GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht Uitspraak: 28 april 2010 Zaaknummer: HV 200.037.624/01 Zaaknummer eerste aanleg: 189838 FA RK 08-2405 in de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. P.A. Schippers, tegen [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. R. Lessy.
- Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 14 april
- Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 juli 2009, (en zoals ter zitting door de man nader gespecificeerd) heeft de man verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de kinderalimentatie aan de zijde van de man opnieuw zal worden vastgesteld danwel dat een ander bedrag per kind per maand wordt vastgesteld zoals het hof juist acht. 2.
- Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2009, heeft de vrouw verzocht de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren danwel het verzoek van de man af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari
- Bij die gelegenheid zijn partijen – bijgestaan door hun advocaten – gehoord. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 oktober 2008; - het procesdossier eerste aanleg, overgelegd door de advocaat van de man op 22 juli 2009; - productie 3, behorende bij het beroepschrift, overgelegd door de advocaat van de man op 8 februari 2010; - de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 18 februari 2010 met de volgende bijlagen (hetgeen op verzoek van het hof alsnog in het geding is gebracht): o de jaaropgaaf over het jaar 2009 van de hierna te noemen stiefvader; o de toekenningsbeslissing WW-uitkering d.d. 21 januari 2010 van de hierna te noemen stiefvader.
- De beoordeling 3.
- Partijen zijn op 9 september 1999 met elkaar gehuwd. Uit hun voorhuwelijkse relatie en hun huwelijk zijn geboren: - [dochter] (hierna: [dochter]), op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats]; - [zoon] (hierna: [zoon]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats]. De man heeft [dochter] erkend. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw. 3.
- Bij beschikking van 8 november 2004 heeft de rechtbank Breda tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 12 november 2004 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 217,-- per kind per maand met ingang van 1 juni
- 3.
- De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van de vrouw en haar huidige echtgenoot de heer [Z.] (hierna: de stiefvader) en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Ingangsdatum wijziging 3.
- De ingangsdatum van de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 1 juni 2008, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen. Behoefte kinderen en draagkracht man 3.
- De behoefte van de kinderen aan de vastgestelde onderhoudsbijdrage ad € 217,-- per kind per maand en de draagkracht van de man om deze bijdrage te betalen zijn in hoger beroep evenmin in geschil. Draagkracht vrouw en stiefvader 3.7.
- De vrouw en de stiefvader zijn medio 2006 gehuwd. Op 15 mei 2008 zijn zij ieder toegelaten tot de wettelijke schuldsanering voor de duur van drie jaar. 3.7.
- De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de draagkracht van met name de stiefvader ontoereikend is om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. 3.7.3.De vrouw verweert zich en stelt dat in zijn algemeenheid als uitgangspunt kan worden genomen dat de financiële omstandigheden van iemand die is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling impliceren dat die persoon geen draagkracht heeft. 3.7.
- De vrouw is voor de helft arbeidsongeschikt verklaard en partijen zijn het erover eens dat zij over onvoldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] en [zoon]. De grief van de man is dan ook met name gericht op de draagkracht van de stiefvader. Naar de mening van de man dient zoals te doen gebruikelijk te worden getoetst of de opgevoerde schulden noodzakelijk zijn en of deze om die reden in mindering op de draagkracht kunnen strekken. De man acht het niet relevant dat deze schulden in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling als te goeder trouw zijn beoordeeld en dat rekening wordt gehouden met de situatie van de wettelijke schuldsaneringsregeling. 3.7.
- Dienaangaande overweegt het hof als volgt. Het hoger beroep van de man strekt ertoe dat aan de zijde van de vrouw en de stiefvader een aandeel in de kosten van verzorging van de kinderen van partijen wordt vastgesteld, ondanks het feit dat zij tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn toegelaten. Het hof zal - anders dan de man wenst - wel met deze omstandigheid rekening houden, zij het op andere gronden dan de rechtbank heeft gedaan. 3.7.
- De stelling van de man dat ook de stiefvader draagkracht heeft om een deel van de kosten van verzorging en opvoeding voor zijn rekening te nemen omdat met de schulden van de moeder en de stiefvader geen rekening moet worden gehouden, treft geen doel. Immers, de moeder en de stiefvader mogen in het kader van de schuldsaneringsregeling voor hun kosten van levensonder- houd slechts een bedrag tot 90% van de bijstandsnorm behouden. Indien de stiefvader daarvan nog een deel zou moeten besteden om mede te voorzien in de behoefte van de kinderen zou het gezin onder de 90% van de bijstandsnorm geraken. Evenals dit niet gevergd kan worden van de alimentatieplichtige kan dit ook niet gevergd worden van de verzorgende (stief)ouder. Dit betekent dat de vader - in ieder geval voor de duur van de schuldsaneringsregeling van de stiefvader - geheel dient te voorzien in de kosten van de kinderen. 3.7.
- Op grond van het vorenstaande kan dus in het midden blijven of bij de bepaling van de draagkracht van de stiefvader aan de hand van zijn inkomen alle door hem opgevoerde schulden kunnen worden meegenomen. 3.7.
- Ingevolge artikel 295 lid 4 sub c juncto artikel 21 aanhef en sub 3 Faillissementswet vallen gelden die aan de vrouw worden verstrekt ter voldoening aan een wettelijke onderhoudsplicht buiten de boedel. Dit betekent dat de door de man verschuldigde kinderbijdragen niet door de vrouw hoeven te worden afgedragen aan de bewindvoerder. Die onderhoudsbijdragen kunnen derhalve ook in het kader van de schuldsaneringsregeling door de vrouw geheel worden besteed aan de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. 3.7.
- Het hof gaat er vanuit dat partijen na beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de vrouw en de stiefvader (zijnde vermoedelijk 15 mei 2011) in onderling overleg afspraken maken over een eventuele aanpassing van de hoogte van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [dochter] en [zoon] aan de hand van de dan toepasselijke gegevens betreffende hun draagkracht. 3.7.
- De beschikking waarvan beroep dient dus - met verbetering van gronden - te worden bekrachtigd.
- De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 14 april 2009 met verbetering van gronden; compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Koens en Draijer-Udo en in het openbaar uitgesproken op 28 april
- Conc. DvdH