GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Tweede meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 08/00539 Uitspraak op het hoger beroep van mevrouw X, wonende te Y, hierna: belanghebbende, tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 10 juli 2008, nummer AWB 07/1199, in het geding tussen belanghebbende en de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen aanslag en boetebeschikking.
(2004)is zowel de waarde van de beginvoorraad, als de waarde van de eindvoorraad op nihil gesteld. Medio juli 2005 werd, bij het opmaken van een pandakte, belanghebbendes voorraad geschat op circa 250 autowrakken met een waarde van € 15.000 à € 20.000. 2.10. Gelet op de onder 2.6 en 2.7 vermelde bevindingen, heeft de Inspecteur belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens haar verzamelinkomen, over het onderhavige jaar berekend als volgt: aangegeven -/- € 623,00 meer omzet F € 23.359,80 omzet H € 159.319,00 vastgesteld, afgerond € 182.055,00. Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur met toepassing van het bepaalde in artikel 67d, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Algemene wet) aan belanghebbende ter zake van het onjuist doen van de aan deze aanslag ten grondslag liggende aangifte een vergrijpboete opgelegd van € 42.439, zijnde 50% van het bedrag dat anders niet zou zijn geheven. Nadat de Inspecteur deze aanslag en deze boete bij uitspraak op bezwaar had gehandhaafd, heeft de Rechtbank op het beroep van belanghebbende de boete verminderd tot € 21.219, zijnde 25% van de evenbedoelde grondslag, doch het beroep voor het overige ongegrond verklaard. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de Inspecteur verklaard zich met het oordeel van de Rechtbank inzake de boete te kunnen verenigen. 2.11. Tijdens de tweede zitting is op verzoek van belanghebbende de heer A, de onder 2.3 genoemde vader van haar partner, als getuige gehoord. Deze heeft, kort en zakelijk weergegeven, onder meer het volgende verklaard: -de aan het begin van het onderhavige jaar op het tweede terrein opgeslagen autowrakken en schroot waren eigendom van zijn inmiddels overleden grootmoeder, mevrouw A-B (hierna ook wel: mevrouw A-B), geboren in 1921. Haar in 1990 overleden echtgenoot had op dat terrein een autosloopbedrijf. Na diens overlijden is zijn voorraad op dat terrein blijven liggen. -op verzoek van zijn evengenoemde grootmoeder heeft hij vorenbedoelde wrakken en schroot in dit jaar vervoerd naar en verkocht aan F resp. K. Hij heeft geen wrakken of schroot vervoerd naar en verkocht aan H. -de door hem ter zake van deze leveringen van F en K in contanten ontvangen bedragen heeft hij doorbetaald aan zijn meergenoemde grootmoeder. Voor een volledige weergave van de getuigenverklaring van de heer A verwijst het Hof naar het van die verklaring opgemaakte proces-verbaal. 2.12. De zakelijke inhoud van een brief van de gemeente Y de dato 10 april 2006 aan mevrouw A-B luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt: "Aan wijlen uw echtgenoot, de heer A, is met ingang van 1 januari 1982 een deel van het sloopterrein N bij D verhuurd. Een kopie van de indertijd bij ingang van de huur verstrekte situatietekening treft u hierbij aan. Nadat uw echtgenoot op 3 november 1990 is overleden bent u de huur voor het hiervoor bedoelde sloopterrein gaan voldoen. Bij onderzoek naar de woon- en werksituatie van de familie A aan D c.q. voormalige woonwagenlocatie N is gebleken dat het aan u verhuurde sloopterrein niet (meer) door u voor bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt. Op het terrein bevinden zich her en der slechts enkele (sloop)auto's en (sloop)materialen. Deels liggen deze auto's en materialen ook op een niet aan u verhuurd deel van het sloopterrein in kwestie. In verband hiermee willen wij de huurovereenkomst, in minnelijk overleg met u, beëindigen per 31 december 2006. Tevens verzoeken wij u het ongeoorloofde gebruik van het perceel naast het verhuurde perceel te beëindigen, eveneens per 31 december 2006. Wij verzoeken u voor 1 mei 2006 met ons in overleg te treden om afspraken te maken over de ontruiming en oplevering van de hiervoor bedoelde terreinen per 31 december 2006.". 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Heeft de Inspecteur terecht het door belanghebbende aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met de onder 2.6 en 2.7 vermelde bedragen van resp. € 23.359,80 en € 159.319? II. Heeft de Inspecteur belanghebbende met toepassing van het bepaalde in artikel 67d, eerste lid, van de Algemene wet, een vergrijpboete kunnen opleggen en, zo ja, is het bedrag van deze boete, zoals deze door de Rechtbank is verminderd, passend en geboden? Belanghebbende is van mening dat deze beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun evenvermelde standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter beide zittingen hebben toegevoegd, alsmede voor de getuigenverklaring van de heer A, wordt verwezen naar het van elk van deze beide zittingen opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de aanslag en van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4. Gronden 4.1. Gelet op de onder 2.6 en 2.7 vermelde bevindingen is de Inspecteur van oordeel dat de aldaar vermelde bedragen van € 23.359,80 en € 159.319 tot belanghebbendes omzet moeten worden gerekend. De bewijslast hiertoe rust in beginsel op de Inspecteur. 4.2. Met betrekking tot de onder 2.6 vermelde creditfacturen van F overweegt het Hof dat het hierbij gaat om in totaal 17 ten name van D (zijnde vrijwel de handelsnaam van belanghebbendes onderneming), C-straat 217, 0000 XX Y (zijnde het vestigingsadres van belanghebbendes onderneming), staande creditfacturen, welke zich onderling niet onderscheiden en waarvan er 9 in belanghebbendes administratie zijn verantwoord en 8 niet. Gelet op evenvermelde feiten en omstandigheden acht het Hof aannemelijk dat ook de laatstbedoelde 8 creditfacturen in belanghebbendes administratie hadden moeten worden opgenomen. 4.3. Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep aangevoerd dat de oude metalen waarop deze 8 creditfacturen betrekking hebben, waren opgeslagen op het tweede terrein en niet aan haar toebehoorden, doch aan mevrouw A-B, en dat de bedragen van deze creditfacturen derhalve terecht niet zijn begrepen in de door haar verantwoorde omzet. Dit standpunt heeft belanghebbende uitsluitend onderbouwd met de onder 2.11 kort en zakelijk weergegeven getuigenverklaring van de heer A en met de door haar tijdens de tweede zitting overgelegde, onder 2.12 ten dele weergegeven brief van de gemeente Y aan mevrouw A-B van 10 april 2006. 4.4. Gelet op het geboortejaar van mevrouw A-B, 1921, het feit dat op haar naam geen onderneming was ingeschreven in het register bij de Kamer van Koophandel, dat ook anderszins niet aannemelijk is geworden dat mevrouw A-B de onderneming van haar in 1990 overleden echtgenoot heeft voortgezet, acht het Hof het onwaarschijnlijk dat mevrouw A-B eigenaar was van de onderhavige oude metalen en dat deze voor haar rekening en risico in 2004 zijn geleverd aan F. De onderhavige 8 creditfacturen wijzen evenmin in die richting. Aldus is het Hof van oordeel dat aan de verklaring van de heer A niet het gewicht kan worden toegekend dat belanghebbende daaraan gehecht wil zien. Daarbij komt dat geen administratieve bescheiden, inkoopbonnen of andere schriftelijke bewijsstukken in het geding zijn gebracht die erop zouden wijzen dat de eigendom van de onderhavige oude metalen bij mevrouw A-B, althans niet bij belanghebbende, zou berusten. Bovendien acht het Hof het hoogst onwaarschijnlijk dat de handelsvoorraad van de echtgenoot van mevrouw A-B ten tijde van diens overlijden in 1990 een waarde had van, naar het prijspeil van 2004, maar liefst (€ 23.359,80 plus € 183.809,90
- is)€ 207.169,70. 4.5. Met betrekking tot de brief van de gemeente Y van 10 april 2006 is het Hof van oordeel dat de inhoud van deze brief niets aannemelijk maakt met betrekking tot de vraag of en, zo ja, tot welke waarde in het jaar 2004 goederen waren opgeslagen op het tweede bedrijfsterrein en of die goederen in dat jaar van dat terrein zijn afgevoerd. 4.6. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het totaalbedrag van de onderhavige 8 creditfacturen ad € 23.359,80 tot belanghebbendes omzet behoort. De Inspecteur heeft derhalve het door belanghebbende aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning ad -/- € 623 terecht met dit bedrag verhoogd. 4.7. Hetgeen onder 4.6 is overwogen, brengt met zich dat belanghebbende noch heeft voldaan aan de ingevolge artikel 52 van de Algemene wet op haar rustende administratieplicht, noch de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdeel a, van die wet. Gelet op het bepaalde in artikel 27j, tweede lid, jo. artikel 27e van die wet moet belanghebbendes hoger beroep, voor zover gericht tegen de aanslag, derhalve ook voor het overige ongegrond worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur met betrekking tot de aanslag onjuist is. 4.8. Gelet op hetgeen onder 4.7 is overwogen, rust op belanghebbende de last overtuigend aan te tonen dat de Inspecteur ter zake van de onder 2.7 vermelde afrekeningen van H ten onrechte het aldaar vermelde bedrag van in totaal € 159.319 tot haar omzet heeft gerekend. 4.9. Belanghebbende heeft gesteld dat de autowrakken en het schroot waarop deze afrekeningen betrekking hebben, niet aan haar toebehoorden, doch aan mevrouw A-B en dat dienovereenkomstig het vorengenoemde bedrag van in totaal € 159.319 niet aan haar ten goede is gekomen, doch aan mevrouw A-B. Ook deze stelling heeft belanghebbende uitsluitend onderbouwd met de getuigenverklaring van de heer A en de brief van de gemeente Y van 10 april 2006, doch op de onder 4.4 en 4.5 vermelde gronden is het Hof van oordeel dat deze bewijsmiddelen niet het overtuigende bewijs opleveren van de juistheid van belanghebbendes evenvermelde stelling. Voorts kan niet worden gezegd dat de Inspecteur niet in redelijkheid het vorengenoemde bedrag tot de omzet van belanghebbende heeft kunnen rekenen, nu niet in geschil is dat genoemd bedrag van € 159.319 in ieder geval is uitbetaald aan een lid van de familie A en dat belanghebbende in het onderhavige jaar, voor zover in deze procedure is komen vast te staan, het enige lid (via haar partnerschap met de heer A) van die familie was dat in autowrakken en schroot handelde. 4.10. Gelet op hetgeen onder 4.7, 4.8 en 4.9 is overwogen, dient belanghebbendes hoger beroep, voor zover gericht tegen de aanslag, ook met betrekking tot de afrekeningen van H ongegrond te worden verklaard. 4.11. Voor het geval dat belanghebbende ook in hoger beroep heeft willen stellen dat tegenover de hogere omzet ook een hogere inkoop staat, is het Hof van oordeel dat belanghebbende deze stelling op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. 4.12. Gelet op het vorenstaande is met betrekking tot de in de omschrijving van het geschil onder I vermelde vraag het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. 4.13. Met betrekking tot de aldaar onder II vermelde vraag - met betrekking tot welke belanghebbende in hoger beroep geen zelfstandige grieven heeft aangevoerd - is het Hof van oordeel dat het, tot bedragen als te dezen aan de orde, niet boeken van omzet, in de regel aan opzet is te wijten. Feiten en/of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat deze regel in casu uitzondering lijdt, zijn gesteld noch gebleken. De Inspecteur kon belanghebbende derhalve met toepassing van het bepaalde in artikel 67d, eerste en tweede lid, van de Algemene wet een boete opleggen tot maximaal 100% van de aldaar omschreven grondslag. Op de gronden als vermeld onder 2.10 van de uitspraak van de Rechtbank is het Hof van oordeel dat een boete van € 21.219, zijnde 25% van evenbedoelde grondslag, in casu een passende en ook geboden sanctie is. Voor een verdere vermindering van de boete dan de Rechtbank heeft gedaan, ziet het Hof geen aanleiding. Belanghebbende heeft in hoger beroep ook geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd, welke een verdere vermindering zouden kunnen rechtvaardigen. Ook met betrekking tot de onderhavige vraag is het gelijk derhalve aan de zijde van de Inspecteur. 4.14. Gelet op al het vorenstaande is belanghebbendes hoger beroep ongegrond, zodat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. 4.15. Het Hof acht geen termen aanwezig om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. 4.16. Het Hof acht eveneens geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 5. Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Aldus gedaan op 18 december 2009 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en J.A. Meijer, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen. 1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
- a)de naam en het adres van de indiener;
- b)een dagtekening;
- c)een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- d)de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.