zaaknr. HD 200.012.965 ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, derde kamer, van 27 oktober 2009, gewezen in de zaak van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 25 augustus 2008, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. J.L. Crutzen, tegen: de vennootschap onder firma [Y.] ADVIESBUREAU V.O.F., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot, appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. J.L.H. Holthuijsen, op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen vonnis van 23 januari 2008 en van het door de rechtbank Maastricht, sector civiel gewezen vonnis van 30 juli 2008 tussen principaal appellante – [Y.] - als eiseres en principaal geïntimeerde – [X.] - als gedaagde. 1. De gedingen in eerste aanleg (sector kanton: zaaknr. 252603 CV EXPL 07-2086; sector civiel: zaaknr. 127379/HA ZA 08-204) Voor de gedingen in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven met producties heeft [X.] onder overlegging van drie producties tegen het vonnis van 30 juli 2008 twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 23 januari 2008 en 30 juli 2008 waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van [Y.] en veroordeling van [Y.] tot terugbetaling van al hetgeen [X.] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [Y.] heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] onder overlegging van producties de grieven bestreden. 2.3.Voorts heeft [Y.] incidenteel appel ingesteld, daarin drie grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot vernietiging van het vonnis van 30 juli 2008, voorzover in incidenteel appel door haar bestreden, en tot integrale toewijzing van haar vorderingen. 2.4. [X.] heeft in incidenteel appel onder overlegging van een productie geantwoord. 2.5. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd en de gedingstukken overgelegd. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst voor de grieven naar hetgeen hierna onder de beoordeling wordt overwogen. 4. De beoordeling in principaal en incidenteel appel 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. a. Op 4 februari 2005 hebben de rechtsvoorganger van [Y.], te weten de eenmanszaak [Z.], en [X.] een franchise- overeenkomst gesloten (prod. 1 inl. dagv.). Op grond daarvan mocht [X.] als franchisenemer gaan bemiddelen bij het afsluiten van hypothecaire leningen en levensverzekeringen onder de naam [Y.] “[Z.] Adviesbureau”(franchisegever). b. De provisie voor de bemiddeling betaalde de bank en levensverzekeraar aan [Y.]. [Y.] betaalde van die provisie 70% door aan [X.] (art. 4 franchiseovereenkomst), behoudens voor wat betreft de zogenaamde Genworth Fortfolio maandlasten- beschermingsverzekeringen. Met betrekking tot die verzekeringen betaalde [Y.] 100% van de provisie door aan [X.] (zie akte d.d. 4-7-2007, punt 4). c. Op grond van de zogenaamde “terugboekingsregeling” diende ingeval van royement binnen vijf jaar na het afsluiten van de lening of verzekeringsovereenkomst in het eerste jaar 80% van de provisie aan de bank of verzekeraar terugbetaald te worden, in het tweede jaar 60%, in het derde jaar 40% en in het vierde jaar 20%. d. In de onderlinge verhouding tussen partijen diende [X.] van het terug te betalen bedrag 70% voor zijn rekening te nemen, aangezien hij 70% van de provisie had ontvangen, en [Y.] 30%, behoudens ten aanzien van genoemde Genworth Fortfolio maandlastenbeschermingsverzekeringen. Ingeval van royement van laatstgenoemde verzekeringen diende [X.] de provisie voor 100% terug te betalen nu [Y.] die provisie ook voor 100% had doorbetaald aan [X.]. e. De franchiseovereenkomst is op 25 januari 2006 beëindigd (zie prod. 1 cva). f. [Y.] heeft aan [X.] bericht dat [X.] van de door hem ontvangen provisie een aantal bedragen dient terug te betalen, te weten 1. wegens teveel betaalde provisie in 2005: - € 264,18 (brief d.d. 1 dec. 2006 (prod. 2 inl. dagv.) 2. wegens royementen binnen vijf jaar: - € 2.722,- (brief d.d. 1 dec. 2006 (prod. 2 inl. dagv.) - € 637,- (brief d.d. 2 febr. 2007 (prod. 5 inl. dagv.) - € 819,- (brief d.d. 8 juni 2007 (prod. 10 akte). Dit is in totaal € 4.442,18 4.2. [Y.] heeft in eerste aanleg – na wijziging en vermeerdering van eis – kort gezegd gevorderd a. veroordeling van [X.] om aan [Y.] te betalen € 4.441,78, vermeerderd met wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente, en € 350,- buitengerechtelijke incassokosten. b. veroordeling van [X.] om, indien een hypotheek- of verzekeringsproduct bij het afsluiten waarvan [X.] heeft bemiddeld, wordt geroyeerd binnen vijf jaar na afsluiten, aan [Y.] te betalen een bedrag gelijk aan 70% van de door [Y.] aan de bank of verzekeraar terug te betalen afsluitprovisie, en ingeval van Genworth Fortfolio maandlastenbeschermingsverzekering 100% van de terug te betalen provisie. 4.3. [X.] heeft tegen deze vorderingen verweer gevoerd. 4.4. Bij vonnis van 23 januari 2008 heeft de kantonrechter te Heerlen de zaak verwezen naar de sector civiel van de rechtbank Maastricht. 4.5. Bij vonnis van 30 juli 2008 heeft de rechtbank Maastricht de gevorderde hoofdsom van € 4.441,78 met de gevorderde wettelijke rente toegewezen, alsmede de gevorderde kosten van € 350,-. Voorts heeft de rechtbank de vordering vermeld onder 4.2. sub b. toegewezen, behoudens de vordering tot terugbetaling van 100% provisie ingeval van Genworth Fortfolio maandlastenbeschermingsverzekering. Deze laatste vordering heeft de rechtbank afgewezen. 4.5.1. Ook de gevorderde handelsrente heeft de rechtbank afgewezen. in principaal appel 4.6. Tegen het vonnis van de kantonrechter van 23 januari 2008 heeft [X.] geen grieven aangevoerd. [X.] is dus niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen dat vonnis. 4.7. [X.] heeft in eerste aanleg gesteld en te bewijzen aangeboden (zie cva punt 12, 13; cvd punt 25) a. dat partijen op 27 juni 2006 met elkaar hebben gesproken in aanwezigheid en ten kantore van mr. A. de Weerd over de vermeende vordering van [Y.] naar aanleiding van het royement door relatie Hegger, en over de beëindiging van de samenwerking, en b. dat partijen elkaar toen over en weer finale kwijting hebben verleend onder gelijktijdige beëindiging, voorzover nog vereist, van de franchiseovereenkomst. 4.7.1. De rechtbank heeft in het vonnis van 30 juli 2008 het bewijsaanbod gepasseerd en de stelling verworpen (rov. 3.3.). 4.8. Tegen deze beslissing is grief 1 van [X.] gericht. 4.9. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt. Terzake van de door [X.] gestelde finale kwijting heeft [Y.] een brief d.d. 28 juni 2006 van mr. De Weerd overgelegd (prod. 6, tweede stuk inl. dagv.; zie ook prod. 6 mvg) alsmede een latere brief van mr. De Weerd d.d. 7 februari 2007 (prod. 6, eerste stuk inl. dagv.) waarin De Weerd verwijst naar zijn eerdere brief d.d. 28 juni 2006. Voorts heeft [Y.] overgelegd haar brief d.d. 21 februari 2007 waarin zij reageert op de brief van 7 februari 2007 van mr. De Weerd en betwist dat er een minnelijke regeling is getroffen tegen finale kwijting. 4.9.1. In de toelichting op de grief stelt [X.] dat de inhoud van de e-mail van [Y.] van 25 januari 2006 (prod. 1 cva) een van de directe aanleidingen was voor de bijeenkomst van 27 juni 2006. Deze e-mail houdt onder meer de mededeling in: “Wel dient in de toekomst bij een royement waarbij provisie wordt teruggeboekt, dit door jou aan mij worden terugvergoed.”. [X.] stelt dat tijdens die bijeenkomst in eerste instantie is gesproken over het gegeven dat [Y.] cliënten van [X.] met rust moest laten om te voorkomen dat [Y.] daarmee provisies zou gaan opstrijken en [X.] geconfronteerd zou worden met terugbetaling van door hem ontvangen provisies. Daarom is toen door De Weerd geëist dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Partijen hebben hiermee ingestemd, aldus [X.]. 4.10. Het hof zal [X.] toelaten tot bewijslevering van de door hem gestelde finale kwijting. In het midden kan blijven of de rechtbank het bewijsaanbod van [X.] terecht heeft gepasseerd. 4.10.1. Bewezen dient te worden dat partijen tijdens de bijeenkomst van 27 juni 2006 ten kantore van mr. De Weerd finale kwijting over en weer zijn overeengekomen inhoudende dat [Y.] er mee heeft ingestemd dat zij, [Y.], – in afwijking van haar mededeling in de e-mail van 25 januari 2006 - geen vorderingen tegen [X.] zou geldend maken wegens terug te betalen provisies indien cliënten van [X.] hun overeenkomst met bank of verzekeraar binnen de looptijd van vijf jaar zouden beëindigen. 4.11. In (de toelichting
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.