GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 103.005.392 en 103.005.395 arrest van de tweede kamer van 1 juni 2010 in de zaak van zaaknummer 103.005.392 (nader ook aan te duiden met: hof I): 1. [A.], wonende te [woonplaats], 2. [B.], wonende te [woonplaats], 3. de erfgenamen van [C.], laatstelijk wonende te [woonplaats], allen tezamen de erfgenamen van [D.], laatstelijk wonende te [woonplaats], appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel, advocaat: mr. H.M.J. Offermans, tegen: [E.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel, advocaat: mr. W.E. Schoufs, op het bij exploot van dagvaarding van 19 juli 2007, hersteld bij exploot van 2 augustus 2007, ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 9 mei 2007; zaaknummer 103.005.395 (nader ook aan te duiden met: hof II): [F.], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. H.M.J. Offermans, tegen: [E.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. W.E. Schoufs, op het bij exploot van dagvaarding van 25 juni 2007, ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 9 mei 2007. In dit arrest worden partijen als volgt aangeduid: - [W.] voor [D.]; - de erven voor diens gezamenlijke erfgenamen; - de erfgenamen van [X.] voor de erfgenamen van [C.]; - [Y.] voor [E.] en - [Z.] voor [F.]. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 83590 / HA ZA 03-443 en 111957 / HA ZA 06-636) zaaknr. 83590 / HA ZA 03-443 (ook aan te duiden met: rb I) [W.] heeft bij inleidende dagvaarding van 3 mei 2003 [Y.] voor de rechtbank Maastricht gedagvaard en de nader te omschrijven vorderingen ingesteld. [W.] is op 10 januari 2004 overleden, waarna de erven de procedure hebben voortgezet. [Y.] heeft een reconventionele vordering tegen de erven ingesteld. zaaknr. 111957 / HA ZA 06-636 (ook aan te duiden met: rb II) [Y.] heeft bij exploot van 28 juni 2006 de erven en [Z.] gedagvaard voor de rechtbank Maastricht en de nader te omschrijven vorderingen ingesteld. De erven en [Z.] hebben reconventionele vorderingen tegen [Y.] ingesteld. Bij vonnis van 11 oktober 2006 is deze zaak gevoegd bij de andere zaak (rb II). In beide zaken heeft de rechtbank bij het vonnis van 9 mei 2007 eindvonnis gewezen. Voor het verdere verloop van beide procedures verwijst het hof naar genoemde vonnissen van 11 oktober 2006 en 9 mei 2007. 2. Het geding in hoger beroep (hof I) 2.1. Bij memorie van grieven hebben de erven een ordner (P) met producties in het geding gebracht, vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep (in rb I en rb II) en, kort gezegd, tot hetgeen aan het slot van hun memorie staat vermeld. [C.] is op 28 juni 2007 overleden. De door de erven (van [W.]) na de appeldagvaarding genomen processtukken zijn mede op naam gesteld van de erfgenamen van [X.]. 2.2. Bij memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, tevens akte vermeerdering van eis heeft [Y.] producties in het geding gebracht, de grieven in het principaal appel bestreden, in incidenteel appel twee grieven aangevoerd, zijn eis vermeerderd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep (in rb I) en, kort gezegd, tot hetgeen aan het slot van zijn memorie staat vermeld. 2.3. De erven hebben geen (tijdige) memorie van antwoord in het incidenteel appel genomen. 2.4. Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. Partij [Y.] heeft daarbij tevens bij akte producties in het geding gebracht (brief van 13 oktober 2009 met bijlagen). Verdere producties zijn door partijen weer ingetrokken of door het hof geweigerd. Bij voornoemde akte heeft [Y.] in de kop van de akte gesteld zijn eis te verminderen. In afwijking daarvan wijzigt hij zijn eis (in rb II) tegen de erven aldus door onder 3a. subsidiair tevens een verklaring voor recht te vorderen dat de erven wanprestatie jegens hem hebben gepleegd door perceel [perceelletter 2.] [nummer 2.] niet aan hem te leveren, waarbij [Y.] tevens zijn schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet vordert. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. De erven hebben daartoe de gedingstukken overgelegd. (hof II) 2.5. Bij memorie van grieven, tevens wijziging/vermeerdering van eis heeft [Z.] twee ordners (W1 en W2) met producties in het geding gebracht, vier grieven aangevoerd, zijn eis gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep (in rb II) en, kort gezegd, tot hetgeen aan het slot van zijn memorie staat vermeld. [C.] is op 28 juni 2007 overleden. 2.6. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] producties in het geding gebracht, de grieven in het principaal appel bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis. 2.7. Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten tegelijkertijd met het pleidooi in hof I, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. [Z.] heeft daarbij zijn eis verminderd. Partijen hebben daarbij tevens bij akte producties in het geding gebracht: Partij de erven: brieven van 12 en 14 oktober 2009 met bijlagen en partij [Y.]: brief van 13 oktober 2009 met bijlagen. Verdere producties zijn geweigerd. De raadsvrouwe van [Y.] deelde mee het aangekondigde 843a-incident niet door te zetten. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. [Z.] heeft daartoe de gedingstukken overgelegd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven in beide zaken. 4. De beoordeling (in rb I) 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. a. Bij schuldbekentenis (prod. P-6) met handgeschreven goedschrift heeft [Y.] verklaard van [W.] op 10 oktober 1991 ter leen te hebben ontvangen (lening I) een bedrag van ƒ 50.000,= onder – onder meer – de navolgende bepalingen: ‘1. Over gemelde hoofdsom of het restant daarvan is een rente verschuldigd van 8,5% per jaar (doorgestreept en gewijzigd in: rente per 1-10-1999 gewijzigd in 7%), te voldoen in ½ jaarlijkse termijnen op 1/4 en 1/10 van elk jaar, voor het eerst op 1 april 1992 en zo vervolgens; 2. De schuldenaar is verplicht jaarlijks op de hoofdsom af te lossen een bedrag ad ƒ 10.000,==, deze aflossingen te voldoen in jaarlijkse termijnen tezamen met de rente op de renteverschijndagen, voor het eerst op 1 okt 1992 en zo vervolgens; 3. De lening heeft een looptijd van 5 jaren’. b. Op gelijke wijze en condities als onder a. heeft [Y.] op 15 oktober 1992 verklaard (P-6 1e tab) een bedrag van ƒ 28.440,= en ƒ 37.100,= op 22 april en 16 juli 1992 ter leen van [W.] te hebben ontvangen (lening II). Als rentebetaaldagen zijn 1 juni en 1 december overeengekomen, voor het eerst 1 december 1992. De jaarlijkse aflossing is bepaald op ƒ 13.108 voor het eerst op 1 juni 1993. c. Bij schuldbekentenis (P-7 4e tab) met handgeschreven goedschrift heeft [Y.] verklaard van [W.] op 7 april 1993 ter leen te hebben ontvangen (lening III) een bedrag van ƒ 75.000,= onder – onder meer – de navolgende bepalingen: ‘1. Over gemelde hoofdsom of het restant daarvan is een rente verschuldigd van 7% per jaar, te voldoen in kwartaal termijnen op 7 juli, 7 oktober, 7 januari en 7 april van elk jaar, voor het eerst op 7 juli 1993 en zo vervolgens; 2. De schuldenaar is verplicht de totale hoofdsom af te lossen voor uiterlijk 07-04-1995; 3. De lening heeft een looptijd van 2 jaren’. d. [Y.] heeft tot 16 oktober 2000 de rentetermijnen van voornoemde drie leningen aan [W.] betaald. In mindering op lening III heeft [Y.] in 1994 een bedrag van ƒ 15.000,= voldaan en op 2 januari 2003 een bedrag van € 5.000,=. Het restantbedrag aan hoofdsom van de drie leningen bedroeg op 16 oktober 2000 ƒ 175.540,=, oftewel € 79.656,57. Na de betaling van € 5.000,= bedraagt het restantbedrag € 74.656,57. e. [W.] heeft bij notariële akte van 3 mei 1991 (P-5 2e tab) zijn woonhuis met bedrijfsgebouw c.a., gelegen aan de [perceel 1.] te [plaatsnaam] (verder: de woning) verkocht en geleverd aan [Y.] voor een bedrag van ƒ 835.000,=. In de door partijen ondertekende akte is onder meer het navolgende bepaald: ‘(...) en welk totaalbedrag is voldaan door betaling bij het passeren dezer akte en waarvoor de verkoper verklaarde deswege aan de koper volledige kwijting te verlenen’ en: ‘De comparant sub 1 genoemd [[W.]; toevoeging hof] kan tot (...) twee mei negentienhonderd twee en negentig het gemelde, door hem thans bewoonde woonhuis [perceel 1.] te [plaatsnaam] blijven gebruiken (...) Indien de comparant sub 1 genoemd, met al de zijnen en het zijne het gemelde woonhuis [perceel 1.] te [plaatsnaam] niet uiterlijk vóór (...) twee mei negentienhonderd twee en negentig ontruimd en ter vrije beschikking van de koper heeft gesteld, is de comparant sub 1. genoemd door het enkele feit van de niet-ontruiming in gebreke (...) terwijl de comparant sub 1. genoemd alsdan ten behoeve van de koper verbeurt een dadelijk opeisbare, niet voor matiging vatbare, boete van ƒ 200.000,- (...). Tot zekerheid voor de nakoming van verkopers verplichting tot het betalen aan koper van de vorenstaande boete, heeft verkoper middels betaling bij het passeren dezer akte, aan koper voldaan een waarborgsom ad ƒ 200.000,-- zegge: tweehonderdduizend gulden, welk bedrag de koper heeft ontvangen, zodat hij deswege aan de verkoper kwijting verleent. f. In afwijking van het gestelde in voornoemde notariële akte is genoemde waarborgsom van ƒ 200.000,= nimmer door [W.] aan [Y.] betaald. Eveneens in afwijking van het gestelde in voornoemde notariële akte heeft [Y.] van de overeengekomen koopsom van ƒ 835.000,= aan [W.] slechts een bedrag van ƒ 635.000,= betaald (zie onder meer no. 33 van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [Y.]: ‘De waarborgsom is nimmer feitelijk door [D.] aan [Y.] overgemaakt, doch betrof een ‘korting’ op de aankoopprijs’). g. [W.] heeft de woning niet voor of op 2 mei 1992 (maar op of omstreeks 7 april 1993) ontruimd en ter beschikking gesteld aan [Y.]. h. Op 7 april 1993 heeft de Rabobank te [vestigingsplaats] aan [W.] een bedrag van ƒ 125.000,= ter leen verstrekt (P-7 1e tab). Bij de overboeking van dit bedrag aan [W.] heeft de Rabobank de navolgende omschrijving op het dagafschrift vermeld: ‘rest. koopakte 6 mei 1991’ (P-10 bijlage 14). i. In een brief van 6 april 1993 (P-7 1e tab) schrijft de Rabobank aan [Y.] onder meer: ‘Bij dezen delen wij u mee, dat wij bereid zijn aan de heer [D.] een geldlening van ƒ 125.000,- te verstrekken onder voorwaarde dat u zich voor die lening borg stelt’. [Y.] heeft zich op 7 april 1993 jegens de Rabobank als borg verbonden voor deze lening (P-7 1e tab). In een brief van 8 april 1993 (P-7) schrijft de Rabobank aan [W.] onder meer: ‘In aansluiting aan en met verwijzing naar de schuldbekentenis welke op 7 april jl. door u op ons kantoor werd getekend, delen wij u mede terzake van de betaling van rente en aflossing, dat deze zal plaatsvinden door een automatische periodieke overboeking ten laste van de heer [Y.]. Wij deelden u voorts mede, dat wij deze automatische periodieke overboeking niet zullen wijzigen dan na overleg met u’. j. [Y.] heeft vanaf 1993 tot aan het uitbrengen van de inleidende dagvaarding de rente over de lening aan de Rabobank betaald. 4.2.1. [W.] vorderde bij inleidende dagvaarding (in conventie) de veroordeling van [Y.] tot betaling aan hem van de navolgende bedragen: a. € 74.656,57 aan restant hoofdsommen; b. € 15.541,42 aan 7% rente hierover tot 15 april 2003, te vermeerderen met de nadien vervallen rente; c. de proces- en beslagkosten. 4.2.2. Bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 18 oktober 2006 vorderde [Y.] in reconventie: a. de veroordeling van de erven tot betaling aan hem van een bedrag van € 34.536,59, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2006; zijnde de door [Y.] betaalde rente op de geldlening van de Rabobank aan [W.] minus door [Y.] verschuldigde rente op de geldleningen I en II; b. te verklaren voor recht dat het door [W.] op de woning gelegde conservatoir beslag onrechtmatig is met veroordeling van [W.] tot vergoeding van de dientengevolge door [Y.] geleden schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; c. te verklaren voor recht dat de litigieuze rechtshandeling van 7 april 2003 nietig is c.q. vernietigd dient te worden [[Y.] bedoelt hiermee de door hem ondertekende schuldbekentenis van 7 april 1993; toevoeging hof]; d. vergoeding van de proceskosten. 4.2.3. De rechtbank heeft onder meer overwogen en beslist als volgt. i. Nu vaststaat dat [Y.] bedragen in mindering op geldlening III heeft betaald, gaat de rechtbank ervan uit dat deze lening daadwerkelijk aan [Y.] is verstrekt. Het beroep op nietigheid/ vernietigbaarheid faalt daarom en vordering c in reconventie wordt afgewezen (rov 4.6 en 4.7). Hiertegen heeft [Y.] grief I in het incidenteel appel (hof I) gericht. ii. Het door [Y.] in conventie gedane beroep op verjaring ingevolge art. 3:313 jo 3: 307 lid 1 BW heeft de rechtbank verworpen omdat [Y.] met zijn rentebetalingen, laatstelijk in oktober 2000, de vorderingsrechten van [W.] uit de geldleningen heeft erkend. Dit levert een stuiting in de zin van art. 3:318 BW op (rov 4.9 en 4.10). Grief II van [Y.] in het incidenteel appel (hof I) heeft hierop betrekking. iii. Op het door [Y.] gevoerde verweer heeft de rechtbank overwogen dat niet vast is komen te staan dat [Y.] de geldlening van de Rabobank aan [W.] als een eigen schuld voor zijn rekening zou nemen. De overeengekomen boete van ƒ 200.000,= is [W.] in beginsel verschuldigd omdat hij de woning pas na 2 mei 1992 heeft ontruimd. Gelet hierop was [Y.] niets meer uit hoofde van de koopovereenkomst met betrekking tot de woning aan [W.] verschuldigd. [Y.] is alleen als borg ten behoeve van [W.] opgetreden en heeft voor zijn betalingen regres op [W.]. Na verrekening van de door [Y.] als borg betaalde bedragen met de uit de geldleningen I, II en III door [Y.] aan [W.] verschuldigde bedragen heeft de rechtbank in conventie vordering a. en b. toegewezen voor een bedrag van € 49.095,28 te vermeerderen met de contractuele rente van 7% vanaf 15 april 2003 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen (rov. 4.13 / 4.20). De erven richten in principaal appel hiertegen hun grieven II tot en met V (hof I). iv. [Y.] is in conventie (vordering c.) veroordeeld in de proceskosten (rov. 4.24). v. De reconventionele vordering onder a. heeft de rechtbank gelet op het voorgaande onder iii. afgewezen (rov. 4.21). vi. De reconventionele vordering onder b. heeft de rechtbank afgewezen nu vaststaat dat de erven een vordering op [Y.] hebben (rov. 4.22). vii. Het door [Y.] in conventie gedane beroep op opschorting/verrekening met de door [Y.] in reconventie gepretendeerde vordering onder b. is daarmee tevens verworpen (rov. 4.23). viii. In reconventie (d.) is [Y.] als de volledig in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld. (rov. 4.25). (in rb II) 4.3. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. a. Bij overeenkomst heeft [W.] in 1991 aan [Y.] voor een bedrag van ƒ 30.000,= verkocht het perceel grond, destijds bekend als gemeente Gulpen, sectie [sectieletter 1.] nummer [nummer 1.] groot 0.27.65 ha, thans bekend als gemeente Gulpen, sectie [sectieletter 2.] nummer [nummer 2.]. Hiervan is een onderhandse akte opgesteld, die door beide partijen is ondertekend op 28 juni 1999 (P-8). In art. 3 van die overeenkomst is bepaald dat [Y.] de koopprijs zou betalen in 15 termijnen van ƒ 2.000,= per kwartaal; de eerste termijn op 30 maart 1999 en de laatste op 30 september 2002. [Y.] heeft op 25 september 2002 de laatste termijn betaald (€ 907,56). b. Van de koopovereenkomst maken onder meer de navolgende bepalingen deel uit: ‘Artikel 1 (...) De akte van levering zal worden gepasseerd uiterlijk binnen 1 maand nadat de koper de koopsom geheel heeft betaald aan verkoper of zoveel eerder of later als partijen nader zullen overeenkomen. Artikel 10 1. Een partij is in verzuim jegens de wederpartij als hij, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig is of blijft aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst te voldoen. (...) 3. Wanneer het verzuim betrekking heeft op het meewerken aan de feitelijke en/of juridische levering danwel op de voldoening van de koopprijs, zal de nalatige partij daarnaast ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verbeuren. De hoogte van de boete is gelijk aan tien procent (10%) van de totale koopprijs. Voor zover de wederpartij méér schade lijdt, heeft hij naast de boete, recht op aanvullende schadevergoeding’. c. Bij notariële akte van 24 maart 2005 hebben de erven het perceel [perceelletter 2.] [nummer 2.] op grond van een eerder gesloten overeenkomst geleverd aan [Z.] voor een koopsom van € 4.424,=. d. Op 31 december 1998 ondertekenden Guillaume Holding B.V. (vertegenwoordigd door [Z.]) en [Y.] een overeenkomst (W-8) met onder meer de navolgende inhoud: ‘Artikel 1. Schuldigerkenning per datum ondertekening: Per de datum van de ondertekening van deze overeenkomst is [Y.] aan Guillaume Holding B.V. verschuldigd terzake de door Guillaume Holding B.V. aan hem voorafgaande aan 31 december 1998 beschikbaar gestelde werktuigen en machines (vermeld in de tussen partijen gesloten huurovereenkomst) de door [Y.] op 31 december 1998 verschuldigde som van ƒ 945.000,-- (...) * te vermeerderen met omzetbelasting, * te vermeerderen met de rente over voormelde som ad 7% op jaarbasis vanaf 31 december, * verminderd met de bedragen welke [Y.] afbetaald vanaf 31 december 1998, * verminderd met de waarde van de machines en werktuigen per de datum van de ondertekening van deze overeenkomst; Artikel 2. Betalingen: 1. De ingevolge artikel 1 van deze overeenkomst door [Y.] aan Guillaume Holding B.V. verschuldigde bedragen, derhalve hoofdsom en rente, zullen door [Y.] worden afgelost middels maandelijkse termijnbetalingen van ƒ 10.000,--, te vermeerderen met 17,5 % omzetbelasting (...) Artikel 3. Zekerheidstelling: A. Hypotheek: 1. Ter meerdere zekerheid voor de voldoening door [Y.] van hetgeen [Y.] krachtens deze overeenkomst aan Guillaume Holding B.V. verschuldigd is, verstrekt [Y.] aan Guillaume Holding B.V. de volgende hypotheken: [volgen vier kadastrale omschrijvingen; hof] (...)’. e. Op 31 december 1998 ondertekenden [Z.] en [Y.] een nagenoeg gelijkluidende overeenkomst als onder d. vermeld (W-8 2e tab) ten aanzien van de navolgende bedragen: Artikel 1: ƒ 455.000,=, verschuldigd aan [Z.]; Artikel 2: ƒ 4.900,= per maand vermeerderd met 17,5 % omzetbelasting en een eenmalige bedrag per jaar van ƒ 30.000,= vermeerderd met omzetbelasting te voldoen voor 1 december. In artikel 3 wordt het zekerheidsrecht van hypotheek bedongen voor een drietal andere kadastrale percelen. f. Guillaume Holding B.V. heeft haar vorderingsrechten op [Y.] bij akte van cessie van 21 augustus 2006 overgedragen aan [Z.]. Van de cessie is mededeling gedaan aan [Y.]. 4.4.1. [Y.] vorderde in eerste aanleg in conventie: a. de veroordeling van de erven op straffe van een dwangsom om aan [Y.] het perceel [perceelletter 2.] [nummer 2.] te leveren; b. de hoofdelijke veroordeling van de erven om aan [Y.] een bedrag van € 1.361,34 terzake van de 10% boete uit hoofde van art. 10 lid 3 van de koopovereenkomst te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2002; c. de hoofdelijke veroordeling van de erven om als voorschot op de door [Y.] geleden schade een bedrag van € 200.000,= te betalen, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2004; d. de veroordeling van [Z.] op straffe van een dwangsom om aan [Y.] het perceel [perceelletter 2.] [nummer 2.] te leveren; e. de veroordeling van [Z.] om als voorschot op de door [Y.] geleden schade een bedrag van € 200.000,= te betalen, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2004; f. de hoofdelijke veroordeling van de erven en [Z.] tot betaling van de proceskosten. 4.4.2. De rechtbank heeft bij het bestreden eindvonnis van 9 mei 2007 in conventie geoordeeld als volgt. i. De rechtbank heeft de door [Z.] tegen de veroordeling tot levering van perceel [perceelletter 2.] [nummer 2.] gevoerde verweren verworpen (rov. 4.5 / 4.8). Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat [Z.] jegens [Y.] aansprakelijk is uit onrechtmatige daad en de vordering onder d. jegens [Z.] toegewezen (rov. 4.9 / 4.14). [Z.] komt hiertegen op met grief I (hof II) en vordert bij memorie van grieven tevens een verklaring voor recht dat [Z.] pachtrecht heeft ten aanzien van perceel [perceelletter 2.] [nummer 2.]. Voorts vordert [Z.] in hoger beroep de veroordeling van [Y.] tot teruglevering van perceel [perceelletter 2.] [nummer 2.] aan [Z.] op straffe van een dwangsom. ii. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat [Y.] gelet op het voorgaande geen belang meer heeft bij zijn vordering onder a. en heeft die vordering afgewezen (rov. 4.15). iii. De onder b. gevorderde boete heeft de rechtbank toegewezen (rov. 4.16). De erven zijn het hier niet mee eens en behouden zich het recht voor het betaalde bedrag als onverschuldigd terug te vorderen (mvg blz. 25/no. 85; hof I). Het hof leest hierin geen voldoende kenbare grief. iv. Aan de onder c. geformuleerde vordering heeft [Y.] volgens de rechtbank ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden ten gevolge van het conservatoir beslag op het woonhuis. Nu hij daarvoor geen andere feiten ten grondslag heeft gelegd dan zijn vordering in reconventie onder b (rb I), heeft de rechtbank de vordering afgewezen (rov. 4.17). v. Aan zijn vordering onder e. heeft [Y.] niet meer ten grondslag gelegd dan aan zijn vordering onder c. zodat de rechtbank ook de vordering onder e. heeft afgewezen (rov. 4.18). vi. De erven en [Z.] zijn in de kosten van de procedure in conventie veroordeeld (vordering f; rov. 4.19). 4.4.3. De erven vorderden in eerste aanleg in reconventie de veroordeling van [Y.] tot betaling primair aan de Rabobank en subsidiair aan de erven van een bedrag van € 56.722,53 (ƒ 125.000,=), vermeerderd met de rentetermijnen ad € 250,52 per maand vanaf januari 2004, terzake van de geldlening van de Rabobank d.d. april 1993, vermeerderd met de proceskosten. 4.4.4. De rechtbank heeft onder verwijzing naar haar overwegingen onder 4.13 tot en met 4.17 (rb I) overwogen dat niet gebleken is dat [Y.] de lening van de Rabobank aan [W.] ad ƒ 125.000,= voor eigen rekening zou nemen, waarna de rechtbank de vordering heeft afgewezen. Hiertegen richten de erven hun grief I (hof I). 4.4.5. [Z.] vorderde in eerste aanleg in reconventie de veroordeling van [Y.]: a. om ten gunste van [Z.] rechten van (eerste c.q. tweede) hypotheek te vestigen op een negental genoemde kadastrale percelen; b. tot betaling aan [Z.] van een bedrag van € 717.523,17, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 juni 2006 terzake van de verhuur van machines en financiering van bedrijfsactiviteiten; c. in de kosten van de procedure. 4.4.6. De rechtbank heeft overwogen dat [Z.] de vorderingen onder a. en b. onvoldoende heeft onderbouwd, waarna de rechtbank deze vorderingen heeft afgewezen. Met grief II en III (hof II) komt [Z.] op tegen de afwijzing van zijn vordering onder b. In hoger beroep heeft [Z.] zijn vordering vermeerderd tot een bedrag van € 997.797,= inclusief rente en btw per 31 december 1998. Bij pleidooi in hoger beroep heeft [Z.] deze vordering weer verminderd tot € 875.689,=. Met grief IV (hof II) komt [Z.] op tegen de afwijzing van zijn vordering onder a. De rechtbank heeft voorts de erven en [Z.] in de kosten van de procedure in reconventie veroordeeld. zaaknummer 103.005.392 (hof I): (ontvankelijkheid) 4.5.1. [Y.] heeft zich beroepen (pleitnota onder 3; hof I) op de niet-ontvankelijkheid van appellant [C.] omdat de mede op zijn naam gestelde appeldagvaarding is betekend na het overleden van [C.]. 4.5.2. Het hof verwerpt dit beroep op niet-ontvankelijkheid nu weliswaar de inleidende dagvaarding niet ten name van de erfgenamen van [X.] is gesteld, maar de memorie van grieven wel. Hieruit mag worden afgeleid dat de erfgenamen van [X.] vanaf het begin van de procedure in hoger beroep niet enkel als materiële, maar tevens als formele procespartij hebben te gelden. Voorts wordt ook duidelijk dat [Y.] heeft begrepen dat het de erfgenamen van [X.] waren die (mede) de procedure tegen hem voerden en dus zijn wederpartij waren. [Y.] heeft pas bij pleidooi in hoger beroep zich op de niet-ontvankelijkheid van [C.] beroepen zonder daarbij aan te voeren dat hij niet eerder van het overlijden van [C.] op de hoogte was. In het bijzonder speelt hierbij een rol dat, nadat de mede op naam van de erfgenamen van [X.] gestelde memorie van grieven in principaal appel was genomen, [Y.] zonder verder bezwaar of bijzondere vermelding zijn incidenteel appel mede jegens de erfgenamen van [X.] heeft ingesteld. Bij pleidooi in hoger beroep bepleit [Y.] daarbij nadrukkelijk zijn ontvankelijkheid in het incidenteel appel mede jegens de erfgenamen van [X.]. Aldus heeft [Y.] de rechtsstrijd jegens de erfgenamen van [X.] aanvaard, ook in principaal appel. Gesteld noch gebleken is dat [Y.] zijn verweer niet daarop heeft kunnen afstemmen. 4.5.3. [Y.] heeft zich voorts op de niet-ontvankelijkheid van de erven beroepen omdat hij zich op het standpunt stelt dat de erven in hoger beroep geen voldoende kenbare grieven tegen de bestreden vonnissen hebben aangevoerd. 4.5.4. Het hof verwerpt dit beroep op niet-ontvankelijkheid nu de erven duidelijk kenbaar een aantal grieven hebben aangevoerd. De exacte uitleg van die grieven en de wijze waarop deze aan [Y.] kenbaar geoordeeld moeten worden, komt zonodig bij de bespreking van de individuele grieven aan de orde. (in rb I) 4.6.1. [Y.] voert met zijn eerste grief in het incidenteel appel (hof I) onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op nietigheid/vernietigbaarheid van de schuldbekentenis van 7 april 1993 (lening III; zie rov 4.1 onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.