GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.011.012 arrest van de vierde kamer van 11 oktober 2011 in de zaak van [X.], wonende te [woonplaats], appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven, tegen: LONDON VERZEKERINGEN N.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas, als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 2 februari 2010, 13 juli 2010, 22 februari 2011 en 5 april 2011 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder nummer 106172/HA ZA 05-1160 gewezen vonnissen van 22 november 2006, 10 januari 2007, 28 februari 2007 en 7 mei 2008. 20 De tussenarresten van 13 juli 2010, 22 februari 2011 en 5 april 2011 20.1. Bij het tussenarrest van 13 juli 2010 is onder meer een deskundigenonderzoek gelast met benoeming van dr. H.J.J.A. Bernsen, neuroloog, prof. dr. P.L.C.M. van Riel, reumatoloog, en dr. J.L.M. Schoutrop, pyschiater, tot deskundigen en is iedere verdere beslissing aangehouden. 20.2. Bij tussenarrest van 22 februari 2011 is bepaald dat ten aanzien van het deskundigenbericht van Van Riel een aanvullend voorschot van € 757,03 (inclusief btw) door partijen dient te worden voldaan en bij tussenarrest van 5 april 2011 is voor het deskundigenbericht van Bernsen een aanvullend voorschot van € 1.188,40 (inclusief btw) bepaald. 21 Het verdere verloop van de procedure 21.1. Het hof heeft bij beslissing van 31 maart 2011 de schadeloosstelling en het loon van de deskundige Schoutrop begroot op € 4.378,55 (inclusief btw) en bij beschikking van 13 april 2011 is de schadeloosstelling en het loon van de deskundige Van Riel vastgesteld op € 4.757,03 (inclusief btw). 21.2. [X.] heeft een memorie na deskundigenbericht genomen en London onder ovelegging van producties een antwoordmemorie. 21.3. Vervolgens hebben partijen wederom de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 22 De verdere beoordeling in principaal en incidenteel appel de rapporten van de deskundigen rapport Bernsen 22.1. Bernsen heeft een uitvoerige rapportage opgesteld, bestaande uit een (geneeskundig) gedeelte met de volgende hoofdstukken: I anamnese (I.1 Medische anamnese, I.2 Huidige klachten, I.3 Medische voorgeschiedenis, I.4 Opleiding en beroep, I.5 Sociale anamnese ), II Lichamelijk onderzoek (II.1 Algemeen lichamelijk onderzoek, II.2 Specieel lichamelijk onderzoek), III Bestudering van aanvullende correspondentie, IV Samenvatting, die wordt afgesloten met een conclusie en een diagnose, en een gedeelte waarin de door het hof gestelde vragen worden beantwoord. 22.1.1. In de conclusie van het geneeskundig gedeelte van het rapport staat, voor zover van belang: “Op mijn vakgebied heeft betrokkene gezien het medisch gedocumenteerde schedeltrauma met de hoofdverwonding en de schade aan de voorruit een licht traumatisch schedelhersenletsel categorie 3 tegen gevolge van het ongeval opgelopen. Op grond hiervan zijn er posttraumatische hoofdpijnklachten en mogelijk cognitieve stoornissen ontstaan (…), waarbij aangetekend dient te worden dat in de medische voorgeschiedenis van betrokkene in 1992 en 1996 eveneens hoofdpijnklachten worden gerapporteerd en de huidige hoofdpijnklachten zeer wel kunnen samenhangen met het ruime analgeticagebruik. Gezien het ongevalsmechanisme is verder aannemelijk dat betrokkene een voorachterwaarts slingerende beweging met haar hoofd heeft gemaakt zoals wordt gezien bij een whiplashtrauma met een overrekkingsletsel van de weke delen structuren van de halswervelkolom. De door betrokkene aangegeven nekklachten passen bij een whiplash associated disorder graad I voor zover de reumatologische en psychiatrische deskundigen deze klachten niet beschouwen als behorend bij fibromyalgie of voortvloeiend uit een psychiatrische aandoening. De door betrokkene aangegeven cognitieve klachten dienen naar mijn mening in eerste instantie qua aard en ernst neuropsychologisch en psychiatrisch onderzocht te worden alvorens een uitspraak gedaan kan worden over de relatie van deze klachten met het ongeval. Daarbij dient overigens opgemerkt te worden dat naar mijn mening vooral neuropsychologische onderzoeken de meeste informatie opleveren wanneer betrokkene het analgetica gebruik staakt, met name de morfine preparaten en de benzodiazepines aangezien deze preparaten de cognitieve functies in belangrijke mate kunnen beïnvloeden. Voor de overige klachten die betrokkene ondervindt zoals bijvoorbeeld het oorsuizen en de tintelingen in de armen die een aantal malen per week gedurende een aantal uren kan optreden, heb ik geen neurologische verklaring. Ik kan evenmin een neurologische verklaring bieden voor de door betrokkene ondervonden toename van de nekpijnklachten wanneer ze zich in een liggende houding bevindt. (…).” Bernsen stelt vervolgens als diagnose: “- Licht traumatisch schedelhersenletsel categorie 3 - Whiplash associated disorder graad I.” 22.1.2. Bij de beantwoording van de IWMD-vraagstelling verwijst de deskundige deels naar het medisch gedeelte van zijn rapport dan wel herhaalt hij deels gedeeltes uit zijn conclusie. Voor zover relevant geeft Bernsen, kort samengevat, de volgende antwoorden op de hem gestelde vragen: Vraag 1b (medische voorgeschiedenis betrokkene) “Op mijn vakgebied kan ik geen relevante neurologische antecedenten benoemen behoudens in de begin ’90-er jaren een CTS-operatie links waarna volgens betrokkene een goed herstel van deze klachten is opgetreden en hoofdpijnklachten in 1992 en 1996 waarvoor de neuroloog geconsulteerd wordt en spierspanningshoofdpijn wordt gesteld.” Vraag 1d en e (consistentie) “d. De klachten zoals betrokkene deze zelf vermeldt, zijn in voldoende mate in overeenstemming met de gegevens zoals in de aanvullende medische correspondentie zijn weergegeven. Zowel bij het huidige neurologische onderzoek maar ook bij neurologisch onderzoek zoals in de correspondentie beschreven, worden geen neurologische afwijkingen vastgesteld. Ik kan bij het huidige neurologisch onderzoek geen consistente nekbewegingsbeperkingen vaststellen. In de aanvullende correspondentie wordt wel wisselend melding gemaakt van een beperkte functie van de cervicale wervelkolom, e. Wat de beweging van de cervicale wervelkolom betreft valt op te maken dat mogelijkerwijs door de wat langere anamnese en daarmee de observatieperiode (+ 2,1/2 uur) er voor ondergetekende meer gelegenheid bestond om het spontane bewegingspatroon van betrokkene te observeren.” Vraag 1g (beperkingen) “Op mijn vakgebied zijn er geen aanwijzingen voor een cervicale myelopathie, cervicale radiculopathie, plexus brachialisletsel danwel perifeer zenuwletsel waarmee de nekklachten van betrokkene verklaard kunnen worden. Derhalve zijn er ten aanzien van deze klachten geen neurologische beperkingen te stellen. (…).” Vraag 1l en m (niet dragen autogordel) “l. Doordat betrokkene geen autogordel heeft gedragen, is ze met haar hoofd tegen de voorruit gekomen waardoor het licht traumatisch schedelhersenletsel is ontstaan. De als gevolg van dit schedeltrauma ontstane posttraumatische hoofdpijnklachten alsmede de cognitieve klachten van betrokkene mits deze geobjectiveerd kunnen worden (zie hiervoor mijn conclusie hoofdstuk IV), moeten naar mijn mening derhalve beschouwd worden als klachten ontstaan ten gevolge van het niet dragen van de veiligheidsgordel ten tijde van de aanrijding. m. Zie hiervoor de samenvatting van een viertal recentere artikelen over dit onderwerp in addendum 1. Zoals uit deze artikelen kan worden opgemaakt zijn er zowel wetenschappelijke studies die voor de hypothese van betrokkene pleiten maar ook studies waarbij geen duidelijke relatie tussen het optreden van een whiplash trauma en het dragen van de veiligheidsgordel aannemelijk kan worden gemaakt. Naar mijn mening moet betrokkene ten gevolge van de achterop aanrijding in eerste instantie met haar bovenlichaam, nek en hoofd naar achteren zijn geslingerd (acceleratie) tegen de stoelleuning/hoofdsteun. Doordat de auto waarin ze zich bevond vervolgens tegen de voorligger botste, moet het lichaam van betrokkene ten gevolge van deze vertraging (deceleratie) weer met kracht naar voren zijn bewogen. Daarbij ligt het voor de hand om aan te nemen dat die delen van het lichaam met relatief geringere massa zoals de nek en het hoofd ten gevolge van de inwerkende krachten met grotere snelheid zich hebben voortbewogen waardoor te verklaren valt dat betrokkene met het hoofd tegen de voorruit is gekomen (traumatisch schedelhersenletsel) en niet bijvoorbeeld eerst met haar romp tegen het dashboard. Er heeft dus in het specifieke geval van betrokkene een acceleratie-deceleratie trauma van de cervicale wervelkolom plaatsgevonden ten gevolge van het ongevalmechanisme zoals dat bij een whiplashtrauma wordt gezien ondanks het feit dat zij geen gordel droeg. Zoals reeds in bovenstaande aangegeven, vond ten gevolge van het niet dragen van de veiligheidsriem eveneens een licht traumatisch schedelhersenletsel plaats.” Vraag 2a (klachten, afwijkingen en beperkingen voor het ongeval) “a. Op mijn vakgebied bestonden bij betrokkene direct voor het ongeval voor zover mij bekend geen relevante neurologische klachten of afwijkingen die zij nog steeds heeft. In het huisartsenjournaal en de neurologische correspondentie wordt wel gesproken over (spierspannings)hoofdpijnklachten in 1992 en 1996, maar hierna wordt hierover tot het ongeval in 2001 geen melding meer van gemaakt, zodat aangenomen kan worden dat de hoofdpijnklachten in de jaren direct voor het ongeval geen rol van betekenis meer speelden en niet tot noemenswaardige hinder (klachten en beperkingen) hebben geleid.” Vraag 2c en e (klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval) “c. Op mijn vakgebied zijn er nu geen afwijkingen aanwezig die er ook zouden zijn geweest of op enig moment hadden kunnen ontstaan als betrokkene het ongeval niet was overkomen. Het is niet uit te sluiten dat betrokkene ook zonder ongeval in dezelfde mate, omvang en frequentie als voor het ongeval het geval was, last van hoofdpijnklachten zou kunnen hebben gekregen. e. Ik verwacht niet dat de hoofdpijnklachten in de situatie zonder het ongeval tot enige vorm van beperkingen aanleiding zouden hebben gegeven daar ook voor het ongeval voor zover mij bekend deze hoofdpijnklachten eveneens niet tot wezenlijke hinder hebben geleid.” rapport Van Riel 22.2. Zoals in r.o. 4.18 van het tussenarrest van 2 februari 2010 overwogen, heeft het hof gelet op de eerdere fibromyalgieklachten van [X.] mede een onderzoek door een reumatoloog nodig geacht. Van Riel, de reumatoloog, heeft in zijn rapport op de hem gestelde vragen geantwoord dat hij op het moment van zijn onderzoek de diagnose fibromyalgie niet kan stellen, omdat [X.] niet aan de daartoe geldende criteria voldoet. Anamnestisch lijkt het er volgens hem wel op dat [X.] in 1995 en 1996 gedurende een periode last heeft gehad van pijnklachten van het bewegingsapparaat waarop destijds door de behandelend reumatologen zeer waarschijnlijk terecht de diagnose fybromyalgie is gesteld. Van Riel concludeert in zijn rapport dat [X.] ten tijde van het ongeval van haar fibromyalgie was genezen. De daarop betrekking hebbende vragen 1g, h,i, j en k beantwoordt Van Riel als volgt: “g. Mw. [X.] heeft momenteel beperkingen door slaapstoornissen ten gevolge van nachtelijke pijnklachten in haar nek en schouders. De lichamelijke beperkingen zijn met name in de cervicale wervelkolom gelokaliseerd zoals aangegeven bij c. h/i/j/k. Anamnestisch zijn de klachten en beperkingen gerelateerd aan het ongeval en hebben niets te maken met de jaren daarvoor gestelde diagnose fibromyalgie. Het is niet mijn expertise te oordelen over het beloop en de prognose van de aan het trauma gerelateerde klachten”. rapport Schoutrop 22.3. Ook het rapport van Schoutrop bestaat uit een medisch gedeelte met daarin een korte samenvatting van het dossier, een anamnese, een verslag van de bevindingen van het psychiatrisch onderzoek, waarna dit gedeelte wordt afgesloten met overwegingen en conclusies. Daarna worden de door het hof gestelde vragen, voor zover betrekking hebbend op de deskundigheid van de psychiater, beantwoord. 22.3.1. In genoemde overwegingen en conclusies constateert Schoutrop, voor zover van belang, het volgende: “Op mijn vakgebied heb ik geen klachten of symptomen kunnen vaststellen die wijzen op As I problematiek. Ik heb dus geen psychiatrisch ziektebeeld kunnen vaststellen. Uiteraard dient na een ongeval te worden gedacht aan een posttraumatische stressstoornis, maar betrokkene voldoet niet aan de criteria voor het stellen van deze diagnose. In het verleden is sprake geweest van depressieve symptomen en is ook de diagnose depressie gesteld. Bij mijn onderzoek heb ik tijdens de anamnese of het psychiatrisch onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van een depressieve stemmingsstoornis op dit moment. (…) Betrokkene heeft in de jaren voor het ongeval redelijk gefunctioneerd, zodat de diagnose persoonlijkheidsstoornis in de termen van DSM-IV waarschijnlijk niet aan de orde is. (…) Ik acht het zeer waarschijnlijk dat het ongeluk het evenwicht in haar leven heeft verstoord, hetgeen ook blijkt uit het feit dat betrokkene in de jaren na het ongeval, naast de lichamelijke klachten, ook duidelijke psychiatrische problematiek heeft gehad, zoals blijkt uit het medisch dossier en de anamnese van betrokkene.” 22.3.2. In deze overwegingen en conclusies is reeds het antwoord op vraag 1a, f en g (anamnese, diagnose en beperkingen) gegeven. Kort gezegd is er volgens Schoutrop geen sprake van psychiatrische problematiek en zijn er dus ook geen beperkingen op zijn vakgebied. Voorts zijn de volgende antwoorden van deze deskundige nog van belang: vraag 1d en e (consistentie) “d. (…) Ook lijkt er een discrepantie te zijn tussen de ernst van de door betrokkene gemelde klachten en beperkingen enerzijds en haar presentatie en mijn observatie tijdens het onderzoek anderzijds. e. (…) Er is een discrepantie tussen de ernst van de klachten van betrokkene en haar presentatie tijdens het gesprek met mij. Betrokkene is sterk gefixeerd op haar klachten. Daarnaast is er mijn inziens sprake van attributie: betrokkene legt een verband tussen alles wat mis is gegaan in haar leven na 2001 en het ongeval en de daarna ontstane pijnklachten. Ik denk niet dat betrokkene haar klachten bewust overdrijft, nadat in de loop der jaren de klachten een zeer centrale plaats in haar leven zijn gaan innemen.” Vraag 2d (klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval) “De beantwoording van deze vraag is speculatief. Het is moeilijk om te voorspellen of iemand in zijn/haar leven grote tegenslagen zal meemaken en hoe iemand daarop zal reageren. In het geval van betrokkene heeft betrokkene zich altijd staande weten te houden bij turbulente of stressvolle gebeurtenissen in haar leven. Het feit dat haar jeugd traumatiserend was, maakt haar mogelijk kwetsbaarder dan anderen. Dit betekent echter niet dat de conclusie gerechtvaardigd is dat zij psychische klachten zou ontwikkelen op enig moment in haar leven. Feit is dat zij tot aan het ongeval in 2001 redelijk/goed heeft gefunctioneerd. Er was sprake van een evenwicht in haar leven. Zij heeft nooit klachten gehad op mijn vakgebied en ze is voor het ongeval nooit onder behandeling geweest van een psychiater of psycholoog. Ik heb dus geen harde argumenten om aan te nemen dat betrokkene klachten of afwijkingen op mijn vakgebied zou hebben ontwikkeld als het ongeval haar niet was overkomen.” 22.4. Ten aanzien van de door partijen opgeworpen - formele - bezwaren tegen de deskundigenrapporten oordeelt het hof als volgt. 22.4.1. [X.] stelt dat Bernsen niet onafhankelijk heeft gerapporteerd. Zij verwijst daartoe naar de beantwoording van het disclosure statement waaruit blijkt dat deze deskundige naast gerechtelijke expertises alleen in opdracht van verzekeringsmaatschappijen expertises heeft verricht. Het hof gaat aan dit bezwaar voorbij. De enkele omstandigheid dat deze deskundige niet eerder in opdracht van een benadeelde een deskundigenonderzoek heeft verricht, betekent nog niet dat deze deskundige de onderhavige opdracht niet onafhankelijk en onpartijdig heeft uitgevoerd. Zijn rapport biedt naar het oordeel van het hof geen enkele aanwijzing om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van deze deskundige. 22.4.2. Het hof gaat eveneens voorbij aan de opmerking van London dat uit het disclosure statement van de deskundige Van Riel blijkt dat deze nimmer eerder als expertiserend deskundige optrad. Dat doet immers aan diens deskundigheid niets af. Het hof wijst er in dat verband op dat uit het disclosure statement van Van Riel blijkt dat hij al sinds 1985 werkzaam is als reumatoloog, dat hij thans is verbonden aan de afdeling Reumatische Ziekten van het Radboud Medisch Centrum van de Universiteit Nijmegen en dat uit de aanbiedingsbrief van 11 januari 2011 blijkt dat Van Riel hoofd is van die afdeling. Het hof twijfelt niet aan zijn deskundigheid. 22.4.3. De rapporten van de deskundigen zijn naar het oordeel van het hof begrijpelijk en consistent. Uit de rapporten blijkt dat de deskundigen nauwgezet verslag hebben gedaan van hun bevindingen bij het onderzoek van [X.] en dat zij vervolgens op grond daarvan de hun ter beantwoording voorgelegde vragen hebben beantwoord. Aldus is inzichtelijk hoe de deskundigen tot hun conclusies zijn gekomen. Het hof maakt alleen een uitzondering voor de conclusie van Bernsen dat de posttraumatische hoofdpijnklachten en mogelijk cognitieve stoornissen van [X.] zijn veroorzaakt doordat zij met haar hoofd tegen de voorruit van de auto is geslagen en dat de door [X.] aangegeven nekklachten passen bij de door [X.] met het hoofd doorgemaakte voorachterwaarts slingerende beweging. Het hof komt daar in r.o. 22.5.1 op terug. Voorts blijkt uit de rapporten dat de deskundigen (de advocaten van) partijen in de gelegenheid hebben gesteld op- en aanmerkingen te maken, zodat aan het voorschrift van artikel 198 Rv is voldaan. 22.4.4. Het hof gaat hierna bij de verdere beoordeling van het geschil in beginsel van deze rapporten uit en zal daarbij zo nodig ingaan op de overige - materiële - bezwaren van partijen. het bestaan van de klachten van [X.] 22.5. Zoals in het arrest van 2 februari 2010 in r.o. 4.7 is overwogen, dient [X.] gelet op de gemotiveerde betwisting van Londen allereerst het bestaan van de door haar gestelde klachten te bewijzen. hoofdpijn- en nekklachten, mogelijke cognitieve stoornissen 22.5.1. Neuroloog Bernsen concludeert in zijn rapport dat [X.] door het ongeval een licht traumatisch schedelhersenletsel categorie 3 heeft opgelopen. Op grond daarvan heeft [X.] volgens Bernsen posttraumatische hoofdpijnklachten en mogelijk cognitieve stoornissen. De door [X.] aangegeven nekklachten passen volgens Bernsen bij een whiplash associated disorder graad I. Zoals hiervoor is overwogen, is de conclusie van Bernsen, voor wat betreft het door hem zo duidelijk aangebrachte onderscheid tussen de hoofdpijnklachten en concentratiestoornissen enerzijds en de nekklachten anderzijds, voor het hof onvoldoende inzichtelijk. Bernsen onderbouwt in zijn rapport in het geheel niet waarom de hoofdpijnklachten en de concentratiestoornissen (indien deze komen vast te staan) enkel en alleen zijn te wijten aan het door hem veronderstelde schedelhersentrauma en niet hun oorzaak vinden in het whiplash trauma. Het is immers bekend dat ook hoofdpijnklachten en concentratiestoornissen vaak voorkomen bij PWS. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de door de rechtbank benoemde neurochirurg Beuls in zijn rapport d.d. 7 september 2007 juist heeft geconcludeerd dat er geen enkel vermoeden bestaat dat er bij het ongeval een hersenbeschadiging is opgetreden, daar noch bij de neurologische onderzoekingen noch bij de MRI afwijkingen van de hersenen van [X.] werden gevonden (p 21 van diens rapport). Deze conclusie heeft Beuls voorts onderbouwd doordat er ook bij de anamnese geen enkele aanwijzing is gevonden voor een hersenbeschadiging, dat er geen bewustzijnsverlies is geweest, geen posttraumatische amnesie en dat er na het ongeval geen neurologische uitval is geweest. Het bewustzijn is altijd intact gebleven, aldus Beuls. Om die reden volgt het hof op dit punt deze goed onderbouwde conclusie van Beuls en nu op dit punt een nadere onderbouwing van de conclusie van Bernsen ontbreekt, neemt het hof dit door Bernsen gemaakte onderscheid in de oorzaak van de klachten, schedelhersentrauma dan wel PWS, niet over. Bernsen geeft voorts in zijn rapport aan dat het feit dat [X.] tijdens het ongeval geen autogordel droeg heeft geleid tot een deceleratieletsel, een soort whiplashtrauma. Door die omstandigheid heeft [X.] een extra whiplashletsel opgelopen. Het enkele feit dat het hof Bernsen niet volgt in zijn conclusie dat de hoofdpijnklachten en (mogelijke) concentratiestoornissen zijn toe te rekenen aan een schedelhersentrauma, betekent daarom niet dat het niet dragen van de autogordel geen rol speelt. Doordat sprake was van twee whiplashtrauma’s dient derhalve een deel van de klachten dient aan het niet dragen van de gordel te worden toegeschreven. 22.5.2. Ten aanzien van de hoofdpijnklachten plaatst Bernsen de kanttekening dat de huidige hoofdpijnklachten “zeer wel kunnen samenhangen met het ruime analgeticagebruik” (p. 27 van het rapport). Voor alle duidelijkheid merkt het hof op dat de omstandigheid dat mogelijk de medische oorzaak van de hoofdpijnklachten (mede) is gelegen in het ruime gebruik van pijnstillers onverlet laat dat ook in dat geval sprake is van juridisch causaal verband tussen het ongeval en de hoofdpijnklachten van [X.]. Vaststaat namelijk dat [X.] onder meer in verband met de door het ongeval veroorzaakte hoofdpijn pijnstillers gebruikt. consistentie klachten 22.5.3. De vraag is vervolgens of de klachten van [X.] reëel en consistent zijn. Bernsen merkt in zijn rapport bij het onderzoek van het bewegingsapparaat (p. 7) op dat [X.] op verzoek de cervicale wervelkolom naar links en rechts over ongeveer 30 graden roteert en dat de ante- en retroflexie geschiedt over ongeveer 100-110 graden zij het met enige ondersteuning van hand onder het achterhoofd en dat de lateroflexie tot 30 graden wordt uitgevoerd. Bernsen voegt daar aan toe dat bij observatie van de spontane beweeglijkheid opvalt dat betrokkene wisselend geneigd is meer met de romp dan de nek te roteren, maar dat zij bij spontaan bewegen ook ongehinderde ruime rotatiebewegingen kan uitvoeren. In zijn antwoord op de vragen 1 d en e betreffende de consistentie van de klachten geeft Bernsen enerzijds aan dat deze door [X.] aangegeven klachten in voldoende mate in overeenstemming zijn met de gegevens zoals blijkende uit de medische gegevens, terwijl hij anderzijds opmerkt bij het huidige neurologische onderzoek geen consistente nekbewegingsbeperkingen te kunnen vaststellen. Ook Schoutrop maakt in zijn antwoord op de vragen 1 d en e melding van een discrepantie tussen de ernst van de klachten van [X.] en haar presentatie bij het gesprek, maar hij denkt niet dat [X.] haar klachten bewust overdrijft. Hieruit blijkt dat beide deskundigen enige twijfels hebben bij de consistentie van de klachten van [X.]. De rapporten van Bernsen en Schoutrop bevatten naar het oordeel van het hof echter onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat [X.] de klachten simuleert. Dit betekent dat het hof op basis van alle medische gegevens in deze zaak ervan uitgaat dat de klachten serieus en dus reëel zijn. 22.5.4. Bernsen komt in zijn rapport op grond van de NVN richtlijn van november 2007 tot de conclusie dat nu voor de klachten van [X.] een neurologisch substraat ontbreekt, er geen sprake is van neurologische beperkingen. Dit doet er evenwel niet aan af dat op grond van zijn rapport en gelet op hetgeen in r.o. 22.5.2 is overwogen de hoofdpijn- en nekklachten van [X.] voldoende zijn komen vast te staan. Het hof is om die reden van oordeel dat ten aanzien van de beperkingen aansluiting kan worden gezocht bij het rapport van Beuls. In het arrest van 2 februari 2010 is wel overwogen dat aan Beuls niet de juiste vragen zijn gesteld, maar dat had vooral betrekking op de aan Beuls gestelde vraag omtrent het causaal verband en niet op de vraagstelling met betrekking tot de beperkingen van [X.]. cognitieve stoornissen 22.5.5. De door [X.] gestelde cognitieve stoornissen zijn door Bernsen niet vastgesteld. Bernsen merkt in zijn rapport (II.2 Specieel lichamelijk onderzoek, p. 7) op: “Betrokkene is helder, ze geeft op consistente en adequate wijze antwoord op de vragen en ten tijde van het onderzoek kan ik geen cognitieve functiestoornissen vaststellen (anamnese en lichamelijk onderzoek namen 21/2 uur in beslag.” Bernsen heeft het in zijn rapport dan ook over mogelijke cognitieve stoornissen. Ook Schoutrop relateert in zijn rapport (p. 11) dat [X.] aangeeft dat zij last heeft van concentratie- en geheugenklachten, maar dat hij daarvan tijdens het gesprek niets merkt. [X.] is tijdens het hele gesprek alert aanwezig, reageert adequaat op de gestelde vragen en ook aan het eind van het gesprek zijn er geen tekenen van afnemende concentratie of toenemende vermoeidheid, aldus Schoutrop. Volgens Beuls zijn de gestelde geheugenstoornissen niet van neuropsychologische aard maar zijn deze te beschouwen als leeftijdsgebonden geheugenmoeilijkheden (p. 9 van zijn rapport). 22.5.6. De rapporten van Bernsen en Schoutrop geven aanleiding tot twijfel over het bestaan van cognitieve functiestoornissen, terwijl ook Beuls in zijn rapport aangeeft de geheugenproblemen te zien als een normaal ouderdomsverschijnsel. Gezien het feit dat [X.] gedurende lange tijd melding van dergelijke klachten maakt, ziet het hof toch aanleiding een neuropsychologisch onderzoek te gelasten. Een neuropsycholoog is immers bij uitstek deskundig om zowel het bestaan als de realiteit en consistentie van de - gestelde - cognitieve stoornissen c.q. beperkingen van [X.] vast te stellen en aldus iedere twijfel daaromtrent uit te sluiten. Daarbij neemt het hof voorts in aanmerking dat uit het rapport van Bernsen, anders dan London stelt, niet blijkt dat Bernsen ter vaststelling van de concentratiestoornissen neuropsychologisch onderzoek niet aangewezen acht. Zo schrijft Bernsen op p. 1 van zijn - definitieve - rapport immers: “Mr. Bedaux gaf eveneens te kennen geen op- of aanmerkingen op de verdere inhoud van het rapport te hebben behoudens het verzoek om neuropsychologisch onderzoek te laten verrichten (brief van 28-2-2011). Alvorens een neuropsychologisch onderzoek echter kan worden aangevraagd, dient duidelijk te zijn geworden dat er geen psychiatrische verklaring voor de cognitieve klachten van betrokkene aanwezig is.” Uit het rapport van Schoutrop blijkt dat er voor de gestelde cognitieve stoornissen geen psychiatrische verklaring is. Het hof verwijst daartoe naar de hiervoor onder 18.3.1 en 18.3.2 opgenomen passages uit het rapport van Schoutrop. Daarnaast volgt het hof London niet in haar standpunt dat [X.] het recht op een neurologisch onderzoek heeft verwerkt. Zoals in r.o. 8.5.2 van het arrest van 13 juli 2010 is overwogen, kon volgens het hof vooralsnog worden volstaan met de benoeming van neuroloog, reumatoloog en psychiater. De conclusie is dan ook dat er aanleiding is alsnog een neuropsychologisch onderzoek te gelasten. 22.5.7. Het hof plaatst daarbij nog de volgende kanttekening. Volgens Bernsen levert een neuropsychologisch onderzoek de meeste informatie op als [X.] het analgeticagebruik staakt, omdat met name de morfine preparaten en de benzodiazepines de cognitieve functies in belangrijke mate kunnen beïnvloeden (zie p. 28 van zijn rapport; zie ook r.o. 22.1.1). Vaststaat evenwel dat [X.] in verband met de door het ongeval veroorzaakte hoofdpijn- en nekklachten genoemde pijnstillers gebruikt. Dit betekent dat eventuele cognitieve stoornissen, veroorzaakt door het gebruik van pijnstillers, juridisch aan het ongeval moeten worden toegerekend. Het hof is dan ook van oordeel dat de neuropsycholoog [X.] dient te onderzoeken uitgaande van haar huidige situatie, dus met het voor [X.] gebruikelijke gebruik van pijnstillers. causaal verband tussen het ongeval en de klachten 22.6.1. London heeft het causaal verband tussen het ongeval en de klachten onder meer betwist op grond van de preëxistente fibromylagie klachten van [X.]. Uit het rapport van reumatoloog Van Riel blijkt dat dit standpunt niet juist is. Van Riel concludeert immers dat er ten tijde van het ongeval bij [X.] geen sprake meer was van fibromyalgie. London maakt de deskundige het verwijt dat hij bij deze conclusie zich te zeer heeft gericht op de van [X.] verkregen anamnestische gegevens en dat hij onvoldoende aandacht heeft besteed aan de in de brief van London van 1 december 2010 aan de orde gestelde feiten. Het hof is evenwel van mening dat uit het rapport van Van Riel helemaal niet volgt dat hij zijn conclusie alleen heeft gebaseerd op informatie afkomstig van [X.]. Uit zijn rapport blijkt immers duidelijk dat hij zijn conclusie mede en vooral baseert op de voor dit punt relevante medische gegevens van [X.], zoals door Van Riel zelf ook aangegeven in zijn brief van 3 januari 2001. Voorts heeft de deskundige de door London weergegeven feiten in deze brief genoegzaam weerlegd. Het hof citeert voor alle duidelijkheid uit genoemde brief van Van Riel: “Ik heb inderdaad in mijn conceptrapportage aangegeven dat ik op basis van de anamnese van mw. [X.] en de diverse rapportage(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.