ECLI:NL:GHSHE:2011:BP4000
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.045.767 arrest van de zevende kamer van 8 februari 2011 in de zaak van [A.] in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van:
6.2 Beide partijen hebben bij akte machtigingen in het geding gebracht. [A.] heeft tevens een procesvolmacht d.d. 17 december 2009 van de inmiddels meerderjarig geworden [B.] overgelegd.
6.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
7.2 Op de door [X.] ondertekende Aanvraag Opstap Hypotheekverzekering is de standaard begunstiging aangekruist, inhoudende:
7.4 Ook wanneer [X.] op het tweede blad van de polis als eerste van de begunstigden zou zijn opgenomen, zoals volgens [D.] diens bedoeling is geweest, zou dit niet tot het door haar gewenste resultaat hebben geleid. [D.] gaat ervan uit dat in dat geval de verzekeringsuitkering in de nalatenschap van [X.] zou zijn gevallen. De rechtbank deelt deze visie (r.o. 3.10). Het hof kan zich om de volgende redenen niet vinden in dit standpunt.
7.5 Artikel 7:967 lid 1 onder b BW bepaalt dat, tenzij van een andere bedoeling blijkt, de aanwijzing van een begunstigde vervalt indien hij overlijdt voordat een uitkering waarop de aanwijzing betrekking had, opeisbaar is geworden. Deze bepaling dient aldus te worden verstaan dat wanneer de verzekeringnemer naast zichzelf geen opvolgende begunstigden heeft aangewezen of in het geheel geen begunstigden heeft aangewezen (de zogenaamde blanco polis), in die gevallen sprake is van ‘een andere bedoeling’ en de uitkering aan hemzelf toekomt en in zijn nalatenschap valt. Zijn er wel opvolgende begunstigden aangewezen, zoals in dit geval, dan doet die situatie zich niet voor. Zoals verwoord in Asser-Clausing-Wansink, nr. 502: “Heeft de verzekeringnemer bij een verzekering die bij zijn overlijden tot uitkering komt, zichzelf en opvolgende begunstigden aangewezen, dan blijkt daaruit dat er niet van een andere bedoeling in de zin van art. 7:967 lid 1 BW sprake is en vervalt de aanwijzing van zichzelf”. Ook in die zin: W.M.A. Kalkman, De overeenkomst van levensverzekering, paragraaf 5.12 en Groene Serie, Bijzondere Overeenkomsten, aantekening 2 bij artikel 7:967 BW.
7.6 [D.] heeft in dit verband verwezen naar een e-mail van 27 januari 2007 van een medewerker van notariskantoor [Y.] aan de tussenpersoon van de verzekeraar, waarin wordt aangegeven dat [X.] zelf verzekeringnemer, verzekerd lichaam en begunstigde zal zijn en dat op deze manier de uitkering in zijn nalatenschap zal vallen. Hieruit en uit verdere overgelegde correspondentie leidt de rechtbank af dat [X.] zichzelf als begunstigde wilde laten aanmerken. In hoger beroep wordt dat overigens door [A.] betwist. Ook indien zou komen vast te staan dat [X.] voorafgaande aan het insturen van het aanvraagformulier van plan geweest is de beide kinderen uit zijn huwelijk met [A.] uit te sluiten van de verzekeringsuitkering, betekent dat evenwel niet dat dit van doorslaggevende invloed is op de uitleg die aan de begunstigingsbepaling moet worden gegeven.
7.7 Bij de uitleg van de begunstigingsbepaling gaat het om de overeenkomst tussen [X.] enerzijds en de verzekeraar anderzijds. Van belang is daarbij de inhoud van de begunstigingsbepaling en de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen en verklaringen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. In de relatie tussen [X.] en de verzekeraar is het ondertekende aanvraagformulier de enige verklaring van [X.]. Van enige andere verklaring van hem jegens de verzekeraar is niet gebleken. Deze verklaring houdt niets anders in dan de standaard begunstigingsbepaling zodat de verzekeraar redelijkerwijs ook niets anders kon doen dan de standaard begunstigingsbepaling in de polis te verwerken. Of aan het aankruisen van de standaard begunstigingsbepaling in het aanvraagformulier eventueel een onjuist advies aan [X.] ten grondslag heeft gelegen, is in dit verband niet relevant. Het gaat immers om diens uiting tegenover de verzekeraar. Wanneer [X.] het resultaat had willen bewerkstelligen waarvan [D.] uitgaat, had hij in het aanvraagformulier zijn nalatenschap als begunstigde kunnen aanmerken dan wel op andere wijze de door hem gewenste afwijking van de standaard begunstiging kunnen aangeven. Gelet op de door hem doorgevoerde wijziging van de begunstiging bij een andere verzekering, was hij van een en ander op de hoogte.
7.8 De consequentie van een en ander is dat als begunstigden aangemerkt dienen te worden de kinderen van [X.] zonder onderscheid, derhalve zowel de kinderen uit diens huwelijk met [A.] als de kinderen uit diens relatie met [D.].
7.9 De slotsom is dat de grief van [A.] slaagt, dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de subsidiaire vordering van [D.] in de door [A.] bepleite zin (voor zover deze betrekking heeft op de gerechtigdheid) zal worden toegewezen. Door [D.] zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander resultaat leiden zodat haar bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd. Gelet op de relatie tussen partijen zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Meulenbroek en Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 februari 2011.