GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.065.652 arrest van de tweede kamer van 6 september 2011 in de zaak van [X.], h.o.d.n.[Timmerwerken] TIMMERWERKEN, wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. J.J. Versluijs, tegen: [de man], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. A.A.M. van Exsel, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 juli 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch onder nummer 182568/HA ZA 08-2047 gewezen vonnis van 27 mei 2009. 5Het tussenarrest van 6 juli 2010 Bij genoemd arrest is een comparitie van partijen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden. 6Het verdere verloop van de procedure 6.1. Op 30 juli 2010 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen hebben geen schikking bereikt. 6.2. Bij memorie van grieven heeft [Timmerwerken] acht grieven aangevoerd, zijn eis gewijzigd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot als aan het slot van die memorie omschreven. 6.3. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van een productie de grieven bestreden. 6.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 7De verdere beoordeling 7.1.1. Mede gelet op wat [geïntimeerde] in hoger beroep hieromtrent heeft aangevoerd, stelt het hof vast dat het in deze zaak om het volgende gaat. 7.1.2. [Timmerwerken] en [geïntimeerde] hebben in april 2006 gesproken over de verbouwing door [Timmerwerken] van de woning van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft toen aan [Timmerwerken] mondeling de opdracht tot het verrichten van werkzaamheden verstrekt. [Timmerwerken] is op 1 mei 2006 met de werkzaamheden begonnen. Op 16 mei 2006 heeft [Timmerwerken] een offerte aan [geïntimeerde] gezonden. Deze heeft als opschrift “Offertenr: [offertenr. sub 1] Betreft: Verbouw Woonhuis”. De aanhef hiervan luidt: “Naar aanleiding van ons persoonlijk onderhoud, zijn wij zo vrij u e[e]n prijsoverzicht te verschaffen van het besproken werk. (..)” Deze offerte vermeldt ter zake “Tegel & Kitwerk” een bedrag van € 11.553,21 (excl. btw) en sluit op een totaalbedrag van € 97.805,18 (excl. btw). Onder “Opmerkingen” staat vermeld: “1e termijn 50% bij beginnen van werkzaamheden 2e termijn als 40% laatste termijn 10% bij oplevering”(prod. 1 cva). 7.1.3. [Timmerwerken] heeft nog een tweede offerte in het geding gebracht. Deze is gedateerd 12 juni 2007 (prod. 1 inl. dagv.) Vast staat dat dit niet de datum is waarop door [Timmerwerken] aan [geïntimeerde] enige offerte heeft uitgebracht. Volgens de eigen verklaring van [X.] ter comparitie in eerste aanleg is 12 juni 2007 de datum waarop hij genoemde offerte nogmaals - ten behoeve van zijn advocaat - heeft geprint. Niet duidelijk is, of en zo ja op welke datum [Timmerwerken] deze tweede offerte aan [geïntimeerde] heeft gezonden. Deze tweede offerte is meer gedetailleerd dan de offerte van 16 mei 2006. Het verschil met de offerte van 16 mei 2006 is gelegen in een extra opgenomen bedrag van € 557,87 ter zake “ruiten dubbel glas tbv bestaande ramen” op blz. 4 van de offerte. Deze offerte sluit op een totaalbedrag van € 98.363,04 (excl. btw). Bij memorie van grieven heeft [Timmerwerken] aangegeven dat het extra bedrag van € 557,86 op een vergissing zijnerzijds berust en dat moet worden uitgegaan van het eerder genoemde bedrag van € 97.805,18 (excl. btw). 7.1.4. [Timmerwerken] heeft [geïntimeerde] ter zake “aanbetaling tbv verbouwen woonhuis op bovenstaand adres volgens offertenummer [offertenr. sub 1]” drie aanbetalingnota’s gezonden voor resp. € 49.000, - excl. btw (“50%, van 98000,00”) (d.d. 4 juni 2006) (prod. 3 cva), € 24.500, - excl. btw (“25% van 98000,00”) (d.d. 20 juli 2006) (prod. 4 cva) en € 12.500, - excl. btw (“Totaalbedrag 12500,00”) (d.d. 23 oktober 2010) (prod. 5 cva). [geïntimeerde] heeft deze nota’s, welke sluiten op € 86.000, - (excl. btw) voldaan. 7.1.5. [Timmerwerken] heeft geen tegelwerk uitgevoerd. [geïntimeerde] heeft deze werkzaamheden - in overleg met [Timmerwerken] - door een derde laten uitvoeren. 7.1.6. [Timmerwerken] heeft, na afronding van bijna alle werkzaamheden, persoonlijk de eindafrekening aan [geïntimeerde] overhandigd (prod. 2 inl. dagv.) De stelling van [geïntimeerde] dat dit op 7 februari 2007 gebeurde, is door [Timmerwerken] niet betwist. Deze eindafrekening was gedateerd 30 januari 2007, heeft als omschrijving: “Betreft eindafrekening volgens offertenr [offertenr. sub 1] excl kastje onder tv.”, en bepaalt: “Aanneemsom volgens offertenr [offertenr. sub 1]. 98363,04 Meerwerk zie bijlage 29077,56 Minderwerk zie bijlage -20087,19 Aanbetaald 49000,00+24500,00+12500,00 -86000,00 Totaal excl B.T.W. €21.353,41”. De factuur vermeldt als betaaldag 14 dagen na factuurdatum. In het bijbehorende, tegelijk overhandigde, minderwerkoverzicht staat onder meer een post tegelwerk ad € 11.093,91 (excl. btw) vermeld. 7.1.7. Op 9 juni 2007 heeft [Timmerwerken] aan [geïntimeerde] een aanmaning gezonden voor een bedrag van € 25.410,36, te betalen voor 16 juni 2007 (prod. 3 inl. dagv). 7.1.8. Op 12 juni 2007 heeft mr. K. Wijlaars namens [geïntimeerde] [Timmerwerken] gesommeerd om de meerwerkfactuur te crediteren met een bedrag van € 22.102,30 omdat [Timmerwerken] de hoge meerprijs niet tevoren aan [geïntimeerde] kenbaar had gemaakt. In deze brief staat vermeld dat [geïntimeerde] aan [Timmerwerken] zou hebben gezegd dat “de kosten voor het meerwerk met aftrek van het minderwerk niet hoger mochten zijn dan € 10.000,00.” (prod 1 mvg). 7.1.9. Op 20 juni 2007 antwoordde mr. S.A.M. de Beer namens [Timmerwerken] aan (de raadsvrouw van) [geïntimeerde] onder meer: “(..) Cliënt heeft als meerwerk bij uw cliënte een bedrag ad € 29’077.56 exclusief BTW gefactureerd. Voor minderwerk heeft cliënt € 20’087.19 exclusief BTW op zijn vordering in mindering gebracht. Aldus heeft cliënt voor het meerwerk een bedrag ad € 8’990.37 bij uw cliënte in rekening gebracht. Nu u in uw schrijven van 12 juni 2007 aangeeft dat uw cliënte akkoord ging met meerwerk (met aftrek van minderwerk) tot en met een bedrag ad € 10’000.00, is cliënt ruimschoots binnen het budget gebleven.” (prod. 6 inl. dagv.) 7.2.1. [Timmerwerken] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en betaling gevorderd van € 24.078,73 met contractuele rente, subsidiair wettelijke rente vanaf 8 oktober 2008, stellende dat hij te vorderen had de hoofdsom van € 25.410,56. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden had [Timmerwerken] voorts te vorderen contractuele vertragingsrente vanaf 13 februari 2007 ad € 9.189,70 en buitengerechtelijke incassokosten van 15% van de hoofdsom ad € 1.978,47, subsidiair – indien de algemene voorwaarden niet toepasselijk zijn – de wettelijke handelsrente vanaf 13 februari 2007 en buitengerechtelijke incassokosten op grond van art. 6:96 lid 2 BW. In totaal vorderde [Timmerwerken] € 36.578,73. Door zijn raadsman was op 21 september 2007 al € 12.500,- ontvangen, welk bedrag [Timmerwerken] in mindering brengt, primair op de buitengerechtelijke incassokosten, daarna op de rente en vervolgens op de hoofdsom. 7.2.2. Ten verwere hiertegen heeft [geïntimeerde] kort samengevat aangevoerd dat de aanneemsom € 86.000, - was (omdat het tegel-en kitwerk daarin niet begrepen zat), dat [geïntimeerde] een bedrag van € 2.413,28 rechtstreeks aan een onderaannemer had betaald, zodat dit evenmin behoorde bij het minderwerk, en dat tussen partijen was afgesproken dat de som van het meer-en minderwerk hoogstens € 10.000,- zou bedragen. [geïntimeerde] heeft daarom op 21 september 2007 aan de raadsman van [Timmerwerken] betaald (afgerond naar boven) € 12.500,-, zodat [Timmerwerken] niets meer van [geïntimeerde] te vorderen heeft. 7.2.3. De rechtbank heeft, na te hebben overwogen dat uit de stellingen van [geïntimeerde] blijkt dat hij slechts rekening hield met € 10.000,- aan meerwerk, geoordeeld dat [Timmerwerken] [geïntimeerde] niet afdoende heeft gewaarschuwd voor de overschrijding van dit bedrag, zodat het meerdere boven € 10.000,- werd afgewezen. Dit leidde de rechtbank tot de conclusie dat de vordering van [Timmerwerken] werd afgewezen. 7.3.1. Het geschil dat partijen ook in hoger beroep verdeeld houdt concentreert zich rond de hoogte van de aanneemsom, de verrekening van het meer-en minderwerk en de hoogte van de meerwerkvordering. De toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [Timmerwerken] en de op basis daarvan gevorderde contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten zijn als zodanig niet betwist. Het hof zal de grieven tegen het oordeel van de rechtbank in het navolgende gezamenlijk bespreken. 7.3.2. De standpunten van partijen in hoger beroep zijn als volgt samen te vatten. (a)-aanneemsom [Timmerwerken] heeft gesteld dat de aanneemsom (bij mvg gecorrigeerd) € 97.805,18 (excl. btw) bedroeg, en dat het in de offerte opgenomen bedrag van € 11.553,21 (excl. btw) - behalve wat betreft het kitwerk voor een bedrag van € 459,30 - niet door hem is uitgevoerd, zodat een bedrag van € 11.093,91 als minderwerk kan worden beschouwd. [geïntimeerde] stelt daarentegen, zo begrijpt het hof, dat de eerste offerte weliswaar inclusief kit-en tegelwerk was, maar dat partijen van het begin af aan overeengekomen zijn dat [Timmerwerken] het kit-en tegelwerk niet zou uitvoeren en dat de aanneemsom derhalve ruim € 86.000, - (excl. btw) was. (b)-verrekening meer-en minderwerk [geïntimeerde] heeft ten verwere tegen de vorderingen van [Timmerwerken] gesteld dat partijen overeengekomen waren dat het saldo van het meer-en het minderwerk maximaal € 10.000,- zou zijn, zodat hij, na betaling van de aanneemsom van € 86.000,- (excl. btw) nimmer meer dan € 10.000,- (incl. btw) aan [Timmerwerken] verschuldigd zou zijn. [Timmerwerken] heeft een dergelijke partijafspraak betwist. (c)- hoogte meerwerk [geïntimeerde] heeft het door [Timmerwerken] aan hem gefactureerde meerwerk als zodanig niet betwist, doch, in reactie op grief 1 bij memorie van antwoord, alsnog aangevoerd dat [Timmerwerken] niet eerder dan tegen het eind van de uitvoering van de werkzaamheden met hem over de hoogte van het meerwerk heeft gesproken, en dat [Timmerwerken] aldus ingevolge art. 7:755 BW geen recht heeft op betaling. [Timmerwerken] betwist dat hij pas aan het eind van de periode met [geïntimeerde] over het meerwerk heeft gesproken. Voorts stelt hij dat [geïntimeerde] heel goed had begrepen dat het door hem aan [Timmerwerken] opgedragen meerwerk betaald zou moeten worden. [Timmerwerken] betwist eveneens dat [geïntimeerde], zoals de rechtbank overwoog, slechts rekening zou hebben hoeven houden met maximaal € 10.000,- aan meerwerk. (d)- hoogte minderwerk [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg ten verwere tegen de vorderingen van [Timmerwerken] nog aangevoerd dat het bedrag van € 2.478,28 (excl. btw), dat op het minderwerkoverzicht staat vermeld in verband met “Aluminium rabatdelen en boeidelen tbv dakkapellen’ en “Openstaande factuur[Y.]” niet op dit overzicht thuishoort, omdat dit posten betreft die door [geïntimeerde] rechtstreeks (buiten [Timmerwerken]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.