GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Eerste meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 09/00565 Uitspraak op het hoger beroep van de heer X, wonende te Y (België), hierna: belanghebbende, tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 16 september 2009, nummer AWB 08/545, in het geding tussen belanghebbende en de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikking heffingsrente. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 27 februari 2007 en onder aanslagnummer 000.00.000.F.01.6501 over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 15.146. Gelijktijdig met de vaststelling van deze naheffingsaanslag heeft de Inspecteur ter zake van deze aanslag bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 112. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur - na belanghebbende op 28 september 2007 over zijn bezwaren te hebben gehoord - bij in één geschrift vervatte uitspraken van 21 december 2007 de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 143. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze laatste uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 223. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 7 juli 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.5. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. 1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende heeft op 8 oktober 2003 het voormalige parochiehuis met leslokalen (hierna: het pand) en bijbehorende grond (in totaal 1.420 m²), gelegen aan de A-straat 14 te B, gekocht voor een bedrag van € 500.000. Ter zake van de verkrijging van deze onroerende zaak is overdrachtsbelasting geheven. 2.2. Van het bedrag van € 500.000 heeft € 300.000 betrekking op het ter rechterzijde van het pand gelegen gedeelte van de grond ter grootte van 1.000 m², heeft € 120.000 betrekking op de benedenverdieping van het pand (inclusief ondergrond) en heeft € 80.000 betrekking op de bovenverdieping van het pand (inclusief de waarde van de daaraan toegerekende ondergrond). 2.3. Gedurende de periode oktober 2005 tot april 2006 heeft belanghebbende het pand voor een bedrag van circa € 400.000 ingrijpend laten verbouwen. De benedenverdieping is verbouwd tot restaurant met entree, open keuken, bar en terras. Op de bovenverdieping zijn 4 appartementen gerealiseerd, welke via een aparte ingang aan de achterzijde van het pand bereikbaar zijn. 2.4. Belanghebbende verhuurt de benedenverdieping aan C B.V., van welke vennootschap belanghebbende middellijk enig aandeelhouder is. Vanaf 1 juni 2006 verhuurt C B.V. de benedenverdieping aan D B.V., van welke vennootschap belanghebbende en de heer E de aandeelhouders zijn. Zowel belanghebbende als C B.V. berekenen met toepassing van artikel 11, lid 1, onderdeel b, onder ten 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) omzetbelasting over de huurpenningen welke zij ter zake van de benedenverdieping aan hun huurders in rekening brengen. 2.5. De 4 appartementen worden door belanghebbende vanaf onderscheidenlijk 1 april, 1 mei en 1 juni 2006 vrij van omzetbelasting verhuurd aan particulieren. 2.6. Niet is in geschil dat belanghebbende zowel ter zake van de verhuur van de benedenverdieping als ter zake van de verhuur van de 4 appartementen als ondernemer is aan te merken. Voorts is niet in geschil dat de onder 2.3 omschreven verbouwing van het pand de vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak vormt als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet OB (tekst 2006). 2.7. Belanghebbende heeft de aan hem ter zake van de verbouwing van het pand in rekening gebrachte omzetbelasting gesplitst in een gedeelte dat betrekking heeft op de benedenverdieping en in een gedeelte dat betrekking heeft op de 4 appartementen. Alleen het eerstbedoelde gedeelte heeft hij als voorbelasting in aftrek gebracht. Niet is in geschil dat belanghebbende bij deze splitsing een bedrag van in totaal € 2.223 teveel aan de benedenverdieping heeft toegerekend. 2.8. Van oordeel zijnde dat belanghebbende met betrekking tot het pand een levering heeft verricht als bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet OB (tekst 2006), heeft de Inspecteur, nu belanghebbende ter zake van deze levering geen omzetbelasting heeft aangegeven en/of voldaan, zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ter zake van deze levering alsnog een bedrag van, per saldo, € 12.923 aan omzetbelasting is verschuldigd. Bij de berekening van dit bedrag heeft hij er rekening mede gehouden dat belanghebbende ter zake van de verbouwing van de bovenverdieping - behoudens het onder 2.7 vermelde bedrag van € 2.223 - geen omzetbelasting als voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Het bedrag van € 12.923 is als zodanig niet in geschil. 2.9. Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur van belanghebbende bij de onderhavige aanslag een bedrag van € 2.223 plus € 12.923 is € 15.146 nageheven. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Nadat belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.