeder zal het hof een omgangsregeling vaststellen. Gelet op dit verzoek en het advies van de raad in zijn rapport van 14 november 2008 zal het hof bepalen dat de vrouw en [Z.] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 18.00 uur, op moederdag en de verjaardag van de vrouw, mits deze op een vrije dag valt, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, een en ander in onderling overleg tussen partijen nader te bepalen. 24.
  31. Het is onbetwist tussen partijen dat thans ten aanzien van de vrouw de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Zulks betekent dat de vrouw na het tijdstip van overgang van [Z.] naar de man voorshands niet in staat is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [Z.]. Het subsidiaire verzoek van de man dient dan ook te worden afgewezen.
  32. De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 29 november 2005
  33. voor zover daarin is bepaald dat de minderjarige [Z.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft; en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat het hoofdverblijf van [Z.] vanaf 29 april 2009 bij de man zal zijn; handhaaft het hoofdverblijf van [Z.] bij de vrouw tot 29 april 2009;
  34. voor zover daarin een omgangsregeling tussen de man en [Z.] is bepaald; en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat vanaf 29 april 2009 de vrouw en [Z.] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 18.00 uur, op moederdag en op de verjaardag van de vrouw, mits deze op een vrije dag valt, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, een en ander in onderling overleg tussen partijen nader te bepalen; handhaaft de omgangsregeling tussen de man en [Z.] tot 29 april 2009;
  35. voor zover daarin is opgenomen een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Z.], - welke bijdrage in hoger beroep voor de periode van 10 maart 2006 tot heden voorlopig is vastgesteld op bedragen als vermeld in de beschikkingen van het hof van 6 juli 2006 en 19 december 2008 en welke bijdrage het hof thans definitief vaststelt op de in die beschikkingen vermelde bedragen - voor het tijdvak na datum van de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [Z.] voornoemd; en in zoverre opnieuw rechtdoende: stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [Z.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar], met ingang van 29 april 2009 nader vast op nihil; handhaaft de beschikking van 19 december 2008 tot 29 april 2009; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Draijer-Udo en Philips en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2009.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.