← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2009:BK5376

BSU 3 december 2009 Sector civiel recht Zaaknummer HV200.021.597/01 Zaaknummer eerste aanleg 116381/S RK 07-1 GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Beschikking in de zaak in hoger beroep van: [X], wonende te [woonplaats], de Verenigde Staten van Amerika (V.S.), appellante in principaal appel, tevens geïntimeerde in incidenteel appel, hierna: de vrouw, advocaat: mr. C.M.A. Fens, t e g e n [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal appel, tevens appellant in incidenteel appel, hierna: de man, advocaat: mr. F.H. Kuiper.

  1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 24 september
  2. Het geding in hoger beroep 2.
  3. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 december 2008, zoals de advocaat van de vrouw dat bij brief d.d. 15 april 2009 aan het hof heeft gewijzigd, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de uitgesproken verdeling en, opnieuw rechtdoende en zonodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden, de in prima door de vrouw verzochte verdeling alsnog toe te wijzen, althans een zodanige beslissing te geven als het hof juist acht. 2.
  4. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 februari 2009, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel haar deze verzoeken te ontzeggen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. Tevens heeft de man hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen dan wel de op te leggen alimentatieverplichting in duur te beperken tot 6 jaar en drie maanden, althans maximaal tot een periode gelijk aan de duur van het huwelijk, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. 2.
  5. Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 31 maart 2009, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel hem deze verzoeken te ontzeggen, met veroordeling van de man in de proceskosten. 2.
  6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juli
  7. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de man, bijgestaan door mr. Fens voornoemd; - mr. Kuiper voornoemd namens de vrouw. De vrouw is behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen. 2.
  8. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de brief d.d. 6 april 2009 van de advocaat van de vrouw; - de brief d.d. 15 april 2009 van de advocaat van de vrouw; - de kennisgeving van inschrijving d.d. 4 juni 2009; - de brief d.d. 7 juli 2009 met bijlagen van de advocaat van de man; - de brief d.d. 13 juli 2009 met bijlage van de advocaat van de vrouw; - de brief d.d. 29 juli 2009 met bijlagen van de advocaat van de vrouw; - de brief d.d. 27 augustus 2009 van de advocaat van de vrouw.
  9. De beoordeling 3.
  10. Partijen zijn op 27 april 2000 te Mariposa, (Californië; de Verenigde Staten van Amerika) met elkaar gehuwd. 3.
  11. Bij de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 4 juni 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.
  12. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts de man veroordeeld om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand met een bedrag van € 2.050,-- per maand bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Daarnaast heeft de rechtbank bij die beschikking - voor zoveel nodig - de verdeling ten overstaan van een notaris van de aan partijen gemeenschappelijk toebehorende goederen, voor zover aanwezig, bevolen en daartoe voor zoveel nodig een notaris en een onzijdig persoon benoemd. Het principaal appel: 3.
  13. De grieven van de vrouw richten zich tegen de overweging van de rechtbank dat het huwelijksvermogensrecht van Hong Kong van toepassing is. Daarnaast stelt de vrouw dat de rechtbank de beschikking ten aanzien van het bevel tot verdeling niet voldoende heeft gemotiveerd in die zin, dat niet duidelijk is welke goederen naar het oordeel van de rechtbank voor verdeling in aanmerking komen. 3.
  14. De vrouw stelt zich op het standpunt dat op het huwelijksvermogensregime Nederlands recht van toepassing is. Zij betwist dat door partijen geen rechtskeuze is gedaan vóór dan wel tijdens het huwelijk. Volgens de vrouw zijn partijen er gedurende hun gehele huwelijk van uitgegaan dat zij waren gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben zij dit gedurende hun gehele huwelijk ook naar derden toe uitgedragen. In dit verband heeft de vrouw verwezen naar de conceptovereenkomst en de definitieve overeenkomst inzake de koop van de echtelijke woning in [plaatsnaam] en naar de kadastrale registratie met betrekking tot die woning, in welke stukken wordt vermeld dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. De vrouw heeft verder gesteld dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat Hong Kong als eerste gewone verblijfplaats van partijen moet worden beschouwd. Ter toelichting hierop heeft de vrouw aangevoerd dat partijen in 2000 in de Verenigde Staten van Amerika zijn gehuwd, dat de verblijfplaats van partijen ten tijde van de huwelijkssluiting (Hong Kong) uitsluitend was ingegeven door de omstandigheid dat de man alstoen in Hong Kong werkzaam was en dat ten tijde van de huwelijkssluiting al vast stond dat Hong Kong niet de permanente woonplaats van partijen zou worden. Volgens de vrouw zijn partijen direct na de huwelijksluiting al op zoek gegaan naar een koopwoning in Nederland en zijn partijen in juli 2001 overgegaan tot de aankoop van de woning te [plaatsnaam] met de bedoeling aldaar permanent te wonen en te verblijven. Tot slot heeft de vrouw aangevoerd dat zij ermee bekend is dat normaliter wordt uitgegaan van een periode van 6 maanden waarbinnen men het eerste huwelijksdomicilie moet hebben gevestigd. De vrouw heeft er echter tevens op gewezen dat deze termijn van zes maanden geen wettelijke termijn betreft en dat in het onderhavige geval, gelet op de feitelijke gang van zaken na de huwelijkssluiting, van deze termijn dient te worden afgeweken. 3.
  15. De man betwist dat partijen hetzij vóór, hetzij staande hun huwelijk een geldige, uitdrukkelijke rechtskeuze hebben gemaakt inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksv¬ermogensregime en dat uit de wijze waarop het koopcontract van de woning te [plaatsnaam] is geredigeerd een uitdrukkelijke keuze inzake het op het huwelijks- vermogensregime van toepassing zijnde recht kan worden afgeleid. De man betwist verder dat partijen er gedurende hun huwelijk van uit zijn gegaan en ook naar derden hebben uitgedragen dat zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De man heeft verder gesteld dat partijen er bij het sluiten van hun huwelijk van uit gingen dat zij voor langere tijd in Hong Kong zouden blijven wonen. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat partijen na de huwelijkssluiting nog ruim twee jaar samen in Hong Kong hebben gewoond. 3.
  16. Het hof overweegt als volgt. 3.7.
  17. Partijen zijn op 27 april 2000 te Mariposa, (Californië; de Verenigde Staten van Amerika) met elkaar gehuwd. Dit betekent dat de Nederlandse rechter, aan wie de zaak is voorgelegd, aan de hand van het voor Nederland op 1 september 1992 van kracht geworden Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (Trb. 1988, nr. 130; hierna: het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978) zal dienen te beoordelen welk recht op het huwelijksvermogensrecht van partijen van toepassing is. Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, dat blijkens artikel 2 een universeel formeel toepassingsgebied heeft, is namelijk van toepassing op huwelijken die zijn gesloten op of na 1 september
  18. 3.7.
  19. Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 voorziet onder voorwaarden zowel in de mogelijkheid van een rechtskeuze vóór het huwelijk (artikel 3) als een rechtskeuze staande huwelijk (artikel 6). Een rechtskeuze dient uitdrukkelijk te zijn overeengekomen of ondubbelzinnig voort te vloeien uit de huwelijkse voorwaarden. In het geval dat geen - rechtsgeldige - rechtskeuze is uitgebracht, dient het op het huwelijksvermogensregime toepasselijke recht te worden bepaald aan de hand van de in artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 neergelegde verwijzingsregeling. 3.7.3.
  20. Naar het oordeel van het hof dient, in het licht van de in de betrokken verdragsregeling neergelegde systematiek, allereerst te worden bezien of, zoals door de vrouw is gesteld doch door de man is betwist, in het onderhavige geval sprake is van een - rechtsgeldige - rechtskeuze in de zin van het Haags Huwelijksvermogensverdrag
  21. Daarbij dient niet enkel acht te worden geslagen op hetgeen in artikel 3 c.q. artikel 6 is bepaald, maar ook rekening te worden gehouden met de voorwaarden, respectievelijk vormvoorschriften waarvan de artikelen 11 tot en met 13 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 blijk geven. Vast staat dat in de onderhavige, aan het hof ter beoordeling in appel voorgelegde zaak, partijen geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. Evenzeer staat vast dat een gedagtekend én door beide partijen ondertekend schriftelijk stuk ontbreekt waarin een huwelijksvermogensrechtelijke rechtskeuze is gedaan, mede in welk verband het hof wijst op het in artikel 13, laatste zinsnede, van het Haags Huwelijksvermogensrecht 1978 neergelegde minimum voorschrift. 3.7.3.
  22. Vast staat dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting - het in beginsel toepasselijke aanknopingspunt als het om het op het huwelijksvermogensregime toepasselijke recht in de zin van onder meer artikel 4 gaat - geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden: de vrouw was (is) Amerikaanse, terwijl de man de Nederlandse nationaliteit had (heeft). Dit heeft, gelet op de wijze waarop de in artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag neergelegde objectieve verwijzingsregel is opgebouwd, tot gevolg dat vervolgens dient te worden bezien of in het onderhavige geval sprake is van vestiging door partijen van hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk op het grondgebied van dezelfde staat zoals bedoeld in artikel 4 van het meergenoemde verdrag. Tussen partijen is in confesso dat zij (ook) na de huwelijkssluiting in Hong Kong zijn blijven wonen. Blijkens de door de man overgelegde uittreksels uit de basisadministratie van de gemeente [gemeente] hebben, voordat één van hen zich metterwoon in Nederland vestigde, partijen tot 29 juli 2002, dat is tot ruim twee jaren na datum sluiting huwelijk op 27 april 2000, in Hong Kong hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na huwelijk gehad. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat op de verzochte nevenvoorziening, strekkende tot verdeling van het huwelijksvermogen, het huwelijksvermogensrecht van Hong Kong van toepassing is. 3.7.3.
  23. Door de vrouw is nog betoogd dat, gelet op de feitelijke gang van zaken, in het onderhavige geval moet worden aangenomen dat, naar het hof begrijpt, partijen hun eerste huwelijksdomicilie niet in Hong Kong doch in Nederland hebben gevestigd, althans dat dit huwelijksvermogensrecht van partijen niet door het recht van Hong Kong maar door Nederlands recht wordt beheerst. Het hof kan de vrouw in dit betoog niet volgen. Van de door de vrouw ook bekende én genoemde (“bovengrens” van 4) zes maanden, welke termijn is ingegeven om met name onzekerheid bij onder meer derden over het tussen partijen geldende huwelijksvermogensrecht te voorkomen, kan eventueel alleen in uitzonderlijke situaties worden afgewezen en dan, eveneens naar het oordeel van het hof, enkel nog wanneer het, mede afgezet tegen de gebruikelijke termijn van zes maanden, geen al te lange periode betreft. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben gesteld met betrekking tot onder meer de reden om na de huwelijkssluiting in Hong Kong woonachtig te blijven dan wel te zijn - kort gezegd: het werk van de man - is van een dergelijke uitzonderlijke situatie geenszins sprake, terwijl, zo daar veronderstellenderwijs wel sprake van zou zijn geweest, in het geval van een periode van ruim twee jaren na de huwelijkssluiting redelijkerwijs niet meer kan worden gesproken van vestiging van een eerste huwelijksdomicilie zoals bedoeld in artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag
  24. Dat partijen de intentie zouden hebben gehad om, naar het hof de stellingen van de vrouw begrijpt, hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland, althans in een ander land dan Hong Kong te vestigen, is overigens niet alleen door de man gemotiveerd betwist, maar gaat tevens voorbij aan het feit dat, ondanks deze beweerdelijke intentie, partijen gedurende nog meer dan twee jaren, samenwonend, in Hong Kong zijn gebleven. 3.7.3.
  25. Nu naar het oordeel van het hof op het huwelijksvermogensrecht van partijen het recht van Hong Kong van toepassing is en, mede gelet op de door partijen overgelegde stukken, niet valt uit te sluiten dat er naar het recht van Hong Kong - op een zeker moment - (bepaalde) goederen gemeenschappelijk zijn geworden, zal het hof, in navolging van de rechtbank, voor zoveel nodig, de verdeling van de aan partijen gemeenschappelijk toebehorende goederen, voor zover aanwezig, bevelen ten overstaan van een notaris en daarmee de beslissing van de rechtbank op dit punt (eveneens) bekrachtigen. Het is vervolgens aan de notaris om te beoordelen of en, zo ja, welke goederen voor verdeling in aan¬merking komen, ook al omdat het hof, mede gelet op de in het geding gebrachte stukken, daartoe bij gebrek aan - voldoende - feitelijke gegevens niet in staat is. 3.7.
  26. Het bovenstaande brengt met zich dat de grieven van de vrouw in het principaal appel falen. Het incidenteel appel: 3.
  27. De grieven van de man hebben betrekking op de (huwelijks)gerelateerde behoefte van de vrouw en op de afwijzing van zijn verzoek tot limitering van de partneralimentatie. De draagkracht 3.
  28. De man heeft zijn draagkracht tot betaling van de in de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage niet ter discussie gesteld, zodat die draagkracht vaststaat. De (huwelijksgerelateerde) behoefte 3.
  29. De rechtbank heeft de huwelijksgerelateerde behoefte vastgesteld op € 3.600,-- netto per maand, zijnde 60% van het tijdens het huwelijk aan partijen ter beschikking staand netto besteedbaar gezinsinkomen van ten minste € 6.000,-- per maand. De rechtbank acht de man in staat om met een bedrag van maximaal € 2.050,-- ($ 2.888,25) per maand bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw en heeft dit bedrag ook aan de man opgelegd. Rekening houdend met de over dat bedrag door de vrouw verschuldigde inkomstenbelasting ten bedrage van $ 290,--, resteert voor de vrouw - aldus de rechtbank - ter besteding een bedrag van $ 2.598,-- (afgerond € 1.844,--) per maand. 3.
  30. In aanmerking genomen de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en haar leeftijd van 64 jaar, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw, zelfs indien er van wordt uitgegaan dat zij met het verrichten van betaalde arbeid (deels) in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien, behoefte heeft aan de bijdrage die de man maximaal kan betalen, te weten € 2.050,--/$ 2.888,25 per maand. Daarbij heeft de rechtbank wel uitdrukkelijk overwogen dat het op de weg van de vrouw ligt de man per omgaande te informeren indien zij een zelfstandig inkomen genereert dat het bedrag van € 1.756,-- netto per maand (€ 3.600,-- minus € 1.844,--) te boven gaat. 3.
  31. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte ten onrechte met toepassing van “de hofformule” heeft vastgesteld. Ter toelichting hierop heeft hij gesteld dat de rechter die de behoefte van de alimentatiegerechtigde moet vaststellen niet kan volstaan met alleen de hoogte van het netto gezinsinkomen, maar daarbij tevens de vaste lasten van de onderhoudsgerechtigde in aanmerking dient te nemen en de overige uitgaven zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens moet schatten en dient te bezien of deze, gelet op de welstand tijdens het huwelijk, redelijk zijn geweest. De man heeft verder aangevoerd dat de vrouw is teruggekeerd naar de Verenigde Staten waar een andere (lagere) levensstandaard geldt dan in Nederland en dat zij aldaar samen met haar dochter in een woning woont, van welke woning de lasten door de dochter van de vrouw worden betaald. De man betwist de stelling van de vrouw dat bedoelde woning eigendom is van haar dochter. Voorts heeft de man er op gewezen dat de vrouw bij brief van 27 maart 2008 nadere stukken in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar behoefte, maar dat hij een groot deel van de door de vrouw opgevoerde kosten bij brief van 9 april 2008 heeft betwist en dat de rechtbank hier ten onrechte en zonder enige motivering aan voorbij is gegaan. Daarnaast heeft de man zijn stelling gehandhaafd dat de vrouw, die heeft erkend recent een opleiding tot “real estate agent” te hebben gevolgd, in staat moet worden geacht door arbeid in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Nu de vrouw tot nu toe geen enkel stuk in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk solliciteert, dit ondanks het aanbod van haar advocaat ter comparitie van 28 februari 2008 om daarvan bewijsstukken over te leggen, moet het er - aldus de man - voor worden gehouden dat de vrouw zich geen, althans onvoldoende inspanningen getroost om eigen inkomen te verwerven. Naar de mening van de man heeft de rechtbank in de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd waarom, mede gelet op het in artikel 1:157 lid 1 BW bepaalde, de vrouw desondanks recht heeft op een alimentatie van € 2.050,-- bruto per maand. De man heeft er verder opgewezen dat de vrouw - voor zover hem bekend is - in ieder geval met ingang van 7 april 2010, doch wellicht al eerder recht heeft op een eigen pensioen, dat de vrouw daarover informatie dient te verstrekken, alsmede dat de vrouw bovendien recht heeft op een deel van het door de man tijdens de duur van het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen en dat met deze inkomsten rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van de eventuele behoefte aan alimentatie zijdens de vrouw. Verder heeft de man zijn stelling herhaald dat bij de vraag of, en, zo ja, in hoeverre, de vrouw behoeftig is rekening dient te worden gehouden met het door de vrouw erkende feit dat zij bij haar vertrek naar de Verenigde Staten van de gezamenlijke rekening van partijen een bedrag van € 60.000,-- heeft opgenomen. 3.
  32. De vrouw heeft daartegen aangevoerd dat zij met haar brief d.d. 27 maart 2008 met de daarbij gevoegde bijlagen slechts heeft beoogd het bedrag aan te geven, waaraan zij minimaal behoefte heeft, doch dat bij de vaststelling van de behoefte aan alimentatie ook andere factoren, zoals de welstand ten tijde van het huwelijk, in aanmerking genomen dienen te worden. De vrouw heeft verder betwist dat de levensstandaard in de Verenigde Staten lager is dan in Nederland. Daarnaast heeft de vrouw gesteld dat de door haar en haar dochter bewoonde woning in 2004 op naam van haar dochter is gesteld en dat haar dochter thans nagenoeg alle lasten van die woning voor haar rekening neemt omdat de vrouw niet in staat is haar aandeel in die kosten te betalen. 3.
  33. Het hof overweegt als volgt. Overeenkomstig de thans gebruikelijke methodiek heeft de rechtbank de huwelijks- gerelateerde behoefte gelijkgesteld aan 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Uitgaande van een netto besteedbaar gezinsinkomen van tenminste € 6.000,-- per maand heeft de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw gesteld op € 3.600,-- per maand. De man betwist dat in de onderhavige situatie de hiervoor bedoelde methodiek kan worden gevolgd en heeft er op gewezen dat op basis van de door de vrouw in eerste aanleg geproduceerde gegevens en berekeningen, waarin op onderdelen bovendien sprake is van dubbeltellingen, de conclusie getrokken dient te worden dat de vrouw geen behoefte heeft aan genoemd bedrag van € 3.600,-- netto per maand, hetgeen temeer geldt nu de vrouw in de Verenigde Staten woonachtig is alwaar een lagere levensstandaard geldt dan in Nederland. De man heeft niet betwist dat het netto besteedbaar gezinsinkomen neerkwam op tenminste € 6.000,-- netto per maand. Namens de vrouw is ter zitting van het hof gesteld dat partijen er een ruime levensstandaard op nahielden, hetgeen door de man niet is weersproken. Ter zitting van het hof heeft de man verklaard dat de vrouw tot 2006 de vrije beschikking over de gezamenlijke rekening van partijen had en dat zij sinds 2006 over een eigen bankrekening beschikte waarop door de man maandelijks een bedrag van € 1.000,-- werd overgemaakt voor de aankoop van kleding e.d. De man heeft verder erkend dat hij de hypothecaire lasten en de overige eigenaarslasten van de aan de vrouw in eigendom toebehorende woning in Amerika voor zijn rekening nam, dat hij aan de vrouw een personenauto ter waarde van € 50.000,-- heeft gegeven en dat hij voorts de studiekosten van de kleindochter van de vrouw voor zijn rekening heeft genomen welke hij nog steeds betaalt. De man heeft zijn door de vrouw betwiste stelling dat de levensstandaard in de Verenigde Staten lager is dan in Nederland niet onderbouwd. Daarbij merkt het hof nog op dat zeker in een staat met de omvang en mede daardoor uiteenlopende urbanisatiegraad en economische ontwikkeling als de Verenigde Staten niet zonder meer mag worden aangenomen dat de levensstandaard overal min of meer gelijk is. De vrouw heeft niet betwist dat in het door haar bij haar brief van 27 maart 2008 overgelegde alimentatierapport enkele onjuistheden voorkomen in die zin dat met de daarin vermelde woonlasten slechts voor de helft kan worden rekening gehouden. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de kosten van de huishouding door de vrouw en haar inwonende dochter kunnen worden gedeeld en dat inmiddels ook wijziging is gekomen in de door de vrouw verschuldigde premie ten behoeve van een ziektekostenverzekering. Gelet op al het vorenstaande en in aanmerking nemende dat de vrouw bij herhaling heeft gesteld dat zij met de door haar in haar brief van 27 maart 2008 met bijlagen vermelde uitgaven slechts heeft beoogd het minimum bedrag aan te geven, acht het hof het redelijk en billijk de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw te stellen op € 3.100,-- netto per maand. 3.
  34. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat de man in staat is om met een bedrag van maximaal € 2.050,-- ($ 2.888,25) per maand bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw en heeft de rechtbank dit bedrag ook aan de man opgelegd. De rechtbank heeft becijferd dat de vrouw over genoemd bedrag van $ 2.888,25 aan inkomstenbelasting een bedrag van $ 290,-- dient te betalen en dat dus aan de vrouw een bedrag van $ 2.598,--/€ 1.844,-- per maand ter besteding staat. De man heeft niet betwist dat hij tot betaling van genoemd bedrag van € 2.050,-- per maand in staat is en de vrouw heeft in hoger beroep niet om vaststelling van een hogere bijdrage verzocht, zodat genoemd bedrag de bovengrens vormt van de alimentatieverplichting van de man. Uitgaande van een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.100,-- netto per maand en van een door de vrouw van de man te ontvangen alimentatie van € 1.844,-- netto per maand, moet het eigen inkomen van de vrouw uit arbeid of anderszins tenminste € 1.256,-- netto per maand bedragen voordat sprake kan zijn van verlaging van de door de man te betalen bijdrage van € 1.844,-- netto (€ 2.050,-- bruto) per maand. 3.
  35. De man heeft gesteld dat de vrouw bij haar vertrek naar de Verenigde Staten € 60.000,-- heeft opgenomen van de gemeenschappelijke rekening van partijen en dat met dit bedrag rekening moet worden rekening gehouden bij de vraag of en, zo ja, in hoeverre de vrouw behoeftig is. De vrouw heeft erkend dat zij het door de door de man genoemde bedrag heeft opgenomen, maar zij heeft tevens aangegeven dat zij dat bedrag voor levensonderhoud heeft aangewend en dat van dat bedrag niets meer resteert, hetgeen door de man niet, althans onvoldoende is weersproken. Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de levensstandaard van partijen is overwogen, acht het hof ook aannemelijk dat van het door de vrouw als voormeld opgenomen bedrag niets, althans weinig meer resteert. Bij beschikking van voormelde rechtbank van 28 januari 2008 is de door de man met ingang van die datum voor de verdere duur van het echtscheidingsgeding te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op € 1.000,--, zulks terwijl de echtscheidingsbeschikking pas op 4 juni 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en de vrouw dus gedurende ongeveer anderhalf jaar het door haar als voormeld opgenomen bedrag voor haar levensonderhoud heeft moeten aanwenden. 3.
  36. Uit de door de advocaat van de vrouw bij haar brief van 13 juli 2009 overgelegde brief d.d. 1 januari 2009 met bijlage blijkt dat de vrouw uit het Philips Pensioen Plan een uitkering ontvangt van $ 235,18/€ 168,29 per maand. 3.
  37. Uit de door de advocaat van de vrouw bij haar brief van 29 juli 2009 overgelegde bescheiden kan worden afgeleid dat de vrouw daarnaast sinds april 2009 een pensioenuitkering ontvangt van $ 1.197,--/€ 766,87 per maand en dat de vrouw die als zelfstandig makelaar is verbonden aan Century 21 Country Estates Realty gedurende de afgelopen zes maanden in die hoedanigheid geen inkomen heeft genoten. In de brief d.d. 27 augustus 2009 van zijn advocaat heeft de man de door de vrouw verstrekte gegevens onvoldoende betwist, zodat het hof uitgaat van de juistheid van die gegevens. Uit hoofde van de beide hiervoor bedoelde uitkeringen ontvangt de vrouw een bedrag van in totaal € 935,16 (€ 168,29 + € 766,87) per maand. Uit de stukken kan niet worden afgeleid of het hier netto of bruto uitkeringen betreft, maar zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de vrouw de bedoelde uitkeringen netto ontvangt, is het inkomen niet van dien aard dat dit van invloed kan zijn op de hoogte van de door de man als voormeld te betalen onderhoudsbijdrage. De man heeft zijn stelling dat de vrouw recht heeft op een deel van het door de man tijdens de duur van het huwelijk opgebouwde pensioen niet nader toegelicht en/of met bescheiden onderbouwd, zodat reeds om die reden verder aan deze stelling voorbijgegaan dient te worden. Dit geldt temeer nu nog niet vaststaat wat de huwelijksgemeenschap omvat en op welke wijze de verdeling hiervan dient plaats te vinden. De man bereikt de 65-jarige leeftijd op 19 oktober
  38. Indien en voor zover op dat moment vaststaat dat de vrouw aanspraak heeft op een deel van het tijdens de duur van het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen, kan de man daarin aanleiding vinden zich met een verzoek tot wijziging van de door hem ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage tot de rechter te wenden. Gelet op zowel de leeftijd van de vrouw (zij is geboren op 7 april 1944 en dus inmiddels 65 jaar) als de huidige kredietcrisis met de daaraan voor de huizenmarkt verbonden gevolgen is het niet reëel om te veronderstellen dat de vrouw als zelfstandig makelaar thans - al - enig inkomen van betekenis zal kunnen verwerven. Dat laat echter onverlet dat van de vrouw in redelijkheid mag worden gevergd dat zij, zodra haar totale inkomen het hiervoor onder 3.15 genoemde bedrag van € 1.256,-- netto per maand te boven gaat, de man daarover onder overlegging van in rechte geloof verdienende bescheiden informeert en met hem in overleg treedt over de omvang van de door de man eventueel nog te betalen partneralimentatie. Uit al het voorgaande volgt dat grief 1 van de man niet slaagt. Limitering 3.
  39. De tweede grief van de man is gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek tot limitering. De man is van mening dat op grond van bijzondere omstandigheden dient te worden afgeweken van de in artikel 1:157 lid 4 BW vermelde termijn van 12 jaar. Als zodanige omstandigheden heeft hij aangevoerd dat partijen pas op latere leeftijd zijn gehuwd, dat het voor beiden niet het eerste huwelijk betrof, dat partijen samen geen kinderen hebben gekregen of grootgebracht, dat de vrouw in staat en ook gewend is (geweest) om zelf in haar levensonderhoud te voorzien en dat het huwelijk van partijen relatief kort heeft geduurd. In dit verband heeft de man erop gewezen dat partijen slechts zes jaar hebben samengewoond, aangezien de vrouw in juli 2006 naar de Verenigde Staten is teruggekeerd. De vrouw is van mening dat in de door de man aangevoerde omstandigheden geen aanleiding kan worden gevonden om de alimentatieverplichting in duur te beperken. De vrouw betwist ook dat het huwelijk relatief kort heeft geduurd en heeft in dit verband aangevoerd dat partijen in 2000 zijn gehuwd en dat partijen ten tijde van de indiening van het verweerschrift in incidenteel hoger beroep nog steeds niet gescheiden waren. Daarnaast heeft de vrouw erop gewezen dat partijen voor hun huwelijk al enige tijd een relatie met elkaar hadden en dat zij zich in 2007 nog tot een mediator hebben gewend om te trachten hun huwelijk te redden, zodat van een definitieve scheiding in juli 2006 dus nog geen sprake was. 3.
  40. Het hof overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 1:163, lid 1 BW komt de echtscheiding tot stand door de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Vast staat dat in het onderhavige geval de echtscheidingsbeschikking op 4 juni 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van ’s-Gravenhage. Vast staat evenzeer dat partijen op 27 april 2000 met elkaar zijn gehuwd. Niet de periode gedurende welke partijen tijdens het huwelijk hebben samengewoond, maar de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand is ingevolge de wet bepalend voor de duur van de onderhoudsverplichting. Partijen zijn formeel gedurende meer dan negen jaar met elkaar gehuwd geweest, zodat ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren. Toen partijen in het huwelijk traden was de vrouw 56 jaar. Vast staat dat de vrouw gedurende de periode dat partijen hebben samengewoond geen inkomen uit arbeid of anderszins heeft genoten. Evenzeer staat vast dat partijen er gedurende diezelfde periode een ruime levensstandaard op na hebben gehouden. Zoals hiervoor reeds is overwogen is het, gelet op de leeftijd van de vrouw en op de huidige kredietcrisis met de daaraan voor de huizenmarkt verbonden gevolgen, niet reëel om te veronderstellen dat de vrouw als zelfstandig makelaar thans enig inkomen van betekenis zal kunnen verwerven. Op grond van al het vorenstaande acht het hof geen termen aanwezig voor limitering van de onderhoudsverplichting. Grief 2 faalt dus eveneens. De proceskosten 3.
  41. Partijen hebben over en weer verzocht de andere partij in de proceskosten te veroordelen, maar voor een dergelijke veroordeling acht het hof geen termen aanwezig. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten op na te melden wijze compenseren.
  42. De beslissing Het hof: op het principaal en incidenteel hoger beroep: bekrachtigt de beschikking, waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen; compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Van der Linden, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2009.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.