GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.050.312 arrest van de tweede kamer van 19 juli 2011 in de zaak van 1. [A.], wonende te [woonplaats], 2. [B.], wonende te [woonplaats], 3. [C.], wonende te [woonplaats], 4. [D.], wonende te [woonplaats], 5. [E.], wonende te [woonplaats], 6. [F.], wonende te [woonplaats], 7. [G.], wonende te [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven, tegen: [H.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. S. Wouters, op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 5 augustus 2009 tussen appellanten – de werknemers – als eisers en geïntimeerde – [H.] – als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 150581 / HA ZA 06-2317) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 14 februari 2007 en 19 december 2007. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven hebben de werknemers onder overlegging van 27 producties negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft [H.] de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende: a. De werknemers zijn in dienst geweest van de op 7 januari 2004 gefailleerde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ingenieursburo [X.] (hierna: de BV). b. [H.] was sinds januari 1999 enig statutair bestuurder van de BV. Alle aandelen in de BV werden gehouden door [Y.] Groep BV waarvan [H.] enig bestuurder en tevens enig aandeelhouder was. c. De werknemers namen deel aan de door de BV met pensioenverzekeraar Delta Lloyd Levensverzekeringen NV (hierna: Delta Lloyd) gesloten collectieve pensioenregeling. De arbeidsovereenkomsten van de werknemers kennen ter zake de volgende bepaling: Werknemers worden opgenomen in de collectieve pensioenvoorziening (…). De premie is voor 1/3 deel voor rekening van werknemer en voor 2/3 deel voor rekening van werkgever (…). d. De pensioenaanspraken op grond van deze collectieve regeling omvatten zowel het ouderdomspensioen, het nabestaandenpensioen alsmede het wezenpensioen. De pensioengrondslag was op basis van eindloon. e. De BV heeft, blijkens pensioenoverzichten van Delta Lloyd, met name over de jaren 2000 en 2001 geen pensioenpremies betaald, terwijl de door Delta Lloyd in rekening gebrachte premienota’s in totaal € 105.416,46 bedroegen. f. Niettegenstaande het feit dat in 2003 en 2004 door de BV diverse deelbetalingen zijn gedaan in verband met achterstallige en verschuldigde premies, is de betalingsachterstand tot aan de datum van het faillissement van de BV niet ingelopen. Per december 2003 bedroeg de schuld van de BV in verband met pensioenpremies € 123.882,53, aldus een opgave van Delta Lloyd. g. Delta Lloyd heeft in verband met achterstallige pensioenpremies de pensioenverzekeringen van de werknemers per 8 juni 2001 premievrij gemaakt, hetgeen er kort gezegd op neer komt dat de werknemers geen pensioen meer hebben opgebouwd vanaf die datum. h. De BV heeft besloten tot het doen van dividenduitkeringen over de jaren 2000 en 2001 aan haar enige aandeelhouder [Y.] Groep BV. Deze uitkeringen bedroegen fl. 356.174,- over 2000 en € 153.972,- over 2001. 4.2. De werknemers hebben [H.] in rechte betrokken en in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat [H.] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de werknemers. Daarnaast hebben de werknemers gevorderd [H.] te veroordelen tot betaling van diverse bedragen aan Delta Lloyd ter zake van niet afgedragen pensioenpremies. Ten slotte hebben de werknemers gevorderd [H.] te veroordelen in de (buitengerechtelijke) kosten aan de zijde van de werknemers gerezen. 4.3. Bij tussenvonnis van 19 december 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat [H.] door in zijn hoedanigheid van bestuurder van de BV toe te laten dat de pensioenpremies gedurende twee jaar niet werden voldaan, terwijl in dezelfde periode wel aanzienlijke dividenduitkeringen aan [Y.] Groep BV werden gedaan, in beginsel een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat hij aansprakelijk is voor de door de werknemers als gevolg daarvan geleden schade, tenzij [H.] in de periode van januari 2000 tot januari 2002, dan wel de datum van het besluit tot dividenduitkering over 2001, niet op de hoogte is geweest van de achterstand in de premieafdrachten. De rechtbank is er voorshands vanuit gegaan dat [H.] op enig moment in de bedoelde periode op de hoogte moet zijn geweest van de ontstane achterstand en heeft [H.] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshandse aanname door de rechtbank dat [H.] uiterlijk 1 januari 2002 of (indien dat later is geweest) uiterlijk ten tijde van de dividendbeslissing over het resultaat van 2001 op de hoogte was, althans moet zijn geweest, van het feit dat in de periode 2000 en 2001 geen pensioenpremies door de BV zijn afgedragen, althans een achterstand was ontstaan tot een bedrag van € 105,416,46. 4.4. In haar eindvonnis van 5 augustus 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat [H.] het vermoeden dat hij wist of had moeten weten dat er een achterstand was in de afdracht van de pensioenpremies op het moment dat de beslissing tot onttrekking van (grote) geldbedragen aan de onderneming genomen werd, genoegzaam ontzenuwd heeft. Van een zodanig ernstig verwijt aan [H.] in zijn hoedanigheid van bestuurder van de BV dat hij aansprakelijk is voor de door de werknemers als gevolg van het niet betalen van de pensioenpremies geleden schade, was, zo oordeelde de rechtbank, geen sprake. De rechtbank wees daarom de vorderingen van de werknemers af. 4.5. De werknemers hebben thans, in hoger beroep, voor hun stelling dat [H.] persoonlijk onrechtmatig handelen kan worden verweten ter zake het feit dat de BV geen pensioenpremies voor hen heeft afgedragen, de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd (mvg, pt. 48): - de heer [H.] is enig zelfstandig bevoegd bestuurder en (getrapt) enig aandeelhouder van (de BV); - de tekortkoming van [de BV] ziet op een wezenlijke (oudedags)voorziening van de werknemers; - de wanprestatie heeft plaatsgevonden in de verhouding tussen werkgever en werknemer, waarbij de schade is geleden door de sociaal zwakkere partij; - gedurende een lange periode zijn pensioenpremies door [de BV] ingehouden op het salaris van de werknemers, terwijl de ingehouden premies niet werden afgedragen aan het pensioenfonds maar kennelijk werden aangewend voor andere, dagdagelijkse, verplichtingen van de vennootschap; - de werknemers hadden geen inzicht in de nakoming van de verplichtingen van (de BV); - de werknemers zijn tot oktober 2002 niet geïnformeerd over de achterstand in de betaling van de pensioenpremies; - bij brief van 18 oktober 2002 (…) heeft de heer [H.] voor het eerst – en voor het laatst – melding gemaakt van het feit dat er een betalingsachterstand was opgetreden. De heer [H.] gaf daarbij als reden: onduidelijkheden over het betalingsschema van het pensioenfonds, waarbij hij de werknemers heeft voorgehouden dat de betalingsachterstand op korte termijn zou worden ingelopen. Verdere melding heeft de heer [H.] nagelaten, waarmee bij de werknemers vertrouwen is gewekt die [dat, hof] de heer [H.] in stand heeft gelaten; - in de periode van 1999 tot 2001 is de rekening-courantvordering van [de BV] op [H.] Groep opgelopen doordat geld beschikbaar werd gesteld aan de moedermaatschappij vanuit (de BV); - de heer [H.] heeft (als getrapt) aandeelhouder het besluit genomen om over de jaren 2000 en 2001 aanzienlijke dividenduitkeringen te laten plaatsvinden. De uitkering van de dividenden heeft voorafgaand aan het faillissement van (de BV) plaatsgevonden, door verrekening met de opgelopen rekening-courant [aldus ook [H.] zelf, pv getuigenverhoor [H.], d.d. 14 maart 2008, hof]. Deze door de werknemers voor aansprakelijkheid van [H.] aangevoerde feiten en omstandigheden zijn onweersproken gebleven. 4.6. Het hof overweegt allereerst dat van persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, sprake kan zijn indien de bestuurder van een niet-nakomen door de vennootschap van haar wettelijke of contractuele verplichtingen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zie o.m. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 en HR 8 december 2006, NJ 2006, 659. Voorts deelt het hof het oordeel van de rechtbank in haar tussenvonnis (waarover r.o. 4.3 hierboven) dat van een aan [H.] persoonlijk te maken ernstig verwijt sprake is indien [H.], kort gezegd, uiterlijk ten tijde van het dividendbesluit over het resultaat van 2001 op de hoogte was, althans moet zijn geweest, van het feit dat over de jaren 2000 en 2001 geen pensioenpremies door de BV zijn afgedragen. Het hof deelt eveneens het oordeel van de rechtbank in haar tussenvonnis (waarover r.o. 4.3 hierboven) dat voorshands moet worden aangenomen dat [H.] op de hoogte was of moet zijn geweest van het niet-afdragen van de premies, en het aan [H.] was om tegenbewijs te leveren tegen dat voorshands geleverd geachte bewijs. Hierbij voeren de werknemers in grief 2 naar het oordeel van het hof terecht aan dat voor de dividendbesluiten van het tijdstip van de vaststelling van de jaarrekening en niet van het tijdstip van het opmaken daarvan moet worden uitgegaan. De werknemers hebben dienaangaande een overzicht van de Kamer van Koophandel (mvg, prod. 25) overgelegd, waaruit blijkt dat de jaarrekening over 2001 is vastgesteld op 8 januari 2003. 4.7. Met grief 3 komen de werknemers op tegen de overweging van de rechtbank in haar eindvonnis dat de onttrekkingen aan het vermogen van de BV eerder hebben plaatsgevonden dan door de dividendbeslissingen over de jaren 2000 en 2001. De onttrekkingen zouden, aldus de rechtbank, al vanaf 1999 (tot 2001) hebben plaatsgevonden, toen de BV geld beschikbaar heeft gesteld aan [Y.] Groep BV, in de vorm van leningen in rekening-courant. Deze derde grief slaagt. Het feit dat de BV eerder gelden aan [Y.] Groep BV ter beschikking stelde, laat onverlet dat die gelden eerst aan het vermogen van de BV werden onttrokken doordat de vordering ter zake kon worden verrekend dankzij de dividendbesluiten. Dat de rechtbank op grond van getuigenverklaringen eerdere feitelijke onttrekkingen constateerde doet daarom aan de essentie van de eerdere vaststelling in het tussenvonnis en de daarop berustende opdracht tot tegenbewijs niet af. De rechtbank heeft aldus ten onrechte bij de waardering van de bewijsvoering het moment van (behoren
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.