GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Eerste meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 08/00151 Uitspraak op het hoger beroep van X VOF, gevestigd te Y, hierna: belanghebbende, tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 januari 2008, nummer AWB 07/1832 in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur van de Belastingdienst/Z, hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting en na te noemen boetebeschikking. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.Y3.90001 over het tijdvak 29 maart 2003 tot en met 28 maart 2004 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 2.338 aan belasting, alsmede bij beschikking een boete van € 2.338. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende geen griffierecht geheven. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover het de boete betreft, de uitspraak op bezwaar in zoverre vernietigd, de boete verminderd tot € 1.134 en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 25 juni 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Tijdens het onderzoek ter zitting zijn de volgende zaken van belanghebbende, bij het Hof bekend onder kenmerken 08/00152, 08/00153 en 08/00154, gelijktijdig met onderhavige zaak behandeld. 1.5. Belanghebbende noch haar gemachtigde zijn verschenen. De griffier heeft belanghebbendes gemachtigde vlak voor de aanvang van de zitting gebeld en een bericht op diens antwoordapparaat achtergelaten. Belanghebbendes gemachtigde heeft korte tijd later in reactie op het bericht telefonisch contact gehad met de griffie. Hij heeft daarbij niet verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. 1.6. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 15 mei 2009, met nummer 3SRGHR4955068, aangetekend met Handtekening Retourkaart naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort de op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende ondertekende Handtekening Retourkaart. 1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2. Feiten De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt: 2.1. Belanghebbende exploiteerde tot 14 juni 2004 een taxibedrijf en had in dat verband onder meer de beschikking over twee personenauto's met de kentekens XX-XX-00 en 00-XX-XX. Belanghebbende had voor deze auto's een geldige vergunning als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000. 2.2. De Inspecteur heeft in het kader van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. Tijdens het onderzoek is onder meer het volgende gebleken: - de rittenstaten werden per persoon bijgehouden, maar niet per auto; - de rittenstaten waren niet in alle gevallen zorgvuldig ingevuld; - er werd niet in alle gevallen een rittenstaat aangelegd; - de hoedanigheid van de ritten bleek niet uit de staten. 2.3. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur naheffingsaanslagen BPM aan belanghebbende opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar en beroep aangetekend. In de beroepsfase heeft de Inspecteur deze naheffingsaanslagen vernietigd. Belanghebbende heeft als gevolg daarvan het beroep ingetrokken. 2.4. Naar aanleiding van het boekenonderzoek zijn ook de volgende naheffingsaanslagen MRB en boetebeschikkingen opgelegd: Kenteken XX-XX-00 - naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 30 november 2001 (aanslagnummer 0000.00.000.Y1.90001), nageheven belasting € 1.757, boete € 1.757. Kenteken 00-XX-XX - naheffingsaanslag over het tijdvak 29 maart 2001 tot en met 28 maart 2002 (aanslagnummer 0000.00.000.Y1.90002), nageheven belasting € 2.336, boete € 2.336; - naheffingsaanslag over het tijdvak 29 maart 2002 tot en met 28 maart 2003 (aanslagnummer 0000.00.000.Y2.90001), nageheven belasting € 2.317, boete € 2.317; - naheffingsaanslag over het tijdvak 29 maart 2003 tot en met 28 maart 2004 (aanslagnummer 000.00.000.Y3.90001),nageheven belasting € 2.338, boete € 2.338. 2.5. Belanghebbende heeft de gegevens van de taxameter niet bewaard. 2.6. Belanghebbende heeft eerst na afronding van het boekenonderzoek en het controlerapport de rittenstaten aan de Inspecteur ter inzage gegeven. Deze heeft een aantal, door hem representatief geachte, rittenstaten bekeken, gekopieerd en gearchiveerd. Vervolgens heeft de Inspecteur de rittenstaten aan belanghebbende teruggestuurd. Tevens zijn in hoger beroep voor het Hof de volgende feiten komen vast te staan: 2.7. Bij het bezoek van de controlerend ambtenaar in het kader van bovenvermeld boekenonderzoek waren 11 voertuigen aanwezig. Van deze 11 voertuigen waren er 6 vrij van BPM (3-jaarstermijn verstreken), 1 voertuig kwam niet voor in het bestand van de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat en 1 voertuig lag stil in verband met een APK-keuring. Er zijn daarom 3 van de 11 voertuigen beoordeeld. Lopende het onderzoek is door de controlerend ambtenaar mondeling aan belanghebbende medegedeeld dat het onderzoek ook gevolgen zou kunnen hebben voor de motorrijtuigenbelasting. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de bestreden naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting terecht werd opgelegd. In het bijzonder gaat het om de vraag of belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling als bedoeld in artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) (de taxivrijstelling). Belanghebbende meent dat de taxivrijstelling van toepassing is en de naheffingsaanslag en boete ten onrechte werden opgelegd. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 3.3. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen wordt verzonden met deze uitspraak. 3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de Inspecteur en vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4. Gronden Ambtshalve en vooraf 4.1. Blijkens de onder 1.6. vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging uitgereikt. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van het geschil 4.2. Belanghebbende klaagt dat het voor haar niet kenbaar was dat het boekenonderzoek (dat blijkens het rapport gericht was op aanvaardbaarheid van de teruggaven BPM) tevens gevolgen zou hebben voor de motorrijtuigenbelasting. Zij concludeert hieruit dat de Rechtbank in overweging 2.7 ten onrechte heeft vastgesteld dat belanghebbende niet, althans niet tijdig, aan het verzoek van de Inspecteur tot overlegging van de rittenstaten heeft voldaan. Deze constatering moge juist zijn voor de BPM, zij is, althans volgens belanghebbende, niet juist voor de motorrijtuigenbelasting, nu het verzoek van de Inspecteur immers niet in het kader van een onderzoek naar de motorrijtuigenbelasting werd gedaan. De Rechtbank heeft derhalve, aldus belanghebbende, ten onrechte tot omkering van de bewijslast geconcludeerd. 4.3. Belanghebbende doet beroep op een vrijstelling van belasting, en zij is degene die moet (stellen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.