Sector strafrecht Parketnummer: 20-004902-08 Uitspraak: 25 augustus 2011 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Maastricht van 10 december 2008 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak met parketnummer 03-008003-04 tegen: [verdachte M], geboren te Sittard op [datum] 1971, wonende te [woonplaats], [adres], hierna ook ‘de veroordeelde’. Hoger beroep De veroordeelde heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen voormelde beslissing, waarbij het voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door middel van de in de hoofdzaak bewezen verklaarde feiten en soortgelijke feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan, ,werd geschat op een bedrag van EUR 2.750.896,69 en waarbij aan de veroordeelde de verplichting werd opgelegd om datzelfde bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Onderzoek van de zaak De zaak is ingeleid met de schriftelijke vordering van de officier van justitie in het arrondissement Maastricht d.d. 18 oktober 2005, strekkende tot vaststelling van het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en tot oplegging aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat voorlopig werd gesteld op een bedrag van EUR 2.953,385,07. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 17 januari 2011 (regie) en 14 juli 2011 (inhoudelijk), alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Ter terechtzitting van 17 januari 2011 heeft het hof, in overeenstemming met de advocaat-generaal en de raadsman van de veroordeelde, het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de verdediging en het openbaar ministerie de gelegenheid te bieden om, voorafgaande aan en ter voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de vordering van de officier van justitie in hoger beroep, op de wijze als in dat proces-verbaal vastgelegd schriftelijke conclusies te wisselen als bedoeld in artikel 511d van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman van de veroordeelde heeft vervolgens de standpunten van de verdediging uiteengezet bij brief van 17 maart 2011, waarop de advocaat-generaal overeenkomstig het bepaalde tijdens de regiezitting uiterlijk op 17 april 2011 had behoren te reageren. Nadat de raadsman van de veroordeelde bij faxbrief van 17 mei 2011 aan het hof kenbaar had gemaakt op dat moment nog geen conclusie van de advocaat-generaal ontvangen te hebben, waardoor het ook voor hem onmogelijk was om nader te concluderen, heeft de advocaat-generaal bij schrijven van 19 mei 2011 alsnog gereageerd op het gestelde bij brief van de raadsman van de veroordeelde van 17 maart 2011. De raadsman van de veroordeelde heeft vervolgens telefonisch aan de griffier medegedeeld dat hij niet nader schriftelijk zal reageren op het schrijven van de advocaat-generaal van 19 mei 2011. De vordering is vervolgens behandeld ter terechtzitting van 14 juli 2011. Het hof heeft kennisgenomen van de verweren en onderbouwde standpunten die ter terechtzitting, met duidelijke verwijzing naar de inhoud van de in het kader van de schriftelijke voorbereiding ingediende stukken, zijn gevoerd respectievelijk ingenomen. Het hof heeft voorts kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof de beslissing van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op een bedrag van EUR 2.706.909,00 en aan de veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting zal opleggen om een bedrag van EUR 2.659.092,00 te betalen aan de Staat. Namens de veroordeelde is – kort samengevat – bepleit dat het gerechtshof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel: - rekening zal houden met ‘onderhoudskosten’, ‘knipkosten’, en ‘afschrijvingskosten’; - uitsluitend de drie concreet onderzochte hennepkwekerijen welke door de rechtbank als uitgangspunt zijn genomen voor de door haar gehanteerde berekening van dit voordeel, in aanmerking zal nemen en geen extrapolatie naar negen hennep-kwekerijen zal toepassen; - overeenkomstig de beslissing van de rechtbank de door de veroordeelde verrichte betalingen ter zake van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen als aftrekposten in mindering zal brengen. Voorts is van de zijde van de veroordeelde met betrekking tot de op te leggen betalings-verplichting nog bepleit dat het gerechtshof deze zal verminderen met 10 procent vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep en de eventuele overschrijding van de inzendingstermijn van de stukken aan de griffie van het hof. Het hof heeft ten slotte kennisgenomen van een niet gedateerde brief van de veroordeelde, met bijlage, die was gevoegd bij de brief van diens raadsman d.d. 13 juli 2011 aan de voorzitter van de behandelende strafkamer van dit hof. Beslissing waarvan beroep De bestreden beslissing zal worden vernietigd omdat het hof komt tot een andere vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan de rechtbank. Beoordeling De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Maastricht van 8 juni 2004 (parketnummer 03-008003-04) veroordeeld tot straf ter zake van onder meer: feit 5: het, samen met een ander of anderen, in de periode van 1 januari 2000 tot en met 17 maart 2004 in de uitoefening van beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken van een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan; feit 6: het op 4 maart 2004 opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 372 hennep- planten in een pand aan de [adres] te Kerkrade; feit 7: het op 5 maart 2002 opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 410 hennep-planten in een pand aan het [adres] te Heerlen. Voor de feiten 1, 2 en 4 heeft ook een veroordeling plaatsgevonden, maar ten aanzien van die feiten ligt geen vordering tot ontneming voor. Met betrekking tot feit 5 heeft de rechtbank in haar vonnis van 8 juni 2004 expliciet overwogen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de veroordeelde een groot aantal hennepplantages had uitstaan bij derden. De onderhavige vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is door het openbaar ministerie gebaseerd op de bevindingen, zoals verkregen in het kader van het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek en neergelegd in het proces-verbaal van de regiopolitie Limburg-Zuid, Projectteam Middelzware Criminaliteit, District Kerkrade, proces-verbaal-nummer 2004023844, en de daarbij gevoegde bijlagen. Dit proces-verbaal is op 14 juni 2004 op ambtseed opgemaakt en ondertekend door de [verbalisant B], brigadier van politie, dienstdoende bij genoemd Projectteam en [verbalisant W], financieel onderzoeker van de regiopolitie Limburg-Zuid, tewerkgesteld bij het Bureau Financiële Recherche, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar. Uitgangspunten Het hof neemt dit proces-verbaal (hierna ook aan te duiden als ‘de ontnemingsrapportage’) bij de beoordeling van de ontnemingsvordering eveneens tot uitgangspunt. De ontnemingsrapportage bevat zowel een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel die is gebaseerd op de concrete bevindingen van het onderzoek naar het voordeel verkregen door de bewezen verklaarde en soortgelijke strafbare feiten als een berekening van dat voordeel aan de hand van een zogenoemde kasopstelling. Bij laatstbedoelde berekening wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel gesteld op het geconstateerde verschil tussen de legale inkomsten van de veroordeelde in de onderzoeksperiode enerzijds en de contante uitgaven van de veroordeelde in die periode, voor zover getraceerd, anderzijds. Evenals het openbaar ministerie en de rechtbank zoekt het hof aansluiting bij eerstbedoelde onderzoeksmethode - tegen de aard waarvan op zichzelf door de verdediging geen grieven zijn ingediend -, omdat bij die methode de bewezen feiten als uitgangspunt worden genomen en deze methode daarom het meest reëel en betrouwbaar is. Ook neemt het hof voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot uitgangspunt dat de veroordeelde betrokken is geweest, zoals door de rechtbank bewezen is verklaard, bij de hennepplantages die zijn aangetroffen aan de [adres] te Kerkrade (feit 6) en het [adres] te Heerlen (feit 7), alsmede betrokken is geweest bij de hennepplantage aan het [adres] te Brunssum. De betrokkenheid van de veroordeelde bij laatstgenoemde hennepkwekerij heeft te gelden als een soortgelijk feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat het door de veroordeelde is gepleegd. Het hof wijst er in dit verband op dat [persoon S] - als verdachte gehoord - onder meer verklaard heeft dat hij in de periode van juni 1999 tot en met juli/augustus 2000 in zijn flat aan het [adres] te Brunssum ongeveer 75 hennepplanten aanwezig heeft gehad voor [verdachte M] (hof: veroordeelde). Bij gebreke van concrete gegevens omtrent de in de hiervoor bedoelde hennepkwekerijen gerealiseerde opbrengst in gewicht gaat het hof, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, uit van de in het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van april 2005 (hierna ook: het BOOM-rapport) gegeven norm van 22 gram hennep per hennepplant en een cyclus van tien weken voor het realiseren van één oogst. Het hof neemt voor wat betreft het aantal per hiervoor genoemd adres gerealiseerde en voor de berekening van het daardoor verkregen wederrechtelijk voordeel in aanmerking genomen oogsten de overwegingen van de rechtbank op deze punten over, nu deze aansluiten bij de gegevens uit het onderzoek naar de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. Daarbij gaat het hof uit van de verklaringen die door [persoon S] en [persoon M] ten overstaan van de politie zijn afgelegd. Tevens gaat het hof er, met de rechtbank en de advocaat-generaal, op basis van de bevindingen in het kader van het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek van uit dat de gemiddelde verkoopprijs per gram hennep EUR 5,25 bedroeg. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdediging tegen een en ander in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd. Opbrengst Op de voet van en met verwijzing naar de op de pagina’s 4 en 5 van de bestreden beslissing weergegeven berekeningen stelt het hof de gerealiseerde bruto-opbrengst: - in de hennepkwekerij aan het [adres] te Brunssum op (75 planten x 6 oogsten x 22 gram x EUR 5,25 =) EUR 51.975,00 - in de hennepkwekerij aan de [adres] te Kerkrade op (372 planten x 11 oogsten x 22 gram x EUR 5,25 =) EUR 472.626,00 - in de hennepkwekerij aan het [adres] te Heerlen op (410 planten x 10 oogsten x 22 gram x EUR 5,25 =) EUR 473.550,00 Totaal EUR 998.151,00 Kosten Op de bruto-opbrengst dienen de kosten die in directe relatie staan met de door de veroordeelde begane delicten, voor zover zij als reële uitvoeringskosten kunnen worden gezien, in mindering te worden gebracht. Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal stelt het hof, in aanmerking nemende dat de verdediging hiertegen geen bezwaren heeft geuit, de variabele kosten op EUR 4,40 per hennepplant. Daarnaast zal het hof rekening houden met de overige door de rechtbank reeds in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrokken kosten (huur, uitbetaalde vergoedingen, energie), zoals weergegeven op de pagina’s 4 en 5 van de bestreden beslissing. De verdediging heeft in hoger beroep bepleit dat het hof bovendien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.