GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.037.708 arrest van de achtste kamer van 12 april 2011 in de zaak van
(57)dat bij M&T werkzaamheden betrokken is. Het gevolg van die uitleg is dat daarmee is voldaan aan het criterium “in hoofdzaak” en dat de onderneming van [X.] onder het verplichtstellingsbesluit valt. 4.6.4. [X.] daarentegen legt de hierboven onder rov. 4.6. sub b. geciteerde bepaling aldus uit dat het aantal werknemers dat werkzaamheden verricht “op het gebied van enige andere bedrijfstak“ niet per afzonderlijke andere bedrijfstak, maar gezamenlijk, moet worden vergeleken met het aantal werknemers dat is betrokken bij M&T werkzaamheden. Deze vergelijking leidt, gegeven voormelde cijfers, tot de conclusie dat “op het gebied van enige andere bedrijfstak” een groter aantal werknemers werkzaamheden verricht dan het aantal dat bij M&T werkzaamheden betrokken is. Het gevolg van die uitleg is dat daarmee niet is voldaan aan het criterium “in hoofdzaak” en dat de onderneming van [X.] niet onder het verplichtstellingsbesluit valt. 4.7. Het hof stelt voorop dat de onder rov. 4.6. sub b vermelde bepaling moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde CAO-norm in de zin als bedoeld in HR 20 februari 2004, JAR 2004, 83 (DSM-Fox). Uitleg van die bepaling aan de hand van die norm leidt het hof tot de conclusie dat de onder rov. 4.6.3. vermelde uitleg van de Fondsen juist is. Die uitleg is immers het meest in overeenstemming met het - inzoverre niet door [X.] betwiste - doel en de strekking van het verplichtstellingsbesluit en van de daaraan ten grondslag liggende wetgeving zoals dit door de Fondsen in de processtukken is toegelicht (zie mvg punt 7.1., 10.2. en 13), terwijl die uitleg tevens verenigbaar is met de bewoordingen van de betrokken bepaling. 4.8. Bij de beantwoording van de vraag of [X.] voldoet aan het criterium “in hoofdzaak” conform de onder rov. 4.6.3. vermelde uitleg, maakt het hof onderscheid tussen de periode van 29 oktober 2002 tot en met 30 september 2003 en de periode daarna. 4.9. Wat betreft de periode 29 oktober 2002 tot en met 30 september 2003 oordeelt het hof als volgt. In deze periode heeft [X.] de premienota’s van MN voldaan “omdat zij toen meende werkgever te zijn in de zin van onderdeel E van pagina 11 van de CAOSF (omdat toen meer dan 50% der overeengekomen arbeidsuren de M&T betroffen)”. Dit – in cursief weergegeven - citaat uit cva punt 119 levert voldoende grond op voor het vermoeden dat [X.] in de hierbedoelde periode voldeed aan het criterium “in hoofdzaak”, zoals dit wordt uitgelegd door de Fondsen, in aanmerking genomen dat het hier door [X.] erkende percentage van (meer dan) 50% overeengekomen arbeidsuren ruimschoots hoger is dan het percentage van 41% dat volgens de Fondsen (reeds ruimschoots) voldoende is om te concluderen dat [X.] onder de werkingssfeer valt van het verplichtstellingsbesluit. 4.9.1. Tegenover dit vermoeden heeft [X.] geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat zij niet voldoet aan het criterium “in hoofdzaak” zoals uitgelegd door de Fondsen. Het betoog van [X.] in de memorie van antwoord (punt 32 onder f juncto
- d)dat, ook als men de uitleg van de Fondsen volgt, er geen sprake kan zijn van enigerlei verzekeringsplicht, is onjuist. De uitsplitsing van verloonde uren arbeid, verricht bij bedrijven op het gebied van M&T, in arbeid met betrekking tot metaalbewerking en arbeid anderszins, welke uitsplitsing [X.] in productie B bij die memorie weergeeft, is niet van belang bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan het criterium “in hoofdzaak”. Bij de door [X.] gestelde verdeling van arbeidsuren geldt dat ook de arbeidsuren van degenen die niet onder de kolom “metaalbewerking” vallen arbeidsuren betreffen van werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden in de M&T, zoals omschreven in het verplichtstellingsbesluit. 4.9.2. [X.] heeft zich voorts weliswaar op het standpunt gesteld dat voormeld citaat niet een erkentenis inhoudt (zie mva punt 80, 81, 85, 116, 128, 129 en 140), maar, wat daarvan ook zij, het aldus door [X.] gestelde levert naar het oordeel van het hof wel een vermoeden op dat [X.] in deze periode voldeed aan de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit. 4.9.3. [X.] heeft in de conclusie van antwoord (punt 119) tevens gesteld dat zij in 2003 niet wist dat er een mogelijkheid bestond om een beroep te doen op de voor uitzendondernemingen gecreëerde uitzondering, indien werd voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 4c, zoals hierboven is vermeld in rov. 4.1. sub j (zie ook prod. G cva). De stelling van [X.] dat haar een beroep op die uitzondering toekomt is echter door de Fondsen bestreden en uiteindelijk heeft [X.] bij memorie van antwoord, punt 91, erkend dat in ieder geval in de periode vóór 1 januari 2004 een beroep op die uitzondering voor haar niet mogelijk was. [X.] zou pas met ingang van 1 januari 2004 ( voor wat betreft de Fondsen sub 3 en 4), respectievelijk 1 januari 2005 (voor wat betreft Fonds sub 2) en 1 november 2007 (voor wat betreft Fonds sub 1) een beroep kunnen doen op de cumulatieve vereisten (zie mvg pag. 25/26 en pag. 45 en noten aldaar), zij het dat de Fondsen ook betwisten dat [X.] zich daarop na die data zou kunnen beroepen (zie met name schriftelijke pleitnota Fondsen pag. 20 e.v. punt 5 tot en met 5.4.). 4.9.4. De door de Fondsen gevorderde verklaring voor recht, vermeld in rov. 4.2. sub a., is daarom toewijsbaar over de periode van 29 oktober 2002 tot en met 30 september 2003. Anders dan [X.] stelt hebben de Fondsen ook voor wat betreft deze periode belang bij hun vordering omdat [X.] zich op het standpunt blijft stellen dat zij ook over deze periode geen premie verschuldigd is en aanspraak maakt op terugbetaling (zie mva punt 76). 4.9.5. De overige in rov. 4.2. vermelde vorderingen van de Fondsen zijn met betrekking tot deze periode niet toewijsbaar omdat de Fondsen daarbij geen belang hebben. [X.] heeft immers aan haar premieverplichtingen over deze periode voldaan. 4.9.6. De grieven 4 tot en met 6 zijn dus gegrond. De kantonrechter heeft de vordering van Fonds sub 1 ten onrechte volledig afgewezen. 4.10. Voor wat betreft de periode na 30 september 2003 overweegt het hof het volgende. 4.10.1. Het hierboven in rov. 4.9. vermelde vermoeden kan ten aanzien van deze periode niet tot uitgangspunt worden genomen, nu niet is gesteld of gebleken dat [X.] ook in deze periode meende dat zij onder de werkingssfeer van de bedrijfstakregelingen M&T viel. [X.] heeft na 30 september 2003 ook geen premienota’s van MN meer voldaan. Weliswaar heeft [X.] in de briefwisseling met MN voorafgaande aan deze procedure en ook tijdens deze procedure het door de Fondsen berekende percentage van 41 gevolgd, maar dat biedt onvoldoende feitelijke grond om te vermoeden dat [X.] onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit is blijven vallen, gelet op het feit dat [X.] heeft gesteld dat, nu zij een uitzendonderneming drijft, de percentages van jaar tot jaar, van maand tot maand en van week tot week veranderen, die stelling steun vindt in het werkingssfeerrapport van de accountmanager [Z.] van 4 februari 2004 (prod. 19b mvg) en het percentage van 41 is gebaseerd op de jaarcijfers van 2003 (zie hierna onder 4.10.2.) en niet op die van tijdvakken na 30 september 2003. Derhalve heeft voor deze periode als uitgangspunt te gelden dat de Fondsen hun stelling dat [X.] onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt, voldoende feitelijk dienen te onderbouwen. 4.10.2. Dienaangaande is het hof van oordeel dat de Fondsen onvoldoende feiten ten grondslag hebben gelegd aan hun stelling dat [X.] na 30 september 2003 voldoet aan het criterium “in hoofdzaak”. Immers die stelling wordt door de Fondsen niet gebaseerd op de feitelijke vaststelling dat een aantal van 57 werknemers van [X.] betrokken is bij M&T werkzaamheden (zie cvd punt 77), maar op de uitkomst van een berekening waarin een onjuiste maatstaf is aangelegd om tot genoemd aantal werknemers te komen. Immers het getal van 57 wordt gevonden door toepassing van een percentage welk percentage is totstandgekomen door vergelijking van de getallen, vermeld in productie A, laatste bladzijde, bij conclusie van antwoord, te weten de getallen 1.855,458 (metaal) en 2.482.002 (anders). Deze getallen hebben blijkens de stellingen van partijen betrekking op feitelijk gewerkte arbeidsuren en omzetbedragen van [X.] in 2003. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde producties valt voorts af te leiden dat partijen het aantal van door werknemers van [X.] feitelijk gewerkte arbeidsuren in 2003 (A) gelijk stellen met het aantal overeengekomen arbeidsuren in 2003 (B). Het hof verwijst voor (A) naar mva punt 32 sub b en c en de producties 19b en 20 bij mvg en voor (B) naar mvg pag. 21 en 22 juncto cva punt 13, 17 en 89). Die gelijkstelling ligt overigens, gelet op het verslag van het werkingssfeeronderzoek (prod. 19b mvg), niet voor de hand. Wat daarvan echter ook zij, die getallen kunnen niet een basis vormen voor de vaststelling van een maatstaf (in de vorm van een percentage) ter verdeling van aantallen werknemers die betrokken zijn bij M&T werkzaamheden en bij werkzaamheden in de overige onderscheiden bedrijfstakken, aangezien er niet van kan worden uitgegaan dat alle werknemers van [X.] in 2003 dagelijks, wekelijks, maandelijks of per kwartaal ieder feitelijk hetzelfde aantal uren werkten (
- a)en er ook niet van kan worden uitgegaan dat met ieder van die werknemers contractueel (
- b)eenzelfde aantal uren is overeengekomen. De Fondsen hebben (
- a)niet gesteld en gaan er ten aanzien van (
- b)veronderstellenderwijs van uit dat met iedere werknemer van [X.] 38 arbeidsuren per week is overeengekomen (cvr punt 7.2.). [X.] heeft evenwel betwist dat zij alleen full-timers in dienst had (cvd punt 110-112), dat een werknemer steeds volledig in één bedrijfstak werd ingezet (cvd punt 110 en mva punt 16) en ook dat met iedereen een vast aantal te werken arbeidsuren was overeengekomen (schriftelijke pleitnota [X.] punt 63). De accountmanager van MN (= de onderzoeker) is in februari 2004, kennelijk zonder verdere navraag, uitgegaan van een full-time dienstverband van alle werknemers (zie noot 19 in de memorie van grieven), daarbij afgaande op een rapport betreffende een werkingssfeeronderzoek bij [Y.] op 7 december 2000 (prod. 13a mvg). 4.10.3. In dit verband merkt het hof voorts nog het volgende op. De Fondsen staan een genuanceerde uitleg en toepassing van het werkingssfeercriterium voor (zie rov. 4.6.3: een genuanceerde vergelijking tussen de betrokken bedrijfstakken). De Fondsen stellen zich bovendien op het standpunt dat er voor de toepassing van de werkingssfeerbepaling geen referteperiode of refertedatum geldt en dat een onderneming zelfs gedurende één dag onder de verplichtstelling kan vallen, zij het dat de Fondsen doorgaans als referteperiode een week hanteren (toelichting grief 14 en pleitnota Fondsen pag. 31 en noot 118). Bij een dergelijke genuanceerde uitleg en toepassing behoort het pensioenfonds de toepasselijkheid van de werkingssfeerbepaling ook genuanceerd feitelijk te onderbouwen, in aanmerking genomen dat het pensioenfonds de taak – en dus de eigen verantwoordelijkheid - heeft het verplichtstellingsbesluit uit te voeren en daartoe zelfstandig dient na te gaan of aan de werkingssfeerbepaling is voldaan, en voorts in aanmerking genomen dat het pensioenfonds het recht heeft de voor die uitvoering noodzakelijke gegevens bij werkgevers als [X.] op te vragen of te vorderen (zie hierna ook rov. 4.12.1.). Een genuanceerd onderzoek en schriftelijke vastlegging van de resultaten daarvan was in het onderhavige geval te meer geboden omdat de onderneming van [X.] een uitzendorganisatie betreft waarin detachering van werknemers plaatsvond in diverse bedrijfstakken en de aantallen gedetacheerde werknemers per bedrijfstak en per tijdvak telkens kunnen veranderen (zie mva punt 49, 73, 114 en 169; herhaald in de schriftelijke pleitnota van [X.] punt 54, 118 en 119). Niet gesteld of gebleken is dat de onderzoeker dat heeft gedaan. Integendeel, [X.] heeft onweersproken gesteld dat de onderzoeker dat niet heeft gedaan (mva punt 66). 4.10.4. Op deze gronden concludeert het hof dat aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek van MN op 4 februari 2004 niet kan worden vastgesteld of [X.] na 30 september 2003 gedurende een of meer dagen, weken, maanden of (premienota)kwartalen al dan niet onder het verplichtstellingsbesluit viel. Daaruit volgt dat de Fondsen feitelijk onvoldoende hebben gesteld om te concluderen dat [X.] eronder viel. Voor wat betreft de periode na 30 september 2003 zijn de vorderingen van de Fondsen daarom niet toewijsbaar. 4.11. De Fondsen hebben gesteld dat [X.] dient te bewijzen dat zij sedert haar oprichting (29 oktober 2002), althans sedert de staking van premiebetaling (30 september 2003), althans sedert haar afmelding (28 september 2004) niet (meer) onder de werking van het verplichtstellingbesluit valt. Deze stelling behoeft geen bespreking voor wat betreft de periode tot en met 30 september 2003, nu het hof heeft geconcludeerd dat [X.] in die periode onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit viel. Wat betreft de periode na 30 september 2003 rustte op de Fondsen de plicht deugdelijk te onderzoeken of [X.] op grond van het aantal werknemers dat feitelijk betrokken is bij M&T werkzaamheden, onder het verplichtstellingsbesluit viel. Zoals in rov. 4.10.2. en 4.10.3. is vermeld, hebben de Fondsen dat niet deugdelijk onderzocht. Aan het feit dat afmelding van werknemers van [X.] eerst per 28 september 2004 heeft plaatsgevonden, kan niet voorshands de conclusie of het bewijsvermoeden worden verbonden dat [X.] tot die datum onder de werking van het verplichtstellingsbesluit viel, zulks gelet op hetgeen in rov. 4.1. sub f, laatste zin, is vastgesteld. Nu de Fondsen zich beroepen op de rechtsgevolgen van de verplichtstelling, zijn het de Fondsen die, gelet op de door hen gevorderde verklaring voor recht, dienen te bewijzen dat [X.] na 30 september 2003 onder de werking van het verplichtstellingstellingsbesluit valt. 4.12. Aan bewijslevering komt het hof pas toe indien de Fondsen voldoende feiten hebben gesteld die de conclusie wettigen dat [X.] ook na 30 september 2003 onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit viel. Die feiten hebben de Fondsen niet gesteld. Zoals gezegd, die feiten blijken niet uit het rapport dat van het op 4 februari 2004 uitgevoerde werkingssfeeronderzoek met betrekking tot het jaar 2003 is opgemaakt (prod. 19b mvg). Andere feiten stellen de Fondsen niet. 4.12.1. De Fondsen konden die feiten van [X.] verkrijgen via een dergelijk onderzoek. De stelling van de Fondsen dat zij niet bevoegd zijn van [X.] medewerking aan een dergelijk onderzoek te vorderen (pleitnota Fondsen noot 130) is onjuist. Het hof wijst in dit verband op het bepaalde in Artikel III.1. a van het Uitvoeringsreglement van Fonds sub 1 (prod. 2 mvg): “Elke Werkgever is verplicht alle gegevens en stukken te verstrekken die het Fonds voor de uitvoering van het reglement nodig acht.” (zie ook noot 118 onderaan op pag. 31 pleitnota Fondsen) in samenhang met artikel 4 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Weliswaar richt voormelde bepaling zich tot de werkgever die voldoet aan de werkingssfeerbepaling, maar de werkgever die werknemers in dienst heeft die betrokken zijn bij M&T werkzaamheden, en van wie op goede gronden wordt vermoed dat hij aan het werkingssfeercriterium voldoet, zou onrechtmatig handelen indien hij weigert de daarvoor relevante gegevens aan het pensioenfonds te verstrekken. De maatschappelijke zorgvuldigheid brengt immers mee dat de werkgever die gegevens verstrekt. Ook de stelling dat [X.] medewerking aan een dergelijk onderzoek weigert, kan de Fondsen niet baten. De Fondsen hebben op geen enkele wijze onderbouwd dat zij in de periode na februari 2004 tot de datum van de pleitnota in hoger beroep (20 april 2010) medewerking aan een dergelijk onderzoek van [X.] hebben gevraagd of gevorderd en dat [X.] daarop afwijzend heeft gereageerd (zie daaromtrent mva punt 53-56, 62 en 64 alsmede schriftelijke pleitnota [X.] punt 77). [X.] heeft bovendien erkend dat op haar de verplichting rust de vereiste informatie aan de Fondsen te verschaffen. 4.13. De Fondsen hebben gesteld dat op [X.] een verzwaarde motiveringsplicht rust ten aanzien van haar betwisting van de stelling van de Fondsen dat [X.] onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt, aangezien [X.] over de vereiste gegevens beschikt om vast te stellen of [X.] onder de werking van dat besluit valt. 4.13.1. Gelet op het feit dat de Fondsen via een werkingssfeeronderzoek de beschikking kunnen krijgen over de feiten ter onderbouwing van hun stelling dat [X.] onder de werkingssfeer van de het verplichtstellingsbesluit valt en [X.] aan een dergelijk onderzoek dient mee te werken, rust op [X.] in het kader van deze civiele procedure geen verzwaarde motiveringsplicht, zoals door de Fondsen is gesteld. 4.14. De Fondsen hebben subsidiair gesteld dat, ook als niet komt vast te staan dat [X.] een onderneming drijft die valt onder het verplichtstellingsbesluit, [X.] de premienota’s over de periode vanaf het vierde kwartaal 2003 tot 28 september 2004 (datum afmelding) toch dient te voldoen omdat de werknemers van [X.] tot laatstgenoemde datum bij MN waren geregistreerd en onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit vielen. 4.14.1. Ook deze subsidiaire grondslag verwerpt het hof. Werknemers die werkzaam zijn bij [X.] vallen niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit op de grond dat zij als verplichte deelnemer in het pensioenfonds zijn geregistreerd, maar op de grond dat voldaan is aan de vereiste wettelijke criteria voor verplichte deelneming in het pensioenfonds, zoals ook volgt uit hetgeen de Fondsen zelf stellen in mvg punt 7.3 en 7.4. Het enkele feit dat werknemers van [X.] tot 28 september 2004 bij MN zijn geregistreerd, kan niet leiden tot de conclusie dat ten aanzien van die werknemers tot die datum het verplichtstellingsbesluit heeft gegolden. 4.15. Voor wat betreft de vraag of [X.] onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van bovengenoemde CAO’s valt, oordeelt het hof het volgende. Dienaangaande dient te worden vastgesteld of [X.] is aan te merken als “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” dan wel “Werkgever in de Metaal en Techniek”, een en ander als bedoeld in de CAO SFM artikel 1 sub E en CAO AVIM artikel 1 sub E, of als “Werkgever in de Metaalnijverheid” als bedoeld in de CAO OOM artikel 6, lid 2. 4.15.1. Onder “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” in de CAO SFM wordt verstaan “de werkgever bij wie het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij de werkzaamheden, zoals uitgeoefend in de hiervoren omschreven takken van bedrijf, groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf, (….)” (zie art. 1 sub E algemeen verbindend verklaring CAO SFM d.d. 22 december 1998 (prod. 3a mvg). De overige CAO’s kennen vergelijkbare definities. Zie Algemeen verbindend verklaring CAO AVIM d.d. 30 maart 1999, artikel 1E en Algemeen verbindend verklaring CAO OOM d.d. 1 mei 2002, artikel 6, lid 2. 4.15.2. De accountmanager van MN diende tijdens het onderzoek van 4 februari 2004 dus na te gaan of het aantal overeengekomen arbeidsuren van de werknemers die bij [X.] in dienst waren en die betrokken waren bij – kort gezegd – M&T werkzaamheden (A), groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van de werknemers die bij [X.] in dienst waren en betrokken waren bij werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf (B). 4.15.3. De Fondsen stellen in de toelichting op grief 9 dat [X.] dient te bewijzen dat – kort gezegd – (A) niet groter was dan (B) en in de toelichting op grief 4 dat op [X.] een “verzwaarde motiveringsplicht” rust van de betwisting van de stelling van de Fondsen dat (A) groter is dan (B). In de toelichting op grief 5 stellen de Fondsen dat [X.] dient te bewijzen dat haar deelnemingsverplichting op enig moment is geëindigd. Het hof verwerpt deze stellingen omtrent de bewijslastverdeling op dezelfde gronden als hierboven in rov. 4.11. en 4.13. is vermeld. 4.15.4. De Fondsen hebben in de conclusie van repliek gesteld dat, uitgaande van 140 werknemers bij [X.] in 2003 en een 38-urige werkweek, er door de werknemers 5320 uur per week aan werkzaamheden wordt verricht (140 x 38= 5320 arbeidsuren). Het onderzoek heeft uitgewezen dat van de werknemers - 41% betrokken was bij M&T werkzaamheden (minimaal 57 werknemers), hetgeen leidt tot 2166 arbeidsuren per week; - 21% werkzaamheden verrichtte op agrarisch gebied (29 werknemers), hetgeen leidt tot 1102 arbeidsuren per week; - 18% werkzaamheden verrichtte op het gebied van de bouw (25 werknemers), hetgeen leidt tot 950 arbeidsuren per week; - 18% werkzaamheden verrichtte op uiteenlopende andere takken van bedrijf (25 werknemers), hetgeen leidt tot 950 arbeidsuren per week. [X.] bevestigt dat de accountmanager van de Fondsen genoemde percentages op jaarbasis heeft uitgerekend aan de hand van cijfers van 2003 die aangereikt zijn door [A.] (prod. A cva), maar stelt tevens dat, aangezien zij een uitzendbureau heeft, die percentages van jaar tot jaar, van maand tot maand en van week tot week veranderen (cva punt 55 t/m 57, cvr punt 35 en 36). 4.15.5. De Fondsen leggen de hierboven onder rov. 4.15.1. geciteerde definitie van het begrip werkgever aldus uit dat het aantal overeengekomen arbeidsuren van de werknemers die betrokken zijn bij “werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf” per afzonderlijke andere tak van bedrijf moet worden vergeleken met het aantal overeengekomen arbeidsuren van werknemers die betrokken zijn bij M&T werkzaamheden. Dat resulteert in een uitkomst dat (A) groter is dan (B) en dat dus [X.] is aan te merken als “werkgever” als bedoeld in rov. 4.15. en dus onder de werking van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de CAO’s valt. 4.15.6. [X.] legt de hierboven onder rov. 4.15.1. geciteerde definitie aldus uit dat het aantal overeengekomen arbeidsuren van de werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden verricht “op het gebied van enige andere bedrijfstak“ niet per afzonderlijke andere bedrijfstak, maar gezamenlijk, moet worden vergeleken met het aantal overeengekomen arbeidsuren van werknemers die zijn betrokken bij M&T werkzaamheden. Deze vergelijking leidt, gegeven voormelde cijfers, tot de conclusie dat “op het gebied van enige andere tak van bedrijf” een groter aantal werknemers werkzaamheden verricht dan het aantal dat bij M&T werkzaamheden betrokken is. Het gevolg van die uitleg is dat [X.] niet is aan te merken als “werkgever” als bedoeld in 4.15. en dus niet onder de werking van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de CAO’s valt. 4.16. Het hof stelt voorop dat de onder rov. 4.15.1. vermelde definitie van het begrip werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenaamde CAO-norm in de zin als bedoeld in HR 20 februari 2004, JAR 2004, 83 (DSM-Fox). Uitleg van die definitie aan de hand van die norm leidt het hof tot de conclusie dat de uitleg van de Fondsen juist is. Die uitleg is immers het meest in overeenstemming met het - in zoverre niet door [X.] betwiste -doel en de strekking van de algemeenverbindendverklaring en van de daaraan ten grondslag liggende wetgeving zoals dit door de Fondsen in de processtukken is toegelicht (zie mvg punt 7.1., 10.2. en 13), terwijl die uitleg tevens verenigbaar is met de bewoordingen van de betrokken definitie. 4.17. Ook bij de beantwoording van de vraag of [X.] is aan te merken als “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” dan wel “Werkgever in de Metaal en Techniek”, als bedoeld in rov. 4.15., maakt het hof onderscheid tussen de periode van 29 oktober 2002 tot en met 30 september 2003 en de periode daarna. 4.18. Wat betreft de periode 29 oktober 2002 tot en met 30 september 2003 oordeelt het hof als volgt. In deze periode heeft [X.] de premienota’s van MN voldaan “omdat zij toen meende werkgever te zijn in de zin van onderdeel E van pagina 11 van de CAOSF (omdat toen meer dan 50% der overeengekomen arbeidsuren de M&T betroffen)”. Dit – in cursief weergegeven - citaat uit cva punt 119 levert voldoende grond op voor het vermoeden dat [X.] in de hierbedoelde periode is aan te merken als “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” dan wel “Werkgever in de Metaal en Techniek”, zoals dit wordt uitgelegd door de Fondsen, in aanmerking genomen dat het hier door [X.] erkende percentage van (meer dan) 50% overeengekomen arbeidsuren ruimschoots hoger is dan het percentage van 41% dat volgens de Fondsen (reeds ruimschoots) voldoende is om te concluderen dat [X.] onder de werkingssfeer valt van de algemeen verbindend verklaarde CAO-bepalingen. 4.18.1. Tegenover dit vermoeden heeft [X.] geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat zij niet is aan te merken als “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” dan wel “Werkgever in de Metaal en Techniek”, zoals uitgelegd door de Fondsen. Het betoog van [X.] in de memorie van antwoord (punt 32 onder f juncto
- d)dat, ook als men de uitleg van de Fondsen volgt, er geen sprake kan zijn van enigerlei aansluitingsplicht, is onjuist. De uitsplitsing van verloonde uren arbeid, verricht bij bedrijven op het gebied van M&T, in arbeid met betrekking tot metaalbewerking en arbeid anderszins, welke uitsplitsing [X.] in productie B bij die memorie weergeeft, is niet van belang bij de beoordeling van de vraag of [X.] is aan te merken als “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” dan wel “Werkgever in de Metaal en Techniek”. Bij de door [X.] gestelde verdeling van arbeidsuren geldt dat ook de arbeidsuren van degenen die niet onder de kolom “metaalbewerking” vallen arbeidsuren betreffen van werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden in de M&T, zoals omschreven in de besluiten tot algemeenverbindendverklaring. 4.18.2. [X.] heeft zich voorts weliswaar op het standpunt gesteld dat voormeld citaat niet een erkentenis inhoudt (zie mva punt 80, 81, 85, 116, 128, 129 en 140), maar, wat daarvan ook zij, het aldus door [X.] gestelde levert naar het oordeel van het hof wel een vermoeden op dat [X.] in deze periode voldeed aan de definitie van het begrip “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” dan wel “Werkgever in de Metaal en Techniek”. 4.18.3. [X.] heeft in de conclusie van antwoord (punt 119) tevens gesteld dat zij in 2003 niet wist dat er een mogelijkheid bestond om een beroep te doen op de voor uitzendondernemingen gecreëerde uitzondering, indien werd voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 4c, zoals hierboven is vermeld in rov. 4.1. sub j (zie ook prod. G cva). De stelling van [X.] dat haar een beroep op die uitzondering toekomt is echter door de Fondsen bestreden en uiteindelijk heeft [X.] bij memorie van antwoord, punt 91, erkend dat in ieder geval in de periode vóór 1 januari 2004 een beroep op die uitzondering voor haar niet mogelijk was. [X.] zou pas met ingang van 1 januari 2004 (voor wat betreft de Fondsen sub 3 en 4), respectievelijk 1 januari 2005 (voor wat betreft Fonds sub 2) en 1 november 2007 (voor wat betreft Fonds sub 1) een beroep kunnen doen op de cumulatieve vereisten (zie mvg pag. 25/26 en pag. 45 en noten aldaar), zij het dat de Fondsen ook betwisten dat [X.] zich daarop na die data zou kunnen beroepen (zie met name schriftelijke pleitnota Fondsen pag. 20 e.v. punt 5 tot en met 5.4.). 4.18.4. De door de Fondsen gevorderde verklaring voor recht, vermeld in rov. 4.2. sub a., is daarom toewijsbaar over de periode van 29 oktober 2002 tot en met 30 september 2003. Anders dan [X.] stelt hebben de Fondsen ook voor wat betreft deze periode belang bij hun vordering omdat [X.] zich op het standpunt blijft stellen dat zij ook over deze periode geen premie verschuldigd is en aanspraak maakt op terugbetaling (zie mva punt 76). 4.18.5. De overige in rov. 4.2. vermelde vorderingen van de Fondsen zijn met betrekking tot deze periode niet toewijsbaar omdat de Fondsen daarbij geen belang hebben. [X.] heeft immers aan haar premieverplichtingen over deze periode voldaan. 4.18.6. De grieven 8 en 9 zijn dus gegrond. De kantonrechter heeft de vordering van de Fondsen sub 2, 3 en 4 ten onrechte volledig afgewezen. 4.19. Voor wat betreft de periode na 30 september 2003 overweegt het hof het volgende. 4.19.1. Het hierboven in rov. 4.18. vermelde vermoeden kan ten aanzien van deze periode niet tot uitgangspunt worden genomen, nu niet is gesteld of gebleken dat [X.] ook in deze periode meende dat zij onder de werkingssfeer van de bedrijfstakregelingen M&T viel. [X.] heeft na 30 september 2003 ook geen premienota’s van MN meer voldaan. Weliswaar heeft [X.] in de briefwisseling met MN voorafgaande aan deze procedure en ook tijdens deze procedure het door de Fondsen berekende percentage van 41 gevolgd, maar dat biedt onvoldoende feitelijke grond om te vermoeden dat [X.] ook na 30 september 2003 is aan te merken als “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” dan wel “Werkgever in de Metaal en Techniek”, gelet op het feit dat [X.] heeft gesteld dat, nu zij een uitzendonderneming drijft, de percentages van jaar tot jaar, van maand tot maand en van week tot week veranderen, die stelling steun vindt in het werkingssfeerrapport van de accountmanager [Z.] van 4 februari 2004 (prod. 19b mvg) en het percentage van 41 is gebaseerd op de jaarcijfers van 2003 (zie onder rov. 4.10.2.) en niet op die van tijdvakken na 30 september 2003. Derhalve heeft voor deze periode als uitgangspunt te gelden dat de Fondsen hun stelling dat [X.] is aan te merken als “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” dan wel “Werkgever in de Metaal en Techniek” voldoende feitelijk dienen te onderbouwen. 4.19.2. Dienaangaande is het hof van oordeel dat de Fondsen onvoldoende feiten ten grondslag hebben gelegd aan hun stelling dat na 30 september 2003 het aantal overeengekomen arbeidsuren van werknemers van [X.] die betrokken zijn bij M&T werkzaamheden groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van werknemers die betrokken zijn bij “werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf”. Immers die stelling wordt door de Fondsen niet gebaseerd op een feitelijke vaststelling van (
- a)het aantal overeengekomen arbeidsuren van (
- b)het aantal in dienst zijnde werknemers die betrokken zijn bij werkzaamheden in de afzonderlijke bedrijfstakken, maar wordt gebaseerd op de uitkomst van een berekening waarin wordt uitgegaan (A) van de veronderstelling dat in 2003 alle werknemers van [X.] op full-timebasis (38 uur per week) in dienst waren en (B) van de in rov. 4.10.2. vermelde berekening die resulteert in een aantal - bij M&T werkzaamheden betrokken - werknemers van 57. Wat betreft (A) is door de Fondsen niet gesteld of gebleken dat de Fondsen hebben onderzocht en geïnventariseerd op basis van welk aantal overeengekomen arbeidsuren per dag, per week, per maand of per (premie)kwartaal de 140 werknemers van [X.] sedert 30 september 2003 bij haar in dienst waren. Wat betreft (B) is door de Fondsen niet feitelijk vastgesteld welk aantal werknemers van [X.] gedurende welke tijdvakken werden ingezet in de bedrijfstak Metaal en Techniek (M&T werkzaamheden) dan wel een andere tak van bedrijf, zoals in rov. 4.10.3. is overwogen. Die inventarisatie blijkt niet uit het verslag van het werkingssfeeronderzoek (prod. 19b mvg). Ook indien ervan zou worden uitgegaan dat het aantal feitelijk gewerkte arbeidsuren in 2003 even groot is als het aantal overeengekomen arbeidsuren biedt de berekening van de Fondsen geen deugdelijke grondslag, omdat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de stelling dat van de 140 werknemers er 57 betrokken waren bij M&T werkzaamheden, zoals overwogen in rov. 4.10.2. Op bovenstaande gronden concludeert het hof dat de stelling van de Fondsen dat het aantal overeengekomen arbeidsuren van werknemers van [X.] dat betrokken is bij M&T werkzaamheden groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren van werknemers die betrokken zijn bij “werkzaamheden uitgeoefend in enige andere tak van bedrijf”, op een onvoldoende feitelijke grondslag berust en dat aan de uitkomsten van het onderzoek van MN op 4 februari 2004 dus niet de conclusie kan worden verbonden dat [X.] sedert 30 september 2003 onder de werking van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van bovengenoemde CAO’s valt. 4.19.3. Nu aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek van MN op 4 februari 2004 niet kan worden vastgesteld of [X.] na 30 september 2003 gedurende een of meer dagen, weken, maanden of (premienota)kwartalen is aan te merken als merken als “Werkgever in de Metaal en Technische Bedrijfstakken” dan wel “Werkgever in de Metaal en Techniek, zijn de vorderingen van de Fondsen voor wat betreft de periode na 30 september 2003 niet toewijsbaar. 4.20. Voor het overige geldt mutatis mutandis ook hier hetgeen door het hof is overwogen in rov. 4.11. tot en met 4.14. Het bewijsaanbod van de Fondsen passeert het hof. Aangezien de Fondsen de feiten die relevant zijn voor toewijzing van de vordering over de periode na 30 september 2003 niet hebben gesteld en de feiten die zij wél hebben gesteld niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden, is het bewijsaanbod niet ter zake dienend. 4.21. De grieven 1 tot en met 3, 7 en 11 behoeven na het voorgaande geen bespreking meer. Hetzelfde geldt voor grief 10, die gericht is tegen het oordeel van de kantonrechter, hierboven vermeld onder rov. 4.4.3., en voor de grieven 12 tot en met 15. 4.22. Het beroepen vonnis moet worden vernietigd. De vordering van de Fondsen is gedeeltelijk toewijsbaar voor wat betreft de periode tot en met 30 september 2003, zoals overwogen in rov. 4.9.4. en 4.18.4., en moet voor het overige worden afgewezen. 4.22.1. Nu de hoofdvordering grotendeels wordt afgewezen, wijst het hof de vordering terzake van de buitengerechtelijke kosten af. 4.23. Het hof merkt ter vermijding van misverstanden op dat de gedeeltelijke afwijzing van de vordering van de Fondsen niet impliceert dat daarmee vaststaat dat [X.] sedert 30 september 2003 niet gedurende een of meer tijdvakken onder de werkingssfeer van de bedrijfstakregelingen M&T is gevallen en mogelijk nog valt. Die conclusie kan niet worden getrokken omdat de feitelijke gegevens ontbreken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of [X.] al dan niet onder die werkingssfeer valt. 4.24. Nu de vordering van de Fondsen grotendeels wordt afgewezen, dienen de Fondsen als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg. Nu de grieven van de Fondsen gedeeltelijk slagen en gedeeltelijk falen, zal het hof de kosten van het hoger beroep tussen partijen compenseren zoals in het dictum is vermeld. 5. De uitspraak Het hof: vernietigt het vonnis d.d. 4 oktober 2006, waarvan beroep; en, opnieuw rechtdoende, verklaart voor recht dat [X.] gedurende de periode vanaf 29 oktober 2002 tot en met 30 september 2003 onder de werkingssfeer valt van het verplichtstellingsbesluit en de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de CAO’s, hierboven onder rov. 4.1. sub e genoemd; wijst af het meer of anders gevorderde; veroordeelt de Fondsen in de kosten van het geding in eerste aanleg welke kosten voorzover aan de zijde van [X.] gevallen worden begroot op € 1.400,- wegens salaris van de gemachtigde; compenseert tussen partijen de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Smeenk-Van der Weijden en Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 april 2011.