GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.048.461 arrest van de achtste kamer van 19 april 2011 in de zaak van !GO B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, advocaat: mr. D.J.A. Smit, tegen: [X.], gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. E. Bakhuis, op het bij exploot van dagvaarding van 10 september 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 8 juli 2009 tussen appellante - !GO - als eiseres in conventie en verweerster in reconventie en geïntimeerde - [X.] - als gedaagde in conventie en eiser in reconventie. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 180297/HA ZA 07-1588) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Blijkens daarvan opgemaakte akte zijn op 25 januari 2010 door mr. J.P.F.W. van Eijck, advocaat te Eindhoven, in onderhavige zaak zeven ordners met daarin het volledige strafdossier van [X.] ter griffie van het hof gedeponeerd. 2.2. Bij memorie van grieven heeft !GO, onder overlegging van drie producties (genummerd 3 tot en met 5) elf grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vorderingen en tot afwijzing van de vorderingen van [X.] in reconventie, met veroordeling in conventie en in reconventie van [X.] in de kosten van de procedure in beide instanties. 2.3. Bij memorie van antwoord heeft [X.], onder overlegging van vijf producties, de grieven bestreden. 2.4. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, !GO door mr. Smit en [X.] door mr. Bakhuis. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. 2.5. Partijen hebben vervolgens uitspraak gevraagd, waarbij zij zich ermee akkoord hebben verklaard dat recht zal worden gedaan op basis van de door !GO op voorhand in kopie toegezonden processtukken. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.1.1. !GO, voorheen WAVA Beheermaatschappij B.V. (hierna: WAVA), bestaat in het kader van de uitvoering van de Wet Sociale Werkvoorziening (hierna: WSW). Enig aandeelhouder van !GO is de Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Arbeid voor Allen (hierna ook: de Gemeenschappelijke Regeling), waaraan voor de uitvoering van hun WSW-taak deelnemen de gemeenten Oosterhout, Geertruidenberg, Drimmelen, Werkendam, Woudrichem en Aalburg. 4.1.2. Op 1 mei 2002 is [X.] als werknemer in dienst getreden bij WAVA (!GO) in de functie van algemeen (statutair) directeur tegen een salaris van € 9.000,-- bruto per maand. De arbeidsovereenkomst d.d. 12 april 2002 voorzag in een duur van vijf jaar en zou derhalve van rechtswege eindigen op 1 mei 2007 (productie 5 bij inleidende dagvaarding). 4.1.3. !GO heeft een Raad van Commissarissen (hierna: RvC), waarvan de heer [Y.] voorzitter was. Bij besluit van 4 juli 2003 (productie 3 bij conclusie van repliek in conventie, tevens vermeerdering van eis/conclusie van antwoord in reconventie) heeft de RvC besloten de arbeidsovereenkomst van [X.] voor bepaalde tijd om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 4.1.4. Artikel IV van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt: “Het aanvangssalaris bedraagt bij indiensttreding € 9.000,00 bruto per maand. Op dit salaris is de inflatiecorrectie conform de nog vast te stellen “Arbeidsvoorwaardenregeling personeel WAVA Beheermaatschappij BV” van toepassing.” Het ‘Arbeidsvoorwaardenpakket’ van WAVA (overgelegd als productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie) dateert van oktober 2002. 4.1.5. Artikel V van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt: “Voor de werknemer is de volgende bonusregeling van toepassing: over het eerste dienstjaar € 12.000,00; over het tweede dienstjaar € 18.000,00; over het derde dienstjaar € 24.000,00; over het vierde en vijfde dienstjaar maximaal 25% van het jaarsalaris (zijnde 12 x bruto-maandsalaris, vermeerderd met de vakantietoeslag). De beoordeling of de bonus wordt toegekend vindt jaarlijks achteraf plaats voor de Raad van Commissarissen, voor het eerst op 1 mei 2003. De criteria voor de toekenning van de bonussen worden ontleend aan de “Meetpuntennotitie algemeen directeur WAVA” d.d. 31-12-2001 die aan de werknemer is overhandigd. De definitieve criteria voor de eerste beoordelingsperiode zullen 3 maanden na indiensttreding worden vastgesteld.” 4.1.6. Artikel X van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt: “Het verlof bedraagt 216 uur per kalenderjaar.” Per jaar had [X.] recht op 27 vakantiedagen. 4.1.7. Artikel XII van de arbeidsovereenkomst luist als volgt: “De werknemer ontvangt een bruto tegemoetkoming in de kosten van de ziektekostenverzekering van 50% van de premie zonder maximum.” 4.1.8. Bij besluit van 7 juli 2006 van de RvC van !GO, overgelegd als productie 1 bij inleidende dagvaarding, is [X.] in de uitoefening van zijn functie als statutair directeur van !GO, alsmede als werknemer van !GO met onmiddellijke ingang geschorst, met behoud van salaris. Blijkens het besluit zou [X.] op ontoelaatbare wijze gelden van de vennootschap hebben ontvreemd voor persoonlijk gewin en zou hij daaromtrent aan de commissarissen leugenachtige verklaringen hebben afgelegd. 4.1.9. Bij besluit van 17 juli 2006 heeft de (buitengewone) Algemene Vergadering van Aandeelhouders van !GO (hierna: de AVA) [X.] als statutair directeur van !GO met onmiddellijke ingang ontslagen. 4.1.10. In augustus 2006 heeft !GO Ernst & Young Security & Integrity Services B.V., hierna Ernst & Young, verzocht om een onderzoek uit te brengen. Doel van het onderzoek was: “Het in kaart brengen van de feiten en omstandigheden met betrekking tot verantwoorde creditcardbetalingen, declaraties, uitbetaalde vakantie-uren, autogerelateerde betalingen en salarisgerelateerde betalingen van de heer [X.], teneinde de opdrachtgever in de gelegenheid te stellen een afweging te kunnen maken omtrent mogelijke corrigerende maatregelen, waaronder mede begrepen (juridische) vervolgacties.” 4.1.11. Bij beschikking van 29 december 2006 (productie 1 bij conclusie van antwoord/eis in reconventie) heeft de rechtbank Breda op verzoek van !GO de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2007 ontbonden. Aan [X.] is geen vergoeding toegekend. 4.1.12. Op 3 augustus 2007 heeft Ernst & Young haar rapport met bevindingen overgelegd (productie 4 bij inleidende dagvaarding). 4.1.13. Bij vonnis van 25 november 2009 (LJN: BK4393) heeft de rechtbank Breda in de strafzaak tegen [X.], kort gezegd, bewezen geacht dat [X.] in de periode van 1 juli 2002 tot en met 7 juli 2007 opzettelijk girale gelden (tot een totaal van € 27.725,58) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend en hem veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur (productie 3a bij memorie van grieven). Dit vonnis had ten tijde van het pleidooi in hoger beroep nog geen kracht van gewijsde. 4.2.1. !GO heeft in eerste aanleg bij exploot van dagvaarding van 20 september 2007 [X.] gedagvaard voor de rechtbank te Breda. !GO heeft na vermeerdering van eis gevorderd, zakelijk weergegeven, [X.] te veroordelen tot voldoening aan !GO van: I. een bedrag van € 2.512,-- zijnde hoofdsom en rente tot en met 1 september 2007, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 2.264,-- vanaf 1 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening; een bedrag van € 19.412,--, zijnde hoofdsom en rente tot en met 1 september 2007, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 17.820,-- vanaf 1 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening; een bedrag van € 18.358,--, zijnde hoofdsom en rente tot en met 1 september 2007, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 16.524,-- vanaf 1 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, waarbij de als hoofdsom genoemde bedragen door [X.] ten onrechte genoten salarisverhogingen betreffen; II. een bedrag van € 58.695,16 uit hoofde van ten onrechte ontvangen gratificaties/ bonussen/13de maand (het hof begrijpt: gratificaties/13de maand), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2007 over de hoofdsom van € 51.692,-- tot aan de dag der algehele voldoening; III. de hieronder staande bedragen, gebaseerd op ten onrechte toegekende bonussen: € 13.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf januari 2004 tot aan de dag der algehele voldoening; € 13.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf april 2005 tot aan de dag der algehele voldoening; € 40.583,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf januari 2006 tot de dag der algehele voldoening; € 35.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening; IV. een bedrag van € 11.400,--, zijnde ten onrechte (teveel) genoten onkostenvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 6.200,-- per 6 december 2004 en vanaf 1 januari 2005 met ingang van iedere maand dat het bedrag van € 200,-- teveel is betaald, tot aan de dag der algehele voldoening; V. een bedrag van € 31.540,32 vanwege ten onrechte uitbetaalde vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover sedert mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening; VI. een bedrag van € 14.503,67 in verband met een ten onrechte uitgekeerde verhoging van de bijdrage ziektekostenverzekering, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de verschillende bedragen zijn genoten, tot aan de dag der algehele voldoening; VII. een bedrag van € 3.420,94 bruto in verband met teveel ontvangen loon, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover sedert 1 maart 2007 tot aan de dag der algehele voldoening; VIII. een bedrag van € 22.825,86 zijnde zakelijk geboekte privékosten die ook door [X.] zijn erkend; IX. een bedrag van € 6.728,33, zijnde zakelijke geboekte privékosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover sedert 3 februari 2004 tot aan de dag der algehele voldoening; X. een bedrag van € 93.892,--, zijnde de kosten verbonden aan de rapportage van Ernst & Young, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; toewijzing van dit alles, zonodig onder compensatie van het bedrag ad € 411,13 dat [X.] toekomt uit hoofde van de eindafrekening; XI. een bedrag van € 1.152,46, ter zake van gemaakte beslagkosten, met veroordeling van [X.] in de kosten van de procedure. 4.2.2. !GO heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd de stelling dat [X.] als bestuurder de hem opgedragen taken niet behoorlijk heeft vervuld (zie artikel 2:9 BW). Voorts heeft !GO haar vorderingen gebaseerd op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW). !GO heeft (ongewild) ‘een goed’ (lees: geld) zonder rechtsgrond aan [X.] voldaan. Verder heeft !GO betoogd dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). [X.] is ongerechtvaardigd verrijkt (aan de betalingen ligt namelijk geen geldige titel ten grondslag), zodat datgene wat hij heeft ontvangen, terugbetaald dient te worden (dat staat immers gelijk aan het bedrag van zijn verrijking). Ook kan worden gesteld dat [X.] ten opzichte van !GO een onrechtmatige daad heeft gepleegd. [X.] heeft, door te handelen zoals hij heeft gedaan, op onregelmatige wijze gelden aan !GO onttrokken. Er was geen rechtvaardigingsgrond aanwezig en de onrechtmatige daad kan aan [X.] worden toegerekend, nu zij te wijten is aan zijn schuld of in elk geval naar de in het verkeer geldende opvatting voor zijn rekening komt, aldus !GO. 4.2.3. [X.] heeft tegen de vorderingen van !GO verweer gevoerd en gesteld dat hij als gevolg van de lastercampagne van !GO schade heeft geleden. [X.] heeft deze schade als volgt gespecificeerd: - per 1 februari 2007 heeft [X.] noodgedwongen een betrekking geaccepteerd met fors slechtere arbeidsvoorwaarden dan hij bij !GO genoot; de schade over 2007 bedroeg: € 40.700,--; - het ontbreken van een dertiende maand ‘kost’ nog eens € 10.800,--; - de geschatte imagoschade bedraagt ten minste € 25.000,--; - [X.] heeft advocaatkosten dienen te maken ad € 39.000,--, verhoogd met BTW: € 46.410,- [X.] op zijn beurt heeft in reconventie dan ook gevorderd !GO te veroordelen aan [X.] ten titel van schadevergoeding te voldoen (in totaal) € 122.910,-- verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van de conclusie van eis in reconventie, alsmede !GO te veroordelen aan [X.] een salarisspecificatie te verstrekken met betrekking tot de eindbetaling van vakantiegeld over de periode juni 2006 tot en met januari 2007 en !GO te veroordelen aan [X.] te voldoen ten titel van 52 niet-genoten vakantiedagen het bedrag van € 27.223,15, op welke bedragen in mindering strekt één maandsalaris, [X.]s aanspraken verhoogd met de verhoging ex artikel 7:625 BW respectievelijk artikel 18c Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag (WML), verhoogd met de wettelijke rente alsmede !GO in conventie en in reconventie te veroordelen in de kosten van het geding. 4.2.4. De rechtbank heeft bij vonnis van 8 juli 2009, waarvan beroep, in conventie [X.] veroordeeld om aan !GO te betalen het bedrag van € 10.889,-- uit hoofde van ten onrechte ontvangen gratificatie, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 september 2007 tot de dag der voldoening. In reconventie heeft de rechtbank !GO veroordeeld aan [X.] te betalen: - € 50.368,-- ter zake inkomensschade, - € 25.000,-- ter zake imagoschade, - € 1.788,-- ter zake advocaatkosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze afzonderlijk genoemde bedragen vanaf 9 januari 2008 tot de dag der voldoening; - € 12.696,83 netto vanwege openstaande vakantiedagen, vermeerderd met de verhoging ex artikel 7:625 BW juncto artikel 18c WML en de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 maart 2007 tot de dag der voldoening. Ten slotte heeft de rechtbank !GO veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie aan de zijde van [X.] gevallen. De vordering tot het overleggen van de salarisspecificatie heeft de rechtbank afgewezen nu deze salarisspecificatie in de procedure door !GO werd overgelegd. 4.3. In hoger beroep heeft !GO haar vorderingen op enkele onderdelen gewijzigd. !GO heeft enerzijds haar in rechtsoverweging 4.2.1 vermelde vordering sub VII verminderd tot een bedrag van € 1.472,41 en anderzijds haar eis vermeerderd, in die zin dat zij thans tevens de veroordeling van [X.] vordert om aan !GO een bedrag van € 27.000,-- te betalen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente tot aan het moment van voldoening, op de gronden als opgenomen in het in de strafzaak tegen [X.] gewezen vonnis van de rechtbank Breda van 25 november 2009. 4.4. !GO kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat [X.] aan !GO een bedrag dient te betalen van € 10.889,-- uit hoofde van ten onrechte ontvangen gratificatie, vermeerderd met wettelijke rente. In de andere beslissingen van de rechtbank kan !GO zich evenwel niet vinden. !GO heeft tegen het bestreden vonnis elf grieven aangevoerd. Met de eerste grief komt !GO op tegen het oordeel van de rechtbank dat [X.] zich terecht, wat betreft de periode 2002 tot en met 2005, op rechtsverwerking aan de zijde van !GO kan beroepen. Grief II, III, IV, IX en X betreffen achtereenvolgens aan [X.] uitbetaalde gratificaties, bonusbedragen en vakantiedagen. Grief V betreft de beslissing van de rechtbank waarbij het ter zake het rapport Ernst & Young door !GO gevorderde bedrag van € 93.892,-- is afgewezen. De grieven VI, VII en VIII betreffen de vraag of [X.] door !GO in zijn goede naam is geschaad en !GO aan [X.] de daardoor door hem geleden schade dient te vergoeden, alsmede de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de door [X.] gevorderde inkomensschade, imagoschade en de openstaande vakantiedagen. Grief XI betreft de proceskosten. Rechtsverwerking (grief I) 4.5.1. In eerste aanleg heeft [X.] ten verwere een beroep gedaan op rechtsverwerking. Hij heeft betoogd dat alle betalingen aan hem steeds deel hebben uitgemaakt van vastgestelde, goedgekeurde jaarstukken, ten aanzien waarvan aan hem over de jaren 2002 tot en met 2005 décharge is verleend. De rechtbank heeft dit verweer gehonoreerd. Grief I is tegen dit oordeel gericht. Ter toelichting op deze grief stelt !GO dat ingevolge artikel 2.9 BW de bezoldiging (het salaris c.a.) van de statutair bestuurder/ directeur in de jaarstukken moeten zijn opgenomen en dat dit achterwege kan blijven indien de opgave kan worden herleid tot een enkele natuurlijke persoon. In de periode 2002 tot aan het ontslag van [X.] als bestuurder in juli 2006 is slechts sprake geweest van één bestuurder, zijnde [X.]. In de jaarrekeningen over de jaren 2002 tot en met 2006 is gebruik gemaakt van de wettelijke uitzondering op de verplichting om de bezoldiging van de bestuurder separaat in de jaarrekening op te nemen. In geen van die jaarrekeningen is derhalve de bezoldiging van de bestuurder separaat opgenomen, zodat de overweging van de rechtbank dat de betreffende betalingen aan [X.] in de jaarstukken zijn opgenomen en daaruit redelijkerwijs zijn af te leiden, onjuist is. Voorts was de RvC, in tegenstelling tot hetgeen [X.] heeft gesteld, niet op de hoogte van een reeks van betalingen met betrekking tot de posten salarisverhogingen, gratificaties, bonussen, voorschotbetalingen en vaste onkostenvergoeding, die in deze procedure aan de orde zijn. 4.5.2. Het hof overweegt als volgt. 4.5.3. Voor het aannemen van een beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. 4.5.4. Naar het oordeel van het hof vormen voormelde vastgestelde en goedgekeurde jaarrekeningen alsmede het feit dat [X.] décharge is verleend ten aanzien van het door hem in de jaren 2002 tot en met 2005 gevoerde beleid niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. Uit de betreffende jaarrekeningen blijkt niet de omvang van het salaris van [X.] (de enige bestuurder van !GO) noch van de overige aan hem verrichte betalingen. In de genoemde jaarrekeningen is namelijk telkens opgenomen: “Aangezien er maar één bestuurder is benoemd is het niet noodzakelijk verdere gegevens ten aanzien van het genoten salaris te verstrekken.” In dat verband is het duidelijk dat de post personeelskosten en de uitsplitsing daarvan in de onderscheiden jaarrekeningen geen inzicht geeft in de omvang van aan [X.] ter zake salaris en anderszins in de jaren 2002 tot en met 2005 verrichte betalingen, terwijl ook anderszins uit de jaarrekeningen daar niet van blijkt. Door de genoemde jaarrekeningen vast te stellen en goed te keuren en [X.] décharge te verlenen ter zake het door hem over de genoemde jaren gevoerde beleid heeft !GO niet haar rechten jegens [X.] verwerkt. !GO was immers op basis van genoemde jaarrekeningen niet op de hoogte van de omvang van de aan [X.] gedane specifieke betalingen (alleen van een totaalbedrag aan lonen en salarissen) en kon dat ook redelijkerwijs niet zijn. 4.5.5. Bij memorie van antwoord heeft [X.] ten aanzien van de totstandkoming van de jaarrekeningen betoogd dat vaststaat dat de financieel directeur en de manager finance en control en tal van financiële medewerkers van !GO kennis hebben genomen van een groot aantal salarisgerelateerde betalingen aan [X.] en dat !GO van deze betalingen aan [X.] specificaties heeft verstrekt. Voorts heeft [X.] betoogd dat hij overleg had met de voorzitter van de Gemeenschappelijke Regeling (zie rechtsoverweging 4.1.1), afzonderlijke wethouders van de deelnemende gemeenten, de commissies van de zes deelnemende gemeenteraden, de hoofden van de afdeling financiën van de gemeenten en de hoofden van de afdelingen welzijn/maatschappelijke zorg. Daarbij kwam, zo stelt [X.], dat de heer [Z.], wethouder en bestuurder van de Gemeenschappelijke Regeling, tevens lid was van de RvC. De concept-jaarrekening werd ook besproken met de RvC. !GO heeft een en ander gemotiveerd weersproken. Naar het oordeel van het hof kan uit dit alles, anders dan [X.] stelt, niet worden geconcludeerd dat de RvC, als het gezien de door [X.] vervulde functie van statutair directeur daarvoor in aanmerking komende orgaan van !GO, op de hoogte was van de thans aan de orde zijnde betalingen. Daarvoor is de stelling van [X.] te weinig gedetailleerd. 4.5.6. [X.] heeft nog bepleit dat iedere specificatie, salarisspecificatie, jaaropgave, specificatie met betrekking tot gratificatie, bonus ‘en ga zo maar door’, welke is opgesteld door de vennootschap en gecontroleerd door verschillende accountantskantoren evenzeer het bewijs vormt van een andersluidende of gewijzigde afspraak met betrekking tot de overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Het hof passeert deze stelling als onvoldoende onderbouwd, nu niet is gebleken dat de bedoelde administratieve bescheiden daadwerkelijk ter kennis van de RvC kwamen. Uit het voorgaande volgt voorts dat het hof geen termen aanwezig acht om de gevolgen van de overeenkomst met !GO op de voet van artikel 6:248 BW te wijzigen, zoals door [X.] bepleit. 4.5.7. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat het beroep op rechtsverwerking van [X.] faalt. Dit betekent dat de eerste grief slaagt en dat de vorderingen van !GO ook over de jaren 2002 tot en met 2005 dienen te worden beoordeeld. Verjaring 4.6.1. Het slagen van grief I brengt mee dat het hof de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen. 4.6.2. Als meest verstrekkend verweer heeft [X.] in eerste aanleg een beroep gedaan op verjaring. [X.] heeft aangevoerd dat !GO haar vordering heeft ingesteld bij dagvaarding van 20 september 2007 en dat voor zover !GO op onderdelen betaling van [X.] vordert van bedragen ontvangen langer dan vijf jaar geleden, [X.] zich (ook) op verjaring beroept. 4.6.3. Dit verweer faalt. Het was aan [X.], als degene die zich op verjaring beroept, om te stellen dat !GO (dat wil zeggen: het daarvoor in de rechtsverhouding !GO-[X.] komende orgaan, de RvC) eind september 2002 ook daadwerkelijk bekend was met de onverschuldigde betaling en/of de door haar geleden schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. [X.] heeft dat evenwel niet gesteld en heeft daarmee zijn verweer onvoldoende onderbouwd. 4.6.4. Het hof zal hierna de diverse vorderingen van !Go bespreken en daarbij ook de op die vorderingen betrekking hebbende grieven beoordelen. Ten slotte bespreekt het hof de grieven van !GO die betrekking hebben op het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de reconventionele vordering van [X.]. Salarisverhogingen 4.7.1. Blijkens mededelingen van mr. Smit bij pleidooi zijn de ter zake salarisverhogingen door !GO gevorderde bedragen bruto-bedragen. 4.7.2. !GO heeft in eerste aanleg terugbetaling gevorderd van door [X.] teveel ontvangen salaris. Zij vordert (ook thans, in hoger beroep) allereerst een bedrag in hoofdsom van € 2.512,--. In mei 2003 is op basis van de inflatiecorrectie het salaris van [X.] met 2,5% verhoogd. Dit is, zo stelt !GO 0,5% meer dan op basis van de aanpassing van de gemeentelijke salarisbedragen toegestaan zou zijn geweest. 4.7.3. Het hof overweegt als volgt. 4.7.4. Ingevolge de met [X.] gesloten arbeidsovereenkomst is op het salaris van [X.] de inflatiecorrectie van toepassing conform de nog vast te stellen ‘Arbeidsvoorwaardenregeling personeel WAVA Beheermaatschappij BV’. Partijen zijn het er, zo leidt het hof uit de wederzijdse stellingen af, over eens dat hiermee wordt gedoeld op het in rechtsoverweging 4.1.4 genoemde Arbeidsvoorwaardenpakket. Ingevolge artikel 2 van het Arbeidsvoorwaardenpakket wordt de werkingssfeer van de betreffende arbeidsvoorwaardenregeling beperkt en is deze op een aantal in die bepaling genoemde categorieën van werknemers niet van toepassing. Voor die werknemers zullen hun arbeidsvoorwaarden in een individuele arbeidsovereenkomst worden vastgelegd. Het hof begrijpt dat [X.] tot laatstgenoemde groep werknemers behoort. Dit neemt niet weg dat in zijn arbeidsovereenkomst d.d. 12 april 2002, waarvan het hof, nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, aanneemt dat deze ook na de omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wat betreft de op [X.] van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden haar gelding heeft behouden, wat betreft de inflatiecorrectie wel degelijk naar genoemde Arbeidsvoorwaardenregeling verwijst. Vaststaat dat artikel 3 van bijlage 1 bij het Arbeidsvoorwaardenpakket als volgt luidt: “De hoogte van de salarisbedragen worden aangepast aan de salarisstijgingen die worden overeengekomen in de CAO Gemeenten. (…) “ Niet is weersproken dat ingevolge deze CAO de inflatiecorrectie 2% bedroeg zodat, nu ook de hoogte van het bedrag als zodanig niet gemotiveerd is weersproken, de conclusie luidt dat het bedrag van € 2.512,-- in beginsel onverschuldigd aan [X.] is uitbetaald. Dat, zoals [X.] ten verwere heeft betoogd, alle werknemers in dienst van de B.V. per mei 2003 een salarisverhoging ontvingen van 2,5% is in dit verband dan ook niet relevant. Ten verwere heeft [X.] zich er nog beroepen op dat !GO de Arbeidsvoorwaardenregeling (evenals andere ‘verbintenissen’, vermeld in de arbeidsovereenkomst) niet heeft nageleefd. Voor zover [X.] zich daarmee heeft beroepen op rechtsverwerking gaat naar het oordeel van het hof dit echter niet op, nu er in casu niet sprake is van bijzondere omstandigheden zoals verwoord in rechtsoverweging 4.5.3. Het hof weegt daarbij mee dat blijkens pagina 14 van het rapport van Ernst & Young van 3 augustus 2007 (zie rechtsoverweging 4.1.12), dat in zoverre niet is weersproken, de hier aan de orde zijnde indexatie is gebaseerd op een “niet geadresseerde en niet ondertekende brief van de heer [X.] van 15 mei 2003 inzake een salarisverhoging van 2,5% per mei 2003 volgens het indexcijfer alsmede een overzicht ‘wijziging salarisgroepen per 1 mei 2003’, ondertekend door de heer [X.].“ Het verweer dat !GO haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst jegens [X.] niet is nagekomen, heeft [X.] niet onderbouwd. De vordering van !GO op dit punt is derhalve toewijsbaar. 4.7.5. !GO vordert voorts bedragen ad € 19.412,-- en € 18.358,--, welke zijn terug te voeren tot salarisverhogingen van oktober 2004 met als ingangsdatum 1 mei 2004 respectievelijk oktober 2005, met als ingangsdatum 1 mei 2003. Volgens !GO ontberen deze verhogingen iedere (rechtsgeldige) basis en zijn de betreffende verhogingen doorgevoerd op instigatie en aanwijzen van [X.]. 4.7.6. [X.] heeft wat betreft de salarisverhoging van oktober 2004 ten verwere aangevoerd dat deze verhoging, het ging om een bedrag van € 500,-- (naar het hof begrijpt per maand) het gevolg was van een afspraak tussen de voorzitter van de RvC, de heer [Y.], en [X.], gemaakt tijdens een bilateraal overleg op kantoor in [vestigingsplaats] eind augustus 2004. Volgens [X.] werd de salarisverhoging verleend ter compensatie voor het overnemen van de taak van CFO van de heer [A.], die direct na de zomervakantie van 2004 uit zijn taak was ontheven. Van [X.] werd verwacht dat hij de CFO-taak erbij zou doen. De verhoging van € 500,-- ging in per 1 mei 2004 omdat feitelijk rond die datum de taken van [A.] door [X.] waren overgenomen. 4.7.7. !GO heeft op haart beurt de door [X.] gestelde afspraak gemotiveerd weersproken. De drie leden van de RvC hebben zich alle drie uitgelaten over de salarisverhoging van oktober 2004. Zij stellen alle drie niet bekend te zijn met een andere salarisverhoging dan de salarisverhoging van het bruto maandsalaris van [X.] van € 500,--, conform het besluit van 4 juli 2003. Zij hebben geen goedkeuring verleend voor andere salarisverhogingen. Voor zover [X.] zijn stelling handhaaft, ligt het op zijn weg deze te bewijzen, aldus !GO. 4.7.8. [X.] heeft zijn verweer gebaseerd op een naar zijn zeggen met de heer [Y.], voorzitter van de RvC, gemaakte afspraak. !GO heeft deze afspraak gemotiveerd weersproken. Het hof zal [X.], overeenkomstig zijn aanbod toelaten zijn stelling te bewijzen. 4.7.9. Ook wat betreft de salarisverhoging van oktober 2005 heeft !GO betoogd dat deze iedere (rechtsgeldige) basis ontbeert. De arbeidsvoorwaardenregeling bracht op dat moment geen inflatiecorrectie met zich mee. Ten verwere heeft [X.] zich erop beroepen dat bij een controleslag in de salarisadministratie door die administratie was vastgesteld dat de prijscompensatie, waarvan sprake was in de arbeidsovereenkomst van [X.], niet was uitgevoerd gedurende een periode waarin althans voor het niet-ambtelijk, niet cao-personeel, pas op de plaats werd gemaakt. [X.] was op dat moment het enige personeelslid waarbij prijscompensatie daadwerkelijk stond verwoord in een individuele schriftelijke arbeidsovereenkomst, aldus [X.]. 4.7.10. Het hof overweegt als volgt. 4.7.11. Ingevolge artikel IV van zijn arbeidsovereenkomst (zie rechtsoverweging 4.1.4) volgde [X.] wat betreft de inflatiecorrectie de Arbeidsvoorwaardenregeling. Niet gemotiveerd bestreden is de stelling van !GO dat op basis van de Arbeidsvoorwaardenregeling op dat moment geen recht op prijscompensatie bestond. Het hof verwijst hier naar de onbestreden brief van [X.] aan de heer [Y.] van 20 oktober 2005, door !GO overgelegd als productie 2 bij conclusie van dupliek in reconventie. Voorzover [X.] zich ook hier op rechtsverwerking beroept, verwijst het hof naar de rechtsoverwegingen 4.5.3 tot en met 4.5.7 en 4.7.4. Nu voorts de hoogte van het door !GO gevorderde bedrag als zodanig door [X.] niet gemotiveerd is weersproken is het bedrag onverschuldigd door !GO aan [X.] voldaan en is de vordering van !GO op dit punt derhalve toewijsbaar. Gratificaties (zie ook grief II) 4.8.1. !GO vordert sub II een bedrag van € 58.695,16 vanwege gratificaties, ook aangeduid als bonussen of 13e maand. Blijkens mededeling van mr. Smit bij pleidooi in hoger beroep gaat het hier om een bruto-bedrag. Volgens !GO zijn de gratificaties ten onrechte aan [X.] uitbetaald. Het betreft gratificaties die zijn uitgekeerd in december 2002, december 2003, december 2004, januari 2006 en (nogmaals) januari 2006. Het bruto-bedrag van deze gratificaties bedraagt € 51.692,--, terwijl de wettelijke rente daarover tot september 2007 € 7.003,16 bedraagt. In totaal komt dit uit op het door !GO gevorderde bedrag van € 58.695,16. 4.8.2. De vraag moet worden beantwoord of partijen zijn overeengekomen dat [X.] recht had op gratificaties. [X.] heeft zich (ook hier) beroepen op het rechtspositiereglement dat mr. [B.], lid van het management team van !GO, voor de werknemers van categorie III had opgesteld. [X.] heeft toegelicht dat er binnen het geheel van de Gemeenschappelijke Regeling en de (dochter-)vennootschappen van WAVA (!GO) drie arbeidsvoorwaardenregimes waren. Op een groep werknemers (categorie I) vallend onder het bereik van de Wet Sociale Werkvoorziening, was de CAO voor de sociale werkvoorziening van toepassing. Ambtelijk personeel was in dienst van de Gemeenschappelijke Regeling en volgde de arbeidsvoorwaarden van de gemeente Oosterhout (categorie II) . Ten slotte waren er werknemers in dienst van WAVA (later: !GO) en de dochtervennootschappen (categorie III). Op deze derde categorie was geen CAO van toepassing noch een arbeidsvoorwaardenregeling van een gemeente. In de arbeidsovereenkomst van [X.] wordt verwezen naar een “nog vast te stellen Arbeidsvoorwaardenregeling personeel WAVA Beheermaatschappij B.V.”. Deze regeling is, aldus [X.], vrijwel direct na het aantreden van [X.] met medeweten en instemming van de RvC opgesteld door mr. [B.]. Het gaat hier om het zogenaamde Arbeidsvoorwaardenpakket (zie rechtsoverweging 4.1.4). 4.8.3. Naar het oordeel van het hof kan, zoals [X.] zelf ook aangeeft (conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie sub 30) uit genoemd Arbeidsvoorwaardenpakket niet worden afgeleid dat [X.] aanspraak had op een gratificatie. Het salaris van [X.] was hoger dan salarisgroep V en hij viel om die reden niet binnen de werkingssfeer van het Arbeidsvoorwaardenpakket (zie ook rechtsoverweging 4.7.4), nog ervan afgezien dat genoemd Arbeidsvoorwaardenpakket gelet op de inhoud van de met [X.] gesloten arbeidsovereenkomst slechts voor de inflatiecorrectie op [X.] van toepassing is. 4.8.4. [X.] heeft betoogd dat in de praktijk alle medewerkers niet werkzaam op basis van de CAO-SW of niet behorend tot de categorie Oosterhout-volgers een 13de maand ontvingen. Iedereen, dus ook alle leden van het management team met allen een salaris van rond de € 6.000,-- per maand , ontving derhalve een 13de maand. Zonder dat hij daarom had gevraagd - hij vindt wel dat hij met de andere leden van het management team recht heeft op een 13de maand - ontving [X.], zo heeft hij gesteld, een 13de maand. Voorts ziet [X.] het als een redelijke vergoeding voor zijn werkzaamheden op grond van artikel 7:618 BW. 4.8.5. Met !GO is het hof van oordeel dat van een bestuurder als [X.] mocht worden verwacht dat hij, indien hij zelf meent ook aanspraak te kunnen maken op een gratificatie zoals hier aan de orde, daarover overleg zou plegen met de RvC dan wel de algemene vergadering van aandeelhouders, zijnde de organen aan wie [X.] binnen de vennootschap verantwoording aflegt. Het niet nader onderbouwde beroep van [X.] op de (aanvullende werking van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.