GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Derde meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 09/00002 Uitspraak op het hoger beroep van de heer X, wonende te Y, hierna: belanghebbende, tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Maastricht (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2008, nummer 08/778 in het geding tussen belanghebbende en het hoofd van de afdeling Heffing van de Gemeenschappelijke Belasting- en Registratiedienst Z, hierna: de Heffingsambtenaar, betreffende na te noemen aanslagen rioolrecht en afvalstoffenheffing. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2008 middels één biljet een aanslag rioolrecht en een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd in verband met het gebruik van de onroerende zaak A-straat 131 te Y, voor een bedrag van € 433,70, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Heffingsambtenaar zijn gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 12 maart 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Heffingsambtenaar. Belanghebbende noch zijn gemachtigde is, met kennisgeving aan het Hof, verschenen. 1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan: 2.1. De onroerende zaak gelegen aan de A-straat 131 te Y (hierna: het belastingobject) is een kamerverhuurpand. Belanghebbende is sinds 23 februari 2005 op genoemd adres woonachtig. 2.2. Belanghebbende woonde in 2008 in een onzelfstandige woonruimte in het belastingobject. De onzelfstandige woonruimte van belanghebbende bestaat uit een kamer zonder eigen keuken, wasgelegenheid of toilet. In het belastingobject zijn meerdere kamers aanwezig die (ook) in 2008 verhuurd werden aan andere personen. In het belastingobject werd in 2008 aldus een collectieve particuliere huishouding gevoerd. 2.3. Vanuit het belastingobject wordt afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering afgevoerd. Het belastingobject vormt bovendien een perceel in de zin van de afvalstoffenheffing. 2.4. Belanghebbende stond op 1 januari 2008 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens het langst van alle bewoners ingeschreven op het betreffende adres. 2.5. Belanghebbende is voor het jaar 2008 aangeslagen in het rioolrecht en de afvalstoffenheffing ter zake van het gebruik van het volledige belastingobject. 2.6. Op grond van artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Verordening rioolrechten 2008 van de gemeente Y (hierna: de Verordening Rioolrechten) wordt onder de naam "rioolrechten" geheven: "een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.". In artikel 2, lid 3, onderdeel a, van de Verordening Rioolrechten is als belastingplichtige voor de rioolrechten aangewezen, "degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt". 2.7. In artikel 2, lid 1, van de Verordening afvalstoffenheffing 2008 van de gemeente Y (hierna: de Verordening Afvalstoffenheffing) is als belastingplichtige voor de afvalstoffenheffing aangewezen, "degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.". 2.8. Het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Y heeft op 22 mei 2001 "Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie" (hierna: de Beleidsregels) vastgesteld. De Beleidsregels bevatten (onder meer) de volgende bepaling: "III. Met betrekking tot (...) het rioolrecht van gebruikers, de afvalstoffenheffing (...), wordt de aanslag in onderstaande volgorde gesteld ten name van: 1. degene, die de nutsvoorziening van het belastingobject (...) op naam heeft; 2. degene, die de huur van het hele belastingobject (...) betaalt aan een elders wonende verhuurder; 3. degene, die het grootste deel van het belastingobject (...) gebruikt; 4. degene, die het langst in het belastingobject (...) woont; 5. degene, die het belastingobject (...) het langst gebruikt; (...).". 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag rioolrecht en de aanslag afvalstoffenheffing terecht voor het gehele bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de gedingstukken in hoger beroep, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen de Heffingsambtenaar hieraan ter zitting heeft toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag rioolrecht en de aanslag afvalstoffenheffing. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4. Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. Bij de beoordeling van het geschil dient het volgende, onder verwijzing naar en met citaat van het arrest Hoge Raad 17 oktober 2008, nr. 42.753, onder meer gepubliceerd in BNB 2008/300, te worden vooropgesteld. "3.6. In de Wet milieubeheer heeft de wetgever tot object van de belasting gemaakt een perceel ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen bestaat. In het stelsel van die wet wordt een zodanig perceel in zijn geheel in een aanslag betrokken. In overeenstemming daarmee volgt uit de Verordening dat ter zake van het feitelijke gebruik van dat perceel één aanslag wordt opgelegd. Als feitelijk gebruiker is ieder van de bewoners belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing ter zake van het perceel. De aanslag mag ten name van alle feitelijke gebruikers tezamen worden gesteld - in welk geval alle aangeslagenen hoofdelijk schuldenaar zijn voor de gehele aanslag - of met toepassing van artikel 253 van de Gemeentewet ten name van een van hen worden gesteld (vgl. ook HR 15 februari 1995, nr. 30248, BNB 1995/229). Het staat een heffingsambtenaar binnen dit stelsel niet vrij om aan de verschillende feitelijke gebruikers van een perceel afzonderlijke aanslagen op te leggen naar een evenredig breukdeel. De beslissing dat de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de afvalstoffenheffing tot één vierde deel van de oorspronkelijke aanslag moet worden verminderd, is onjuist voor zover zij berust op een andersluidende opvatting. 3.7. Voor zover het Hof een schending van artikel 3:4, lid 2, van de Awb aanwezig heeft geacht, geldt het navolgende. Het Hof grondt dit oordeel met name op de omstandigheid dat belanghebbende praktische problemen ondervindt bij het verhalen van die gedeelten van het geheven bedrag op de medegebruikers van het perceel, in het bijzonder waar die medegebruikers stellen in aanmerking te komen voor kwijtschelding krachtens het ter zake geldende invorderingsbeleid van de gemeente, indien zij zelfstandig in de heffing zouden zijn betrokken. Een en ander raakt echter niet de rechtmatigheid van de aanslag doch de invordering daarvan, die als zodanig niet ter beoordeling staat van de belastingrechter. Daarbij verdient opmerking dat het een gemeente vrijstaat om, als zij ervoor kiest om één van de gebruikers aan te slaan, bij de keuze welke gebruiker zij in de heffing betrekt (mede) rekening te houden met de kans dat de aanslag bij hem kan worden geïnd. Indien (ten minste) één van de gebruikers geen verhaal biedt, is de gemeente niet gehouden om gebruik te maken van de hiervoor in 3.6 vermelde mogelijkheid om de aanslag op te leggen aan alle belastingplichtigen tezamen. Ook indien een dergelijke aanslag wordt opgelegd, zal de gemeente immers een keuze moeten maken wie van de gebruikers zij zal aanspreken, zij het dan in het kader van de invordering. Ook bij die keuze mag de gemeente rekening houden met de draagkracht van de hoofdelijk aansprakelijke belastingschuldigen (vgl. HR 2 november 2001, nr. C00/004, NJ 2002,24). Het voorgaande brengt mee dat de belastingrechter ook bij de toetsing van de keuze van een heffingsambtenaar welke bewoner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.