GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht Uitspraak: 12 april 2011 Zaaknummer: HV 200.072.381/01 Zaaknummer eerste aanleg: 197974 / FA RK 09-4398 in de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant , hierna te noemen: de man, advocaat: mr. C.J.M. Linssen, tegen [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M.M.J.P. Michiels.
- Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 mei
- Het geding in hoger beroep 2.
- Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2010, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zakelijk weergegeven: - de echtscheiding uit te spreken; - met betrekking tot de verdeling van de inboedelgoederen te bepalen dat de vrouw binnen veertien dagen na de door het hof te wijzen beschikking aan de man de door hem opgesomde goederen zal afgeven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor ieder dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft; - te bepalen dat de vrouw aan de man wegens haar aandeel in de schuld aan Netpoint Factoring BV verschuldigd is te betalen een bedrag van € 365,27, althans een bedrag van € 161,81; - het verzoek van de vrouw tot betaling van partneralimentatie alsnog af te wijzen, althans deze op nihil te stellen zolang de echtelijke woning nog niet is verkocht en de man daarvan de lasten draagt, althans de partneralimentatie te bepalen op een bedrag dat niet hoger is dan € 250,- per maand; - de kinderalimentatie te bepalen op € 495,- per kind per maand; - de man een machtiging te verlenen als bedoeld in artikel 3:174 BW tot verkoop van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaatsnaam]; - met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de navolgende regeling vast te stellen: - de minderjarige [A.] verblijft bij de vrouw een weekend per veertien dagen van zaterdagochtend 11.00 uur tot zondagavond 19.00 uur; - de minderjarigen [B.] en [C.] verblijven bij de man een weekend per veertien dagen van zaterdagochtend 11.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, in die zin dat de kinderen ieder weekend bij elkaar zijn, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per keer voor ieder weekend dat de vrouw de regeling niet nakomt, en waarbij [B.] en [C.] worden gehaald door de man en [A.] door de vrouw; - de kinderen verblijven gedurende de helft van alle schoolvakanties en feestdagen samen bij de man respectievelijk bij de vrouw, waarbij geldt dat de regeling voor de ene ouder in het ene jaar, in het daaropvolgende jaar voor de andere ouder geldt en waarbij de invulling van de zomervakantie telkens voor 1 april van ieder jaar geschiedt en deze regeling voor 2011 vast te stellen als door de man aangegeven in zijn brief d.d. 10 februari
- 2.
- Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 oktober 2010, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, dan wel dat beroep af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure. 2.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 februari
- Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de man, bijgestaan door mr. Linssen; - de vrouw, bijgestaan door mr. Michiels; - de Raad voor de Kinderbescherming, hierna: de raad, vertegenwoordigd door mevrouw V.J.M. Boermans. 2.3.
- Het hof heeft de minderjarige [A.] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. 2.
- Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 30 maart 2010; - de brief met bijlagen d.d. 10 februari 2011 van de advocaat van de man.
- De beoordeling 3.
- Partijen zijn op 7 juli 1995 te Grave met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren: - [zoon 1.], hierna: [A.], op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats], - [zoon 2.], hierna: [B.], op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], - [dochter], hierna: [C.], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats]. [A.] heeft het hoofdverblijf bij de man. [B.] en [C.] hebben het hoofdverblijf bij de vrouw. 3.
- Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is, gelet op het appel van de man, ten tijde van de mondelinge behandeling van het hof nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald, zakelijk weergegeven: - dat de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap geschiedt overeenkomstig het bepaalde in r.o. 2.3.5.; - dat de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de Hengel 1 te Grave en het gebruik van de tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand; - dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw een partneralimentatie dient te betalen van € 1.270,- per maand; - dat het hoofdverblijf van [A.] bij de man zal zijn en dat van [B.] en [C.] bij de vrouw; - dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [B.] en [C.] € 495,- per kind per maand dient te betalen; - de navolgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: - de minderjarige [A.] verblijft bij de vrouw gedurende een weekend per veertien van zaterdagochtend 11.00 uur tot zondagavond 19.00 uur en de minderjarigen [B.] en [C.] verblijven bij de man een weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, in die zin dat de kinderen ieder weekend bij elkaar zijn, waarbij de vrouw [B.] en [C.] op zondagavond ophaalt bij de man en het overige vervoer door de man wordt verzorgd. De rechtbank heeft voorts, verkort weergegeven, een regeling voor de vakanties in 2010 vastgesteld. Ten slotte is in de bestreden beschikking bepaald dat inzake het boedelbestanddeel Planned BV en het ouderschapsplan, de zaak is aangehouden tot pro forma 24 juni
- 3.
- De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de echtscheiding, de behoeftigheid van de vrouw, de wijze waarop de kinderalimentatie en de partneralimentatie is berekend alsmede de hoogte daarvan, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De echtscheiding 3.4.
- De man heeft aangevoerd dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht de drie minderjarige kinderen ongelijk heeft behandeld. Hij meent dat de echtscheiding slechts dan definitief kan worden wanneer de gevolgen daarvan voor de drie kinderen niet tot ongelijkheid leidt. De man heeft in zijn beroepschrift verzocht de bestreden beschikking te vernietigen. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. 3.4.
- Het hof overweegt het navolgende. De man heeft in zijn inleidend verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen d.d. 11 augustus 2009 verzocht de echtscheiding uit te spreken, welk verzoek in de bestreden beschikking is toegewezen. De man heeft onder die omstandigheden geen belang bij zijn appel en hij dient op dit punt niet-ontvankelijk te worden verklaard. Grief 1 faalt derhalve. Verdeling zorg- en opvoedingstaken 3.5.
- Uit de stukken en het verhandelde ter zitting, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, is gebleken dat de ouders verdeeld zijn over de wijze waarop inhoud gegeven moet worden aan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Er is al geruime tijd geen omgang meer geweest tussen [A.] en zijn moeder en evenmin tussen de vader (en [A.]) en [B.] en [C.]. De ouders hebben ter zitting verklaard dat de stichting Bureau Jeugdzorg inmiddels in het kader van vrijwillige hulpverlening bij partijen is betrokken, maar dat laat onverlet dat het hof zich ernstig zorgen maakt over de gerezen situatie en de effecten daarvan op de ontwikkeling van de kinderen. Het hof hecht aan een onderzoek door de raad en heeft de raad verzocht, zoals uit voormeld proces-verbaal blijkt, in dat onderzoek de navolgende vragen te beantwoorden: - acht de raad een omgangsregeling haalbaar tussen [A.] en de moeder en tussen de vader en [A.] enerzijds en [B.] en [C.] anderzijds; - op welke wijze moet deze omgangsregeling worden vorm gegeven; - zijn er tijdens het onderzoek nog feiten en omstandigheden naar voren gekomen die naar het oordeel van de raad van belang zijn voor de in deze door het hof te nemen beslissing? De zaak is daarvoor aangehouden pro forma tot 22 april
- De raad heeft inmiddels bericht dat het onderzoek is aangevangen. Behoefte kinderen 3.
- De behoefte van de kinderen aan de vastgestelde onderhoudsbijdrage van € 495,- per kind per maand is in hoger beroep niet in geschil. Kinderalimentatie Alleenstaande norm 3.6.
- De man heeft aangevoerd dat de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de kinderalimentatie een onjuiste berekeningswijze heeft toegepast door bij de draagkrachtberekening uit te gaan van de alleenstaande oudernorm. De man meent dat dit in strijd is met artikel 1: 400 Burgerlijk Wetboek (BW). Door deze onjuiste berekeningswijze heeft de man minder financiële ruimte voor [A.] dan voor [B.] en [C.]. 3.6.
- De vrouw heeft gesteld dat de man op een andere manier voor [A.] onderhoudsplichtig is, nu [A.] bij de man woont. Daarbij heeft de man recht op alleenstaande ouderkorting en aanvullende alleenstaande ouderkorting en op het kindgebonden budget, waarmee het vermeende verschil ruimschoots wordt gecompenseerd. 3.6.
- Het hof is gezien het Tremarapport Alimentatienormen, van oordeel dat bij de berekening van de draagkracht van de man en de vaststelling van de kinderalimentatie (alsmede van de partneralimentatie) de norm voor een alleenstaande dient te worden gehanteerd en de draagkracht in beginsel gelijk moet worden verdeeld over alle kinderen die de draagplichtige ouder moet onderhouden. Dit geldt temeer nu de vrouw niet althans onvoldoende gesteld heeft dat er in de onderhavige zaak bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot een afwijking van de gebruikelijke berekeningsmethodiek. Het hof zal in het onderstaande de draagkracht van de man berekenen met in achtneming van voormeld uitgangspunt. Grief 2 slaagt derhalve. Grief 3 slaagt, gedeeltelijk, waar het de berekening van de partneralimentatie betreft. Partneralimentatie Behoefte en behoeftigheid 3.7.
- Het hof constateert dat geen der partijen een grief heeft gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 2.310,- per maand (bruto), zodat ook het hof daarvan uit zal gaan. 3.7.
- De man heeft echter wel gesteld dat de vrouw door middel van inkomen uit arbeid volledig in de kosten van haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof merkt op dat de rechtbank bij de bestreden beschikking heeft overwogen, dat van de vrouw kan en mag worden verwacht dat zij zich inspant om zo spoedig mogelijk een baan te vinden waarmee zij een inkomen verwerft en waarmee zij, in elk geval voor een deel, in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. In eerste aanleg heeft de vrouw aangegeven daartoe pogingen te zullen ondernemen. De vrouw heeft ter zitting van het hof verklaard dat zij met ingang van 1 juni 2010 als oproepkracht in de dienstverlening werkzaam is waarmee zij een salaris verdient van gemiddeld € 200,- netto per maand. De man heeft het inkomen van de vrouw bij gebrek aan verificatoire gegevens betwist. Het hof overweegt dat het op de weg van de vrouw had gelegen om tijdig stukken in het geding te brengen teneinde openheid van zaken te geven met betrekking tot het werk dat zij doet en het inkomen dat zij daaruit genereert. Nu de vrouw geen enkel stuk in het geding heeft gebracht waaruit haar inkomen valt af te leiden zal het hof in redelijkheid en billijkheid rekening houden met een inkomen van de vrouw gebaseerd op het voor haar geldende wettelijk minimumloon voor een volledige werkweek, te weten afgerond € 1.538,- bruto per maand, inclusief vakantiegeld. Daarbij heeft overigens te gelden dat de vrouw op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk is, bijvoorbeeld vanwege medische of andere beperkingen, zich een dergelijk inkomen te verwerven. De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt derhalve € 772,- bruto per maand. Grief 3 van de man slaagt derhalve in zoverre. 3.7.
- De man heeft voorts nog aangevoerd dat de rechtbank in de bestreden beschikking buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door, kort samengevat, de partneralimentatie vast te stellen met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, terwijl de echtelijke woning nog niet is verkocht en de vrouw voor die situatie in eerste aanleg genoegen heeft genomen met de regeling zoals vastgesteld bij voorlopige voorzieningen en voor welke situatie de vrouw geen partneralimentatie heeft verzocht. Het hof overweegt te dien aanzien dat de vrouw zowel in haar verweerschrift in hoger beroep als ook ter zitting bij het hof uitdrukkelijk heeft aangegeven, dat zij het bedrag dat de rechtbank aan partneralimentatie heeft vastgesteld en de ingangsdatum daarvan heeft gevraagd en ook heeft bedoeld te vragen. Van een zich begeven buiten de rechtsstrijd van partijen is dan ook geen sprake. Voor zover de man daarnaast nog heeft gesteld dat hij nu nog altijd de hypotheekrente en de eigenaarslasten van de echtelijke woning voldoet van € 2.536,- bruto per maand alsmede de partneralimentatie van € 254,- bruto per maand, waarvan de man meent dat dit meer is dan de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw respectievelijk dan de door de vrouw verzochte alimentatie na verkoop van de echtelijke woning, zodat de rechtbank ook om die reden buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, kan het hof die stelling van de man niet volgen. Immers, de kosten die de man ten behoeve van de echtelijke woning voldoet kunnen niet gelden als kosten voor het levensonderhoud van de vrouw. Grief 3 faalt derhalve in zoverre. Draagkracht van de man 3.
- De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. 3.
- Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel. A. Inkomen van de man 3.10.
- De man heeft aangevoerd dat er een keuze gemaakt moet worden tussen de situatie van een uitgebreide omgangsregeling en een werkweek van 36 uur en die van een werkweek van 40 uur met een beperkte omgangsregeling, waarbij de man opteert voor een uitgebreide omgangsregeling en werkweek van 36 uur. Zijn bijbehorende inkomen bedraagt dan € 9.000,- bruto per maand. De vrouw heeft deze stelling van de man gemotiveerd betwist. 3.10.
- Het hof is van oordeel dat van de man verwacht kan worden dat hij zich zijn oorspronkelijke inkomen van € 10.000,- blijft verwerven. Dit gaat weliswaar gepaard met een volledige werkweek, doch gegeven de gezinssituatie van partijen en mede gelet op de zwaarwegende onderhoudsverplichting van de man kan dit van de man worden gevergd, temeer daar hetzelfde van de vrouw wordt verwacht. Het hof laat daarbij tevens meewegen dat de man onvoldoende heeft weersproken dat hij hulp heeft in de huishouding, hetgeen een volledige werkweek temeer rechtvaardigt. In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat verder rekening gehouden moet worden met een dertiende maand en vakantiegeld. Voorts houdt het hof rekening met de navolgende posten die blijken uit de salarisstrook februari 2010: - de pensioenpremie van € 505,12 per maand; - de premie WGA van € 4,87 per maand; - de belaste bijdrage in de ziektekosten van € 18,- per maand. De man heeft recht op de volgende heffingskortingen: - de algemene heffingskorting; - de arbeidskorting; - alleenstaande ouderkorting - aanvullende alleenstaande ouderkorting. Het hof houdt geen rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting nu deze korting slechts geldt voor inwonende kinderen geboren na 31 december 1997, terwijl [A.] is geboren in
- B. Lasten van de man Wwb-normbedrag Conform hetgeen in het vorenstaande bij 3.6.
- is overwogen zal het hof uitgaan van het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Voorts houdt het hof rekening met de navolgende maandlasten: - € 1.100,- aan huur, welke huurlast het hof niet onredelijk acht; en voorts conform de bestreden beschikking: - € 2.351,- aan hypotheekrente; - € 90,- aan verzekeringspremie; - € 95,- aan eigenaarslasten; - € 166,- aan basispremie Zorgverzekeringswet (ZVW); - € 14,- aan verplicht eigen risico; minus € 44,- zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande; - € 68,- ter zake de helft van de inleg van de polis Aegon ten behoeve van de kinderen; - € 146,- ter zake de schuld aan de Defam. Aflossing belastingschulden Het hof houdt rekening met de aflossing op de belastingschulden van € 1.024,- en € 3.012,-, waarop de man maandelijks € 43,- respectievelijk € 126,- aflost, nu deze aflossingen onbetwist betrekking hebben op huwelijkse schulden. Herinrichtingskosten Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde herinrichtingskosten, nu de man de noodzaak daarvan niet heeft aangetoond. Overigens betreft de door de man overgelegde leningsovereenkomst een ‘voorschot’ en niet is gebleken dat de man op de gestelde lening afbetaalt. Huiswerkkosten [A.] Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde kosten van € 135,- per 4 weken voor de huiswerkbegeleiding van [A.], nu deze kosten slechts tijdelijk van aard zijn en niet zodanig bijzonder zijn dat deze de hiervoor vastgestelde behoefte van [A.] te boven gaan. Kosten zorgregeling Gelet op de huidige situatie waarin geen sprake is van omgang met de kinderen, houdt het hof geen rekening met de kosten verbonden aan zorgregeling en derhalve evenmin met reiskosten in dat verband. Het hof overweegt dat, zodra er sprake zal van een omgangsregeling, partijen er alsdan van uit dienen te gaan dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden moet worden met de verblijfkosten verbonden aan de zorgregeling, waarvoor een forfaitair bedrag van € 5,- per kind per dag geldt, alsmede met de aan de zorgregeling verbonden reiskosten. Partijen hebben zich ter zitting akkoord verklaard om alsdan te rekenen met 68 kilometer voor een enkele reis van [plaatsnaam A.] naar [plaatsnaam B.] tegen een vergoeding à € 0,125 per km. Vaststelling van de alimentatie 3.
- Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 7.442,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten: - de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen; - het eigenwoningforfait, welk forfait het hof becijfert op € 2.629,-; - de hypotheekrente betreffende de echtelijke woning van € 2.351,- per maand; alsmede met de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. 3.
- Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 2.577,- per maand. Daarvan is 70 % beschikbaar voor de betaling van kinderalimentatie. Met betrekking tot de voor [B.] en [C.] te betalen onderhoudsbijdragen heeft de man recht op persoonsgebonden fiscale aftrek. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de minderjarigen. Nu is uitgegaan van de Wwb norm voor een alleenstaande houdt het hof voorts rekening met een bedrag van € 495,- per maand die de man voor de kosten van verzorging van [A.] beschikbaar dient te houden. Op deze wijze is de draagkrachtruimte van de man evenredig over de drie kinderen verdeeld. 3.
- Van voormelde draagkrachtruimte heeft de man in beginsel 60 % beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie. Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekeninghoudend met dit te realiseren fiscaal voordeel alsmede rekening houdend met hetgeen is overwogen met betrekking tot de kinderalimentatie in r.o. 3.12., heeft de man een (resterende) draagkracht om € 383,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, aan welk bedrag de vrouw ook behoefte heeft. Grief 3 slaagt derhalve gedeeltelijk. 3.
- Met het betalen van voornoemde onderhoudsbijdragen is de grens van de draagkracht van de man bereikt. Grief 3 van de man slaagt derhalve gedeeltelijk. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap Nagekomen schuld 3.15.
- De man heeft aangevoerd dat hij geconfronteerd is met een verstekvonnis op grond waarvan partijen ter zake van een oorspronkelijke factuur van € 83,13, die betrekking heeft op de beugel van [A.], inmiddels € 406,92 verschuldigd zijn aan Netpoint Factoring. De man is van mening dat hij slechts de helft van het oorspronkelijke factuurbedrag voor zijn rekening dient te nemen en dat de vrouw gehouden is het bedrag van € 365,27 te voldoen, nu de factuur en de gehele incasso is gericht aan het adres van de vrouw en de vordering buiten medeweten van de man is ontstaan en opgelopen. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. 3.15.
- Het hof overweegt dat onbetwist tussen partijen vaststaat dat de factuur voor rekening van beide partijen dient te komen, echter partijen hebben over het verloop van de incasso uiteenlopende lezingen. Het hof is van oordeel dat partijen in redelijkheid, ieder voor de helft, de vordering van Netpoint Facturing voor hun rekening dienen te nemen. Inboedelgoederen 3.16.
- De man heeft aangevoerd dat hij alsnog een aantal inventarisstukken toebedeeld wenst te krijgen. De vrouw heeft gesteld dat partijen nog overleg dienen te voeren over de verdeling van de inboedelgoederen. 3.16.
- Het hof overweegt dat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft overwogen dat niet in geschil is dat de verdeling van inboedelzaken in onderling overleg, zonder enige verrekening zal plaatsvinden. In hetgeen de man thans in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet het hof onvoldoende aanleiding om daarvan af te wijken. Grief 6 faalt derhalve. Machtiging op grond van artikel 3:174 BW 3.17.
- De man heeft aangevoerd dat hij sinds juni 2009 tracht de vrouw ertoe te bewegen om mee te werken aan de verkoop van de echtelijke woning aan de [adres] te [postcode] [plaatsnaam] en dat de vrouw oneigenlijke argumenten aanvoert op grond waarvan zij haar medewerking niet verleent. De vrouw heeft zelf een makelaar voor de verkoop, de heer [Z.], aangewezen, maar vervolgens de makelaar de toegang tot de woning geweigerd. Na de mondelinge behandeling wijziging voorlopige voorzieningen d.d. 13 januari 2010, heeft in een viergesprek met partijen en hun advocaten plaatsgevonden. In dat gesprek hebben partijen afgesproken dat de vrouw de verkoopopdracht aan makelaar [Z.] zou ondertekenen, aan welke afspraak de vrouw zicht niet heeft gehouden. De vrouw heeft de verkoopopdracht nog immer niet getekend. De man heeft ten slotte gesteld dat de vrouw niet hoeft te vrezen voor een eventuele benadeling bij verkoop van de woning, nu de man er zelf alle belang bij heeft om een zo goed mogelijke verkoopprijs van de echtelijke woning te genereren. En ook met een machtiging kan de man de vrouw informeren over de eventuele verkoopvorderingen. 3.17.
- De vrouw heeft aangevoerd dat zij op zoek is naar geschikte andere woonruimte voor haar en de kinderen, waarin zij tot heden niet is geslaagd. De vrouw is ervan overtuigd dat de man de echtelijke woning buiten haar medeweten en per ommegaande zal verkopen, mogelijk zelfs met verlies, teneinde de vrouw dwars te zitten. De vrouw heeft aangegeven dat zij zal meewerken aan de verkoopopdracht wanneer er duidelijkheid bestaat over vervangende woonruimte en de overige zaken verbonden aan de echtscheiding. 3.17.
- Het hof overweegt het navolgende. In artikel 1:374 BW is bepaald dat de rechter die ter zake van een vordering tot verdeling bevoegd zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig is, een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen kan machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat tussen partijen vast staat dat geen van beiden de woning toebedeeld wenst te krijgen en dat de woning moet worden verkocht. De man heeft ter zitting verklaard dat er een forse onderwaarde in de woning zit, hetgeen de vrouw heeft bevestigd. Voorts heeft de man onbetwist gesteld dat er na de mondelinge behandeling (wijziging) voorlopige voorzieningen d.d. 13 januari 2010 een viergesprek in het bijzijn van de advocaten heeft plaatsgevonden waarin de afspraak is gemaakt dat de vrouw de verkoopopdracht aan de makelaar zou tekenen. Het hof stelt vast dat de vrouw die verkoopopdracht aan de makelaar tot heden niet heeft getekend. Het hof overweegt dat bij beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 15 juli 2009 is bepaald dat de vrouw het voorlopig voortgezet gebruik heeft van de echtelijke woning. Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de vrouw de echtelijke woning mag blijven gebruiken gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt verder dat de man sinds juli 2009 de volledige hypotheeklast en de premie levensverzekeringen betaalt, alsmede de eigenaarslasten die aan de echtelijke woning zijn verbonden. Ook is gebleken dat de vrouw voor het gebruik van woning geen enkele vergoeding aan de man betaalt, terwijl zij het volledige genot van de woning heeft. Ten slotte overweegt het hof dat de door de man betaalde hypotheekrente tot medio juli 2011 aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting. Met ingang van die datum verstrijkt de door de fiscus gestelde termijn ter zake de aftrekbaarheid en zal vanaf die datum de hypotheekrente niet langer aftrekbaar zijn. De doorbetaling van de hypotheekrente zal alsdan zwaarder drukken op de draagkracht van de man. Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er sprake is van voldoende gewichtige redenen op grond waarvan een machtiging op grond van artikel 3:174 BW aan de man kan worden verleend om de echtelijke woning te gelde te maken, echter onder de voorwaarde: - dat de verkoopprijs niet lager zal zijn dan 10% van de door een makelaar getaxeerde huidige waarde in het economisch verkeer; en - dat levering van de onroerende zaak zal geschieden met inachtneming van de termijn van het voorlopig voortgezet gebruik van de woning door de vrouw zoals dat bij de bestreden beschikking is bepaald. Het hof gaat er vanuit dat de vrouw haar volledige medewerking zal verlenen aan bezichtiging van de woning en aan overige aan de verkoop van de woning verwante activiteiten. Grief 5 van de man slaagt in zoverre. Proceskosten 3.
- Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding in het door de vrouw gesteld om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd. 3.
- Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.
- De beslissing Het hof: verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep met betrekking tot de echtscheiding; vernietigt de beschikking van de rechtbank s'-Hertogenbosch van 26 mei 2010, voor zover het betreft de partneralimentatie, en opnieuw rechtdoende: veroordeelt de man om vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw voor haar levensonderhoud te betalen een bedrag van € 383,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verleent de man een machtiging als bedoeld in artikel 3:174 lid 1 Burgerlijk Wetboek, onder de voorwaarde: - dat de verkoopprijs niet lager zal zijn dan 10% van de door een makelaar getaxeerde huidige waarde in het economisch verkeer; en - dat levering van de onroerende zaak zal geschieden met inachtneming van de termijn van het voorlopig voortgezet gebruik van de woning door de vrouw zoals dat bij de bestreden beschikking is bepaald. bepaalt dat ieder der partijen, ieder voor de helft, dient bij te dragen in de schuld aan Netpoint Facturing; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; houdt de beslissing met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aan tot 22 april 2011; compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Smeenk-van der Weijden en Brants en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2011.