GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht Uitspraak: 1 september 2010 Zaaknummer: HV 200.050.582/01 Zaaknummer eerste aanleg: 188018 FA RK 09-653 in de zaak in hoger beroep van: [de man] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. Y.J.H.B. Bisschops, tegen [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. H.S.M. Vogelaar. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 8 september
- 2Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 december 2009, zoals het is toegelicht bij akte, ingekomen op 16 juli 2010, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de door partijen op 17 oktober 2007 ter zitting van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gesloten alimentatieovereenkomst te wijzigen aldus dat de door de man verschuldigde onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen op nihil wordt gesteld, althans naar redelijkheid wordt verminderd, met kwijtschelding van de sinds 6 februari 2009 verschuldigd geworden bedragen. 2.
- Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 17 februari 2010, heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 juli
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: de man, bijgestaan door mr. Bisschops; de vrouw, bijgestaan door mr. Vogelaar. 3De beoordeling 3.
- Partijen zijn op 11 november 1993 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren: - [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] . De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 3.
- Bij beschikking van 22 februari 2002 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op14 maart 2002 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.
- Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, de man veroordeeld om vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen € 1.038,-- per maand en voorts bepaald dat de man vanaf dezelfde datum als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde kinderen aan de vrouw zal betalen € 162,-- per kind per maand. 3.
- Bij gelegenheid van een comparitie van partijen d.d. 17 september 2007 in een procedure over afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is tussen partijen ondermeer overeengekomen dat de vrouw vanaf 1 oktober 2007 afziet van een bijdrage in haar levensonderhoud en dat de man vanaf genoemde datum ten behoeve van de kinderen aan de vrouw zal betalen € 450,-- per kind per maand. De door partijen ondertekende overeenkomst is in het proces verbaal van comparitie opgenomen. 3.
- Bij verzoekschrift van 6 februari 2009 heeft de man de rechtbank ’s-Hertogenbosch verzocht de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie met ingang van 6 februari 2009 op nihil te stellen, met kwijtschelding van de in 2009 verschuldigd geworden termijnen, wegens een sedert de overeenkomst van 17 oktober 2007 opgetreden wijziging van omstandigheden, gelegen in drastische vermindering van zijn draagkracht en tevens het feit dat de gemeente [gemeente] met ingang van 7 januari 2009 bijstandsverhaal op de man zoekt ten behoeve van een derde kind van de man, de minderjarige [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2003 uit de relatie tussen de man en mevrouw [betrokkene] . 3.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard na te hebben overwogen, kort gezegd: dat niet gebleken is dat de man ten tijde van de overeenkomst van 17 oktober 2009 al rekening heeft gehouden met mogelijke (al dan niet gedwongen) overdracht van aandelen; dat deze overdracht derhalve een wijziging van omstandigheden is; dat echter de man onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn inkomen na het sluiten van de alimentatieovereenkomst is gewijzigd; dat het feit dat de man tot de overdracht eind 2007 maandelijks € 6.000,-- aan de BV onttrok, los staat van zijn feitelijke draagkracht; dat de vrouw heeft gesteld dat de man in 2007 op te grote voet leefde en de financiële omstandigheden toen reeds slecht waren; dat de man het tegendeel niet heeft aangetoond; dat er derhalve geen relevante wijziging van omstandigheden is gebleken, zodat de man in zijn verzoek niet ontvankelijk is. 3.
- De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.
- De grieven van de man zoals het hof deze verstaat komen - zakelijk weergegeven - op het volgende neer. Grief
- De rechtbank heeft miskend: . dat de afspraak van 17 oktober 2007 inzake verhoging van kinderalimentatie en stopzetting van partneralimentatie is gemaakt op louter praktische gronden, geheel in de marge van een uitgebreid geschil over afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden; . dat bedoelde afspraak per saldo geen vermindering van de netto alimentatielast voor de man betekende, maar zelfs een lichte stijging; . dat de draagkracht van de man bij dit alles geen moment ter sprake is geweest; zodat de rechtbank voor haar beslissing ten onrechte gewicht heeft toegekend aan de financiële omstandigheden van de man in 2007 en de man ten onrechte in zijn verzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard; Grief
- Voor zoveel nodig dient in beroep alsnog acht te worden geslagen op de door de man in appel overgelegde financiële stukken, waaronder zijn aangifte inkomstenbelasting 2007; Grief
- Ten onrechte heeft de rechtbank niet aangenomen dat [naam] in zijn e-mail van 5 juni 2009 een schrijffout heeft gemaakt en niet heeft gedoeld op een verlies van [bedrijf] in 2007 maar op een verlies in
- Ontvankelijkheid 3.
- Het hof is van oordeel dat de man er terecht over klaagt dat hij in zijn wijzigingsverzoek door de rechtbank niet is ontvangen. De - al dan niet gedwongen - overdracht door de man van aandelen in zijn vennootschappen en de onderhoudsaanspraak van de gemeente [gemeente] ten behoeve van een derde kind van de man zijn omstandigheden die ten tijde van de alimentatieovereenkomst weliswaar wellicht voorzienbaar waren, maar waarvan niet is gebleken dat partijen daarmee rekening hebben gehouden bij het aangaan van de overeenkomst. Dientengevolge was er sprake van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht van de man rechtvaardigde. De eerste grief van de man slaagt in zoverre. Nu de man in zijn inleidend verzoek ontvankelijk is te achten dient het hof in beroep alsnog aan de hand van alle thans bekende gegevens de vraag te beantwoorden of de door partijen overeengekomen kinderalimentatie door de wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Behoefte kinderen 3.
- De behoefte van de kinderen aan de overeengekomen onderhoudsbijdrage ad € 450,-- per kind per maand is in hoger beroep niet in geschil. Draagkracht 3.
- De stellingen en het verzoek van de man komen er op neer dat de draagkracht van de man betaling van de overeengekomen bijdrage van tweemaal € 450,-- per maand niet meer toelaat en dat de bijdrage op nihil dient te worden gesteld met kwijtschelding van de verschuldigd geworden termijnen vanaf 6 februari 2009 tot op de dag van de uitspraak. Dit komt in feite neer op een verzoek van de man tot nihilstelling van de bijdrage vanaf de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. 3.
- De man heeft de verschuldigde kinderalimentatie tot en met januari 2009 aan de vrouw voldaan. Uit de overgelegde stukken - met name de jaarrekening van [BV 1] BV - en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende aannemelijk geworden - en de vrouw heeft dit ter zitting ook erkend - dat de man in ieder geval sinds februari 2009 geen draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage voor de kinderen te betalen en dat in de draagkracht van de man eerst wijziging te verwachten is vanaf 1 oktober 2010, wanneer de man arbeid in loondienst gaat verrichten als vertegenwoordiger in dienst van [BV 2] BV te [plaats] . Het hof kan de vrouw niet volgen in haar stelling dat de man eerder dan hij thans heeft gedaan had dienen om te zien naar ander werk en zo zijn verdiencapaciteit volledig had dienen te benutten, waardoor hij, anders dan thans het geval is, wel draagkracht tot het betalen van een bijdrage zou hebben gehad. Onweersproken is door de man gesteld dat hij in 2009 met inzet van veel energie en tijd nog heeft getracht zijn in 2008 opgezette onderneming tot groei te brengen, ondanks de in september 2008 ingezette economische recessie en dat hij, toen bleek dat zulks onvoldoende lukte, begin 2010 is gaan solliciteren. Het hof acht deze handelwijze begrijpelijk en verdedigbaar, gelet ook op het verleden van de man als zelfstandig ondernemer. Op grond van het voorgaande zal het hof zal de kinderbijdrage met ingang van 6 februari 2009 tot 1 oktober 2010 op nihil stellen. 3.
- Met betrekking tot de financiële situatie van de man met ingang van 1 oktober 2010 gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel. A Inkomen van de man vanaf 1 oktober 2010 Het bruto loon van de man bedraagt € 2.300,-- per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en de verplichte werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW). De man heeft recht op de volgende heffingskortingen: de algemene heffingskorting; de arbeidskorting. B. Lasten van de man Wwb-normbedrag Het hof houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud voor een zelfstandig wonende alleenstaande exclusief de woonkostencomponent, inclusief de maximale toeslag. Woonlasten De man woont samen met een partner die in eigen levensonderhoud voorziet. Het hof houdt rekening met de helft van de woonlasten als volgt: € 853,-- aan hypotheekrente; € 157,-- aan premie levensverzekering; € 48,-- aan forfaitaire overige eigenaarslasten. Van een onredelijk hoge woonlast in verhouding tot het inkomen van de man is naar het oordeel van het hof geen sprake. Ziektekosten Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten: € 132,-- aan basispremie en aanvullende premie ZVW; € 175,-- aan inkomensafhankelijke premie ZVW; € 14,-- aan verplicht eigen risico; minus € 44,--, zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW. Kosten zorgregeling Het hof houdt rekening met de verblijfkosten verbonden aan de omgangsregeling tussen de man en de twee minderjarige kinderen van partijen ten bedrage van € 42,50 per kind per maand. Met omgangskosten voor [minderjarige 3] houdt het hof geen rekening nu ter zitting gebleken is dat er momenteel met [minderjarige 3] geen omgang is. Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering De man heeft ermee ingestemd dat het hof geen rekening houdt met de door hem opgevoerde premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering nu een dergelijke verzekering bij een loondienstverband vanaf 1 oktober 2010 niet meer noodzakelijk is. Rente en aflossing schulden Het hof houdt geen rekening met aflossing van schulden, reeds omdat de man in de laatste door hem overgelegde draagkrachtberekening geen aflossing van schulden heeft opgevoerd. Bovendien zijn de in de stukken door de man gemelde schulden gesteld op naam van BV’s, uitgezonderd een bedrag dat de man privé aan zijn partner verschuldigd zegt te zijn in verband met aanzuivering van het tekort na verkoop van de voormalige echtelijke woning, waarbij de man echter geen bewijzen van afbetaling heeft overgelegd. Vaststelling van de alimentatie 3.
- Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 2.280,-- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten: de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen; de helft van aftrekbare hypotheekrente; de helft van het eigenwoningforfait, ofwel € 1.083,--. 3.
- Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 156,-- per maand. Gelet op het feit dat de gebruikelijke wijze van berekening van de draagkracht van de man zou resulteren in een, in verhouding tot de behoefte van de kinderen, al te bescheiden bijdrage van de man, ziet het hof aanleiding om af te wijken van de 70% norm volgens het Tremarapport en de volledige draagkrachtruimte van de man aan te spreken. 3.
- Het hof houdt rekening met het feit dat de man niet alleen onderhoudsplichtig is jegens [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar ook jegens de minderjarige [minderjarige 3] voornoemd. Met betrekking tot de voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te betalen onderhoudsbijdragen heeft de man, mede in aanmerking nemende dat hij de hiervoor vermelde kosten zorgregeling maakt, recht op persoonsgebonden fiscale aftrek. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, becijfert het hof op € 116,-- per maand totaal en komt geheel ten goede aan de minderjarigen. Rekening houdend met dit (forfaitaire) fiscale voordeel zal het hof de door de man met ingang van 1 oktober 2010 ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verschuldigde bijdrage op € 95,- per kind per maand stellen. 3.
- De beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd. 4De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 8 september 2009; en opnieuw rechtdoende: wijzigt de door partijen gesloten, in het proces-verbaal van comparitie d.d. 17 september 2007 vastgelegde, overeenkomst in zoverre dat de door de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] voor de periode van 6 februari 2009 tot 1 oktober 2010 wordt gesteld op nihil en met ingang van 1 oktober 2010 wordt gesteld op € 95,-- per kind per maand; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. Koens, Lamers en Philips en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2010.