GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht Uitspraak: 29 april 2010 Zaaknummer: HV 200.021.872/01 Zaaknummers eerste aanleg: 267913 VG 06-69 en 271641 VG 06-122 Zaaknummer gerechtshof Arnhem: 664/2007 in de zaak in hoger beroep na verwijzing van: [X.] genaamd [Y.], wonende te [woonplaats], appellant, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. S.W.F. Rouwette, tegen [Z.], wonende te [woonplaats]; geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. B. Bentem. 5. De beschikking d.d. 30 juni 2009 Bij die beschikking heeft het hof: bepaald dat een nieuwe mondelinge behandeling zal plaatsvinden op een nader door het hof te bepalen dag en tijdstip, waarop de raad alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op basis van de in de beschikking van 30 juni 2009 genoemde stukken te adviseren en dat partijen in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren; bepaald dat binnen twee weken na 30 juni 2009 de advocaat van de vrouw een afschrift van de brief van 28 april 2009 met bijlagen doet toekomen aan de raad; bepaald dat binnen twee weken na 30 juni 2009 de advocaat van de man een afschrift van de brief van 9 maart 2009 met bijlagen doet toekomen aan de raad; bepaald dat de advocaten van partijen binnen twee weken na 30 juni 2009 hun verhinderdata doorgeven aan de griffie van het hof voor de maanden juli (vanaf 15 juli), augustus en september 2009; bepaald dat het hof binnen twee weken na opgave van deze verhinderdata dag en uur van de voortgezette mondelinge behandeling zal bepalen; iedere verdere beslissing aangehouden. 6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 6.1. De tweede mondelinge behandeling in hoger beroep na verwijzing heeft plaatsgevonden op 2 november 2009 in aanwezigheid van mr. Milar, raadsheer, tevens voorzitter, mr. Koens, raadsheer, mr. Van Laarhoven, raadsheer, en mr. Stevens, griffier. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de man, bijgestaan door mr. M.H. van der Lecq; - de vrouw, bijgestaan door mr. B. Bentem; - de heer E.R. Aukema en mevrouw Mulder namens Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland (hierna te noemen: de stichting). 6.1.1. De Raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. 6.2. De derde mondelinge behandeling in hoger beroep na verwijzing heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010 in aanwezigheid van mr. Milar, raadsheer, tevens voorzitter, mr. Koens, raadsheer, mr. Schaafsma-Beversluis, raadsheer, en mr. Stevens, griffier. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de man, bijgestaan door mr. S.W.F. Rouwette; - de vrouw, bijgestaan door mr. B. Bentem; - de heer E.R. Aukema namens de stichting; - de heer H. Werger namens de raad. 6.3. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van: - het faxbericht met bijlage d.d. 13 november 2009 van de advocaat van de man; - de brief met bijlage d.d. 19 november 2009 van de advocaat van de vrouw; - het faxbericht d.d. 2 november 2009 en de brief d.d. 18 december 2009 van de raad; - de ter zitting door de advocaat van de man overgelegde pleitaantekeningen. 6.3.1. Tijdens de mondelinge behandeling op 2 november 2009 heeft de voorzitter partijen medegedeeld dat de brieven met bijlagen d.dis 20 en 27 oktober 2009 van de advocaat van de man niet worden toegelaten, nu de tussenbeschikking daarvoor geen ruimte laat. 6.3.2. Tijdens de mondelinge behandeling op 25 maart 2010 heeft de voorzitter partijen medegedeeld dat de brief met bijlagen d.d. 6 oktober 2009 van de advocaat van de vrouw en de brief met bijlagen d.d. 3 februari 2010 van de stichting niet worden toegelaten, nu de tussenbeschikking daarvoor geen ruimte laat. De brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 19 maart 2010 en het faxbericht met bijlage van de advocaat van de vrouw d.d. 24 maart 2010 zijn ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. Nu zijdens de vrouw respectievelijk de man hiertegen geen bezwaar is gemaakt, heeft het hof geoordeeld dat deze stukken worden toegelaten. Tevens heeft de vrouw verzocht om foto’s ter zitting te mogen tonen. Zijdens de man is hiertegen bezwaar gemaakt. Het hof heeft bij monde van zijn voorzitter aan partijen medegedeeld dat dit verzoek van de vrouw wordt afgewezen, nu het tonen van foto’s ter zitting zonder dat de man hiervan op voorhand kennis heeft kunnen nemen het verweer bemoeilijkt. Dit is in strijd met de goede procesorde. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de mogelijkheid gehad om deze foto’s op een eerder moment in de procedure in te brengen, bijvoorbeeld door ze bij de griffie van het hof te deponeren. Na de mondelinge behandeling is er op 8 april 2010 een brief met bijlagen van de advocaat van de man ingekomen ter griffie van het hof. Het hof heeft van deze stukken gezien het bepaalde in artikel 1.4.6. van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven geen kennis genomen. Immers, de man is door het hof ter zitting niet in de gelegenheid gesteld nog nadere stukken na de mondelinge behandeling te overleggen. 7. De verdere beoordeling 7.1. Bij de mondelinge behandeling op 2 november 2009 heeft door een treinstoring geen vertegenwoordiger van de raad ter zitting aanwezig kunnen zijn. De raad heeft voorafgaand aan deze mondelinge behandeling de griffier van het hof telefonisch bericht dat door een interne fout bij de raad de raad haar advies aan het hof omtrent de gezagskwestie nog niet gereed heeft. De voorzitter heeft ter zitting alle aanwezigen in de gelegenheid gesteld om hun standpunt omtrent het ontbreken van het advies van de raad weer te geven. Nadat de aanwezigen zich hierover hadden uitgelaten, heeft de voorzitter namens het hof medegedeeld dat de zaak in verband met bedoeld advies van de raad zal worden aangehouden tot een nog nader te bepalen tijdstip. 7.2. De raad heeft - na alsnog kennis te hebben genomen van de rapportage van Instituut [A.] en de verklaring van [B.] d.d. 26 januari 2008 - het hof bij brief d.d. 18 december 2009 alsnog geadviseerd omtrent de gezagskwestie. De raad heeft het hof op basis van deze stukken onder meer bericht dat op de keper beschouwd het onduidelijk blijft of er bij de signalen die binnen het onderzoek van het Instituut [A.] bij [dochter] naar voren zijn gekomen - inhoudende signalen die wijzen op een trauma door seksueel misbruik - er een causaal verband is met de man en, indien er al verband zou zijn, in welke mate en tot hoever. De raad acht het wel duidelijk dat [dochter] klem zit en last heeft van de al lang lopende conflicten die er tussen haar ouders zijn. De brief van mevrouw [B.] heeft de raad buiten beschouwing gelaten nu de raad slechts informatie opvraagt of bij haar overwegingen betrekt van “neutrale derden”. De raad heeft het hof geadviseerd om het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af te wijzen. Immers, volgens de raad ligt de sleutel om [dochter] uit die klempositie te halen bij de ouders en die sleutel hebben de ouders tot op heden niet gevonden/kunnen vinden. Naar verwachting zal een uitspraak tot het uitoefenen van gezamenlijk gezag daar geen bijdrage aan kunnen leveren, nu de noodzaak voor gezamenlijk overleg er dan nog meer zal zijn. 7.3. Bij faxbericht met bijlage d.d. 24 maart 2010 heeft de advocaat van de vrouw een schriftelijke reactie op voornoemd advies van de raad aan het hof gestuurd. Kort samengevat komt deze reactie erop neer dat de vrouw van mening is dat de raad zich met zijn advies te veel aan de oppervlakte heeft gehouden daar waar het gaat om het seksueel grensoverschrijdende gedrag van de man. Volgens de vrouw heeft de raad zich in zijn advies enkel beperkt tot het vraagstuk over het al dan niet hebben plaatsgevonden van direct seksueel misbruik, maar is voorbijgegaan aan andersoortig seksueel overschrijdend gedrag. De vrouw verzoekt het hof het verzoek van de man tot ouderlijk gezag af te wijzen op grond van het klemcriterium en op grond van het noodzakelijkheidscriterium (welk criterium de zorgen die er zijn rondom de seksuele ontwikkeling van [dochter] behelst). 7.4. Tijdens de mondelinge behandeling op 25 maart 2010 heeft de advocaat van de man pleitaantekeningen overgelegd en een mondelinge toelichting gegeven op voornoemd advies van de raad. Zijdens de man is - kort samengevat - verklaard dat de raad thans uitsluitend op basis van het klemcriterium adviseert het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af te wijzen. Door de raad wordt niet onderbouwd in hoeverre in deze sprake is van een wijziging van omstandigheden sedert het eerdere advies van de raad dat inhield dat gezamenlijk gezag in het belang van [dochter] is. Het uitblijven van constructief overleg tussen de ouders is immers steeds een gegeven geweest. De man heeft overigens nooit gezorgd voor ruzies of spanningen, ook niet in de tijd dat hij wel het gezamenlijk gezag had. De man heeft zich altijd afwachtend opgesteld. Door het verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen zal de man buiten spel worden gezet, terwijl uit recente rapportage reeds blijkt dat een duidelijke en stevige positie van de man essentieel is voor de ontwikkeling van [dochter]. De man heeft gepersisteerd bij zijn verzoek tot gezamenlijk gezag. 7.5. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting onder meer nog verklaard dat de raad zich niet heeft uitgesproken over het noodzakelijkheidscriterium, terwijl de raad dit wel had behoren te doen. Het gaat er niet om of het onderzoek van Instituut [A.] hierbij doorslaggevend is. Er is veel ander (bewijs)materiaal voorhanden. Er is pornografisch materiaal bij de man aangetroffen. Ook zijn hiertussen (naakt)foto’s van [dochter] gevonden. Dit zijn volgens de vrouw geënsceneerde foto’s. Volgens de vrouw kwalificeert de Hoge Raad dergelijke foto’s als kinderpornografisch materiaal. 7.6. De stichting heeft ter zitting onder meer verklaard dat zij geen aanvullend advies heeft naar aanleiding van het advies van de raad. Verder heeft de stichting opgemerkt dat zij door het thans ontbreken van gezamenlijk gezag bij partijen in het kader van de ondertoezichtstelling van [dochter] enkel aan de vrouw (schriftelijke) aanwijzingen kan geven. De ondertoezichtstelling van [dochter] is bovendien eindig. 7.7. De raad heeft ter zitting verklaard dat de raad bij het standpunt blijft zoals de raad verwoord heeft in zijn advies aan het hof van 18 december 2009. 7.8. Het hof overweegt als volgt. 7.8.1. Ingevolge het met ingang van 28 februari 2009 gewijzigde artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 7.8.2. De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af te wijzen nu voldaan is aan het klemcriterium (artikel 1:253c lid 2 sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.