GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Eerste meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 08/00658 Uitspraak op het hoger beroep van Mevrouw X, wonende te Y, hierna: belanghebbende, tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 18 september 2008, nummer AWB 07/29, in het geding tussen belanghebbende en de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen aanslag en beschikking heffingrente. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.H36 voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een te betalen bedrag van € 1.766. Gelijktijdig met deze aanslag heeft de Inspecteur ter zake van deze aanslag bij beschikking € 196 heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken van 7 december 2006 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 januari 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.5. De Inspecteur heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een blanco aanslagbiljet "Voorlopige teruggaaf 2003" overgelegd. Het Hof rekent dit aanslagbiljet tot de stukken van het geding. 1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende heeft op 17 oktober 2002 voor het jaar 2003 verzocht om uitbetaling van de algemene heffingskorting. De Inspecteur heeft naar aanleiding van dit verzoek op 15 januari 2003 aan belanghebbende een voorlopige teruggaaf van € 1.766 verleend. 2.2. Belanghebbende genoot in het jaar 2003 geen inkomsten uit werk en woning. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van de echtgenoot is voor dat jaar - na ambtshalve vermindering - vastgesteld op € 140.948. In dit belastbaar inkomen zijn onder andere begrepen: loon uit Duitse dienstbetrekking van € 120.160, voordeel uit het privé-gebruik van een door de Duitse werkgever ter beschikking gestelde personenauto van € 2.937 en Nederlands pensioen van € 32.958. Op het pensioen is € 14.316 loonheffing ingehouden. Op grond van artikel 10, lid 1, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied (hierna: het belastingverdrag) zijn het loon en het voordeel uit privé-gebruik auto ter belastingheffing aan Duitsland toegewezen. Belanghebbende en haar echtgenoot genoten in het jaar 2003 belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang noch belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. 2.3. Ten name van de echtgenoot heeft de Inspecteur bij beschikking van 7 november 2004 het volgens artikel 11, lid 1, van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: het Besluit) voor het jaar 2002 naar het jaar 2003 over te brengen buitenlands inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 75.442. De Inspecteur heeft dit bedrag bij beschikking van 27 april 2006 ambtshalve gewijzigd in € 85.253. 2.4. Op grond van artikel 13, lid 2, letter a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, van de Raad van 14 juni 1971, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de gemeenschap verplaatsen, is op de echtgenoot tot 1 september 2003 de socialezekerheidswetgeving van Duitsland van toepassing. Vanaf 1 september is op hem de socialezekerheidswetgeving van Nederland van toepassing. Niet in geschil is dat op belanghebbende gedurende het gehele jaar 2003 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. 2.5. Na ambtshalve vermindering heeft de Inspecteur met dagtekening 12 mei 2006 aan de echtgenoot voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 140.948. De daarover verschuldigde inkomstenbelasting van € 57.431 heeft de Inspecteur tot nihil verminderd door tot een bedrag van € 140.948 voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor buitenlands inkomen uit werk en woning. In laatstgenoemd bedrag is € 17.851 begrepen van het in 2.3. genoemde bedrag van € 75.442 (nadien gewijzigd in € 85.253). Op de over het herleide premie-inkomen van € 9.616 verschuldigde premie volksverzekeringen van € 3.024 heeft de Inspecteur een gecombineerde heffingskorting van € 3.024 in mindering gebracht. De op het Nederlandse pensioen ingehouden loonheffing van € 14.316 is aan de echtgenoot op aanslag terugbetaald (€ 14.239 op de aanslag die met dagtekening 16 maart 2005 aan de echtgenoot is opgelegd en € 77 op de onderhavige aanslag). 2.6. Met dagtekening 15 september 2006 heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een te betalen bedrag van € 1.766. In het aanslagbiljet is tevens een beschikking heffingsrente opgenomen van € 196. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: a. Heeft de Inspecteur bij de aanslag ten onrechte de bij voorlopige teruggaaf ontvangen algemene heffingskorting teruggenomen? b. Verzet het vertrouwensbeginsel zich ertegen dat de bij voorlopige teruggaaf ontvangen algemene heffingskorting door middel van de aanslag wordt teruggenomen? Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd. Belanghebbende - Mijn algemene heffingskorting is uiteindelijk teruggenomen door de toepassing van de doorschuifregeling bij mijn echtgenoot. Die regeling heeft betrekking op de inkomstenbelasting van andere jaren. Op het pensioen van mijn echtgenoot is loonheffing ingehouden die pas in een later jaar is terugbetaald. Ook heeft hij in Duitsland belasting betaald. - Ik heb aan alle voorwaarden voldaan die zijn vermeld in de toelichting bij het verzoek om een voorlopige teruggaaf. Daarin staat niets vermeld over de doorschuifregeling. Ook zijn er veel onduidelijkheden over die regeling. Inspecteur - De doorschuifregeling is op de juiste wijze toegepast. Zou deze regeling niet toegepast zijn, dan zou de voorlopige teruggaaf aan belanghebbende niet ongedaan zijn gemaakt. - De toelichting bij het verzoek om een voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting voor het jaar 2003 is aangepast. Hetzelfde geldt voor het verzoek en het aanslagbiljet. Er staat nu duidelijk dat achteraf nog moet blijken of de voorlopige teruggaaf terecht is geweest. Dit is anders dan bij het aanslagbiljet voor het jaar 2002 waarop vermeld stond dat de voorlopige teruggaaf juist is als de situatie juist is ingeschat. Ook heb je voor het jaar 2003 de toelichting nodig om het verzoek in te kunnen vullen. De situatie is dus anders dan in de uitspraak van het Hof 's-Hertogenbosch van 9 juli 2008, nr. 07/00281. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het door haar ingestelde hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur inzake de aanslag en de beschikking heffingsrente en vernietiging van de aanslag en de beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het door belanghebbende ingestelde hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4. Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Volgens artikel 8.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bedraagt de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing. Niet in geschil is dat belanghebbende voor het jaar 2003 volgens artikel 8.8 Wet IB 2001 geen recht heeft op een gecombineerde heffingskorting, die uitsluitend bestaat uit de algemene heffingskorting van € 1.766, omdat haar gecombineerde inkomensheffing nihil bedraagt. 4.2. Artikel 8.9 Wet IB 2001 (tekst 2003) bepaalt vervolgens, voor de situatie van belanghebbende, dat haar door artikel 8.8 Wet IB 2001 tot nihil beperkte gecombineerde heffingskorting wordt verhoogd tot het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing van de echtgenoot, verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting, doch tot maximaal het bedrag van de algemene heffingskorting van € 1.766. 4.3. In artikel 8.1, onderdeel b, Wet IB 2001 is de gecombineerde inkomensheffing omschreven als het gezamenlijke bedrag, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen. Het onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.