GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Eerste meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 09/00067 Uitspraak op het hoger beroep van de Inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, hierna: de Inspecteur, tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 30 december 2008, nummer AWB 08/2312, in het geding tussen mevrouw X, wonende te Y, hierna: belanghebbende, en de Inspecteur betreffende na te noemen naheffingsaanslag. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 26 september 2007 en onder aanslagnummer 000.00.000.F.01.6501 over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 8.653 aan belasting (hierna: de naheffingsaanslag), alsmede bij beschikking een boete van € 432. Voorts heeft de Inspecteur ter zake van deze aanslag bij beschikking aan belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 318. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322 en de Staat aangewezen als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden, alsmede gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan haar vergoedt. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep in gesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De Inspecteur heeft schriftelijk gerepliceerd en belanghebbende heeft schriftelijk gedupliceerd. 1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 21 oktober 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.7. Partijen hebben ieder te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.8. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende exploiteert een beautysalon in Y en werkt als prostituee in A. 2.2. Over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 30 september 2006 heeft belanghebbende geen aangifte voor de omzetbelasting gedaan. Over het tijdvak 1 oktober 2006 tot en met 31 december 2006 heeft belanghebbende aangifte gedaan van een bedrag van € 1.317 aan verschuldigde omzetbelasting. Op grond van artikel 25 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB 1968) is dit bedrag verminderd tot nihil. 2.3. In maart 2007 heeft B ten behoeve van belanghebbende de jaarstukken over het jaar 2006 opgesteld. Uit de in de jaarstukken opgenomen winst- en verliesrekening volgt dat belanghebbende over het jaar 2006 een omzet heeft behaald van € 11.874, waarvan € 5.660 betrekking heeft op de beautysalon en € 6.214 op overige diensten. Het verschil tussen deze omzet en de omzet die belanghebbende op de aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van het jaar 2006 heeft ingediend, bedraagt € 14. 2.4. Vervolgens zijn op 9 augustus 2007 ten behoeve van belanghebbende nogmaals jaarstukken over het jaar 2006 opgesteld, ditmaal door de heer C. Uit de in de jaarstukken opgenomen winst- en verliesrekening volgt dat belanghebbende over het jaar 2006 een omzet heeft behaald van € 58.416,81, waarvan € 18.400 betrekking heeft op de beautysalon en € 40.016,81 op overige diensten. Naar aanleiding van de opstelling van deze jaarstukken heeft de heer C voor het jaar 2006 met dagtekening 4 september 2007 een suppletieaangifte gedaan naar een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 8.653. 2.5. Naar aanleiding van de suppletieaangifte heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. 2.6. In hoger beroep heeft de Inspecteur gesteld dat de naheffingsaanslag naar zijn oordeel verminderd moet worden tot een bedrag van € 2.915 aan omzetbelasting, met dienovereenkomstige vermindering van de boete. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 3.1.1. Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? 3.1.2. Indien vraag 3.1.1 bevestigend wordt beantwoord, is de boete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is van mening dat de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd, doch dat deze verminderd dienen te worden tot achtereenvolgens een bedrag van € 2.915 en een bedrag van € 145. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.915 en tot vermindering van de boete tot een bedrag van € 145. 4. Gronden Ten aanzien van het geschil 4.1. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd naar aanleiding van de door de heer C met dagtekening 4 september 2007 ingediende suppletieaangifte. Aan deze aangifte liggen jaarstukken over het jaar 2006 ten grondslag die, naar belanghebbende stelt, zijn opgemaakt aan de hand van in een 'pro forma kasboek' opgenomen fictieve cijfers. Omdat de Inspecteur geen onderzoek heeft ingesteld naar deze fictieve cijfers en naar de daarvoor in bezwaar door belanghebbende aangedragen argumenten heeft de Rechtbank beslist dat de Inspecteur, op wie te dezen naar het oordeel van de Rechtbank de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. In hoger beroep baseert de Inspecteur de naheffingsaanslag op het door belanghebbende in beroep overgelegde 'originele kasboek' en op door hem opgestelde vermogensvergelijkingen, waarbij de eerste vermogensvergelijking voor een belangrijk deel is gebaseerd op schattingen en de tweede in grote mate op reële cijfers ontleend aan bescheiden en verklaringen die belanghebbende in haar verweerschrift in hoger beroep heeft overgelegd. Belanghebbende stelt, zo begrijpt het Hof althans, dat de Inspecteur in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door in hoger beroep de gronden waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd te wijzigen. Voorts stelt belanghebbende dat de Inspecteur in strijd handelt met de goede procesorde door in repliek een vermogensvergelijking op te stellen aan de hand van bescheiden en verklaringen die belanghebbende bij haar verweerschrift in hoger beroep heeft overgelegd alsmede dat om die reden de conclusie van repliek tardief verklaard moet worden. 4.2. Het Hof overweegt dienaangaande dat het de Inspecteur ingevolge artikel 27j, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) juncto artikel 8:69, lid 1, van de Awb is toegestaan in hoger beroep de naheffingsaanslag te handhaven op grond van argumenten die afwijken van het door hem in beroep ingenomen standpunt (zie het arrest Hoge Raad van 24 januari 2003, nr. 36 247, BNB 2003/172), tenzij algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich hiertegen verzetten. De enkele stelling dat een en ander in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is onvoldoende om die uitzondering te rechtvaardigen. Voorts verklaart het Hof de door de Inspecteur ingediende conclusie van repliek niet tardief. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende in voldoende mate de gelegenheid gehad, en blijkens de door haar ingediende conclusie van dupliek ook genomen, om zich tegen de aangepaste vermogensvergelijking te verweren (vergelijk het arrest Hoge Raad van 6 oktober 2006, nr. 42 253, BNB 2007/138). Van enige strijd met de goede procesorde is niet gebleken. 4.3. Uit de vermogensvergelijking die de Inspecteur als bijlage bij zijn verweerschrift heeft gevoegd, vloeit voor belanghebbende voor het jaar 2006 een negatief privé van € 4.445 voort. De door belanghebbende gedane uitgaven in deze vermogensvergelijking heeft de Inspecteur veelal geschat aan de hand van bij hem bekende gegevens van belanghebbende over het jaar 2003 en algemene NIBUD-informatie. Voorts heeft de Inspecteur gebruik gemaakt van door Woningstichting Y-D bij brief van 2 maart 2009 verstrekte informatie. Tegen deze vermogensvergelijking heeft belanghebbende, naast het feit dat het veelal schattingen betreft, ingebracht dat de Inspecteur bij het vaststellen van het gecorrigeerde verzamelinkomen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een bedrag aan afschrijvingen van € 187, het jaar 2006 niet vergelijkbaar is met het jaar 2003 omdat belanghebbende toen geen bijstandsuitkering meer genoot, en de Inspecteur geen rekening heeft gehouden met de ophoging van de kredietruimte bij de creditcard tot € 2.500 en de financiële ondersteuning van belanghebbende door haar vriend de heer E, haar dochter mevrouw F en haar broer de heer G. Ter ondersteuning hiervan heeft belanghebbende bankafschriften alsmede verklaringen van de heer E en mevrouw F overgelegd. 4.4. Naar aanleiding van deze door belanghebbende verstrekte gegevens heeft de Inspecteur een nieuwe vermogensvergelijking opgesteld, waaruit voor belanghebbende voor het jaar 2006 een negatief privé voortvloeit van € 14.066,76. Daartegen heeft belanghebbende ingebracht dat de Inspecteur bij de uitgaven van belanghebbende nog steeds 'stelposten' hanteert, waarbij dubbeltellingen niet zijn uitgesloten, niet onderzocht heeft of belanghebbende bepaalde uitgaven zoals voor vakanties zelf heeft betaald en nog steeds geen rekening heeft gehouden met de ophoging van de kredietruimte bij de creditcard. Voorts voert belanghebbende aan dat, in afwijking van de eerder overgelegde verklaring van de heer E, zijn financiële ondersteuning kennelijk een hoger bedrag heeft belopen. Ten slotte heeft belanghebbende een nieuwe verklaring van haar dochter overgelegd waaruit een hogere, niet nader gespecificeerde, financiële bijdrage van haar dochter zou blijken. 4.5. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met de in 4.4 bedoelde vermogensvergelijking aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende over het jaar 2006 een negatief privé heeft. Daartoe overweegt het Hof dat de uitgaven die belanghebbende in 2006 heeft gedaan, heeft ontleend aan de bescheiden die belanghebbende heeft overgelegd. Dit geldt weliswaar niet voor de uitgaven voor vakantie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.