ECLI:NL:GHSHE:2010:BN6085
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht Zevende Kamer Uitspraak: 18 augustus 2010 Zaaknummer: HV 200.071.773 Zaaknummer eerste aanleg: 102983/KG RK 10-323 in de zaak in hoger beroep van: mr. Adrianus Gerardus Maria Kézér, kantoorhoudende te Helden, gemeente Peel en Maas, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Intex [vestigingsplaats] B.V., appellant, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. A.G.M. Kézér. tegen T.C. Warehousing B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], en Holding [X.] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], door de curator aangewezen als verweerders, beide in hoger beroep opgeroepen noch verschenen.
Gelet op de aard van het verzoek zijn de wederpartijen niet opgeroepen.
De curator heeft de griffie telefonisch laten weten af te zien van een mondelinge behandeling.
3.2. De curator heeft de volgende feiten aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
3.3. De voorzieningenrechter overwoog in de beschikking waarvan beroep onder meer:
Onder [Y.] [dat is Holding [X.] B.V.] heeft de curator eerder ten laste van Intex Vastgoed B.V. – inmiddels executoriaal – derdenbeslag gelegd. De curator heeft als gevolg hiervan geen zelfstandig vorderingsrecht op [Y.]. Oftewel, [Y.] is geen schuldenaar van de curator in de zin van art. 3:45 BW, zodat de curator niet de mogelijkheid had om op de in art. 3:45 BW bedoelde gronden de nietigheid in te roepen van de aandelenverkoop in geding. [Y.] is evenmin degene op wiens goed voor de schuld van een ander verhaal kan worden genomen als bedoeld in art. 3:48 BW, omdat de curator geen verhaal kan nemen op het vermogen van [Y.]. (…) De curator meent een vordering te hebben op [Y.] uit hoofde van paulianeus handelen ten opzichte van de curator, wat om de hiervoor genoemde redenen onjuist is. De curator heeft niet het recht of de mogelijkheid zich te verhalen op de door [Y.] verkochte aandelen, nu [Y.] geen schuldenaar is van de curator in de zin van art. 3:45 BW en/of art. 3:48 BW.
De grieven keren zich tegen deze overwegingen.
3.4. Naar het oordeel van het hof zijn de grieven gegrond. Daartoe overweegt het hof als volgt.
3.4.1. Vooralsnog moet ervan worden uitgegaan – op grond van het vonnis van 23 mei 2007 (waarbij Intex Vastgoed B.V. is veroordeeld om aan de curator een geldsom te betalen), de beslissing van de rechtbank in de betwistingsprocedure en het daaropvolgende executoriale derdenbeslag – dat Intex Vastgoed B.V. een schuld heeft aan de curator, dat [Holding X. B.V.] een schuld heeft aan Intex Vastgoed B.V. en dat [Holding X. B.V.] op grond van het derdenbeslag gehouden is tot betaling van voornoemd bedrag van minimaal € 156.245,- aan de curator. Daarmee staat vast dat [Holding X. B.V.] heeft te gelden als schuldenaar van de curator (HR 5 november 1993, NJ 1994/640, rov. 3.4).
3.4.2. Door de aandelen in Transcargo B.V. te verkopen en over te dragen aan J.C. Warehousing B.V. heeft [Holding X. B.V.] de verhaalsmogelijkheden van de curator onmiskenbaar benadeeld.
3.4.3. Naar het oordeel van het hof is voldoende gesteld om voorshands aan te nemen dat aan alle aan de door art. 3:45 BW gestelde voorwaarden is voldaan.
3.4.4. De curator heeft verzocht verlof te verstrekken tot het leggen van conservatoir paulianabeslag op de door T.C. Warehousing B.V. gehouden aandelen in Transcargo B.V. tot afgifte van die aandelen, naar het hof begrijpt tot afgifte van de aandelen door T.C. Warehousing aan [Holding X. B.V.] teneinde, na terugkeer in het vermogen van [Holding X. B.V.], als verhaalsobject te kunnen dienen voor de vordering van de curator op [Holding X. B.V.] Het verzoek is toewijsbaar op de voet van art. 737 Rv waarbij het hof opmerkt dat voor verlenen van dit verlof niet noodzakelijk dat vrees voor verduistering wordt gesteld (hetgeen ook niet is gebeurd), art. 734 lid 4 Rv.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Etten, mr. W.H.B. den Hartog Jager en, mr. E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2010.