GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht Uitspraak: 12 april 2011 Zaaknummer: HV 200.077.753/01 Zaaknummer eerste aanleg: 179510 / FA RK 08-4417-2 in de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. A.A.M. Olde Loohuis, tegen [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de vader, advocaat: mr. B.G.M. de Ruijter, hierna tezamen te noemen: de ouders. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 27 augustus 2010. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 november 2010, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de inleidende zelfstandige verzoeken van de vader alsnog af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 januari 2011, heeft de vader verzocht de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar grieven af te wijzen als ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, desgewenst onder verbetering of aanvulling van de gronden. 2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 4 maart 2011, heeft de stichting zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de moeder, bijgestaan door mr. Olde Loohuis; - de vader, bijgestaan door mr. Y.E.Y. Vermeulen, kantoorgenoot van mr. De Ruijter; - de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mr. H. Werger; - Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de stichting), vertegenwoordigd door de heer S. Smit. 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 23 februari 2011; - de stukken van de stichting, ontvangen op 25 februari 2011. 3. De beoordeling 3.1. De ouders hebben van april 2005 tot (omstreeks) eind mei 2008 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn geboren: - [Zoon A.] (hierna: [A.]), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats], - [Zoon B.] (hierna: [B.]), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats]. [A.] en [B.] zijn door de vader erkend. [A.] en [B.] hebben het hoofdverblijf bij de moeder. [A.] en [B.] staan sinds 19 april 2010 onder toezicht van de stichting. 3.2. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de ouders gezamenlijk met het gezag over [A.] en [B.] belast en een zorgregeling vastgesteld, waarbij de vader de eerste zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de beschikking gerechtigd is tot omgang met [A.] en [B.] van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur en na zes maanden, te rekenen vanaf de datum van de beschikking van vrijdag 15:00 uur (na schooltijd) tot zondag 17:00 uur, alsmede gedurende de helft van de feestdagen en de helft van de schoolvakanties. 3.3. De moeder kan zich met voormelde beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.4. De moeder voert in haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – het volgende aan. Ten aanzien van de beslissing van de rechtbank om de ouders met het gezamenlijk gezag over [A.] en [B.] te belasten (grief 1): 3.4.1. De moeder is van mening dat het verzoek van de vader om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten, alsnog moet worden afgewezen, omdat [A.] en [B.] – naar ook de raad in zijn rapportage aangeeft – klem zitten tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Daarnaast is het niet in het belang van [A.] en [B.] om de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. De ouders kunnen niet communiceren met elkaar en de moeder heeft geen vertrouwen in de vader. Ten aanzien van de vastgestelde zorgregeling (grief 2): 3.4.2. De moeder is van mening dat er onvoldoende aandacht is (geweest) voor de zorgen die zij over de omgang van de vader met [A.] en [B.] (heeft ge)uit. De moeder heeft in het verleden meerdere malen geconstateerd dat de vader de kinderen tijdens de omgang onvoldoende verzorgt. Verder zijn [A.] en [B.] na de omgang erg onrustig. Het duurt een week alvorens [A.] weer normaal functioneert. Volgens de kinderen oefent de vader psychische druk op hen uit. Het lijkt er verder op dat de vader de kinderen met de problemen tussen de ouders belast. Gezien bepaalde uitlatingen van [A.] en [B.] heeft de moeder inmiddels een tweede melding bij de zedenpolitie gedaan. De moeder zou graag zien dat de vader het recht op omgang met [A.] en [B.] wordt ontzegd, althans dat wordt bepaald dat de omgang van de vader met [A.] en [B.] onder begeleiding dient plaats te vinden. 3.5. De vader voert in zijn verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – het volgende aan. Ten aanzien van de eerste grief van de moeder: 3.5.1. De vader bestrijdt dat [A.] en [B.] klem of verloren raken tussen de ouders wanneer de ouders tezamen het gezag over [A.] en [B.] uitoefenen. De moeder wil de communicatie tussen de ouders niet op gang brengen, getuige het feit dat zij niet schrijft in het schriftje dat de vader met dit doel heeft geïntroduceerd. De vader acht het van belang dat ook hij het gezag over [A.] en [B.] verkrijgt, teneinde zicht te kunnen houden op de hulpverlening die ten behoeve van [A.] en [B.] wordt ingeschakeld. De vader wenst tevens betrokken te worden bij het nemen van belangrijke beslissingen die [A.] en [B.] betreffen. De rapportage van de raad is voldoende duidelijk en de raad geeft daarin uitdrukkelijk aan dat er geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag zijn. Ten aanzien van de tweede grief van de moeder: 3.5.2. De vader is van mening dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling juist is en dat deze in het belang van de kinderen is. [A.] en [B.] zeggen tegen de vader dat zij het fijn bij hem vinden en hij merkt dit ook aan hen. Er is uitgebreid aandacht besteed aan de zorgen die zowel de moeder als de vader heeft geuit. De vader heeft nog steeds ernstige zorgen over de opvoedingssituatie bij de moeder. [A.] en [B.] zijn doodmoe wanneer de vader hen ophaalt voor de omgang. De kinderen slapen bij hem dertien tot vijftien uur achtereen. De vader spreekt alle aantijgingen van de moeder aan zijn adres uitdrukkelijk tegen. Uit filmbeelden van de omgangscontacten van de vader met [A.] en [B.], gemaakt door de gezinsbegeleidster van de vader, is niet van contra-indicaties voor omgang gebleken. Een medewerker van de zedenpolitie heeft de vader bij navraag te kennen gegeven de – naar de mening van de vader onterechte – melding van de moeder terzake de vader niet serieus te nemen, anders had de zedenpolitie wel maatregelen jegens de vader getroffen. 3.6. De stichting voert in haar verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – aan dat zowel de moeder als de vader pedagogisch vaardig is. Bij de ouders thuis zijn noch door de stichting, noch door andere professionele derden situaties waargenomen die wijzen op onveiligheid van [A.] en [B.]. De omgang van de vader met [A.] en [B.] is inmiddels, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, uitgebreid tot een reguliere omgangsregeling. De vader haalt de kinderen op vrijdagmiddag aan de woning van de moeder op. [A.] en [B.] zijn onder de indruk van de spanning die er tussen de ouders heerst bij de wisselmomenten. [A.] en [B.] vertonen verder geen afwijkend gedrag. De hulpverlening heeft geconstateerd dat [A.] en [B.] last hebben van de verstoorde communicatie van de ouders. De stichting streeft er in het belang van [A.] en [B.] naar de ouders zover te brengen dat zij op een behoorlijke wijze met elkaar communiceren. 3.7. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het hoger beroep van de moeder moet worden afgewezen. Er zijn naar de mening van de raad geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag en omgang. [A.] en [B.] hebben veel last van de bestaande situatie, maar zij zitten niet klem in de zin van artikel 1:253c lid 2, aanhef en sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De constatering van de raad op pagina 9 van zijn rapport dat [A.] en [B.] klem zitten tussen de ouders is – anders dan de moeder meent – derhalve niet in strijd met de conclusie van de raad in zijn rapport dat er geen risico is dat de kinderen klem raken tussen de ouders. Het klem zitten van de kinderen is geen reden om de vader het gezag over hen te onthouden. Door middel van de ondertoezichtstelling kan daaraan worden gewerkt. 3.8. Het hof overweegt het volgende. Ten aanzien van het gezag 3.8.1. Ingevolge artikel 1:253c BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.