GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.060.508 arrest van de tweede kamer van 22 november 2011 in de zaak van
(1947)moeten de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoelingen worden uitgelegd tegen de achtergrond van art. 733 oud BW, nu daarin (destijds) gelijksoortige erfdienstbaarheden waren beschreven. Hierbij ging het artikel van smal (art. 733 lid 1 oud BW over voetpaden), via middel (art. 733 lid 2 oud BW over rijpaden/dreven) naar breed (art. 733 lid 3 BW over wegen). In het onderhavige geval dient - nu een oprit impliceert dat daarover gereden kan worden - naar het oordeel van het hof te worden aangesloten bij art. 733 lid 3 oud BW dat bepaalt: “Die [de erfdienstbaarheid, hof] van weg is het regt om er met een wagen, een rijtuig, enz. over te rijden.” Dat betekent dat de oprit “in de ruimste zin des woords” breed genoeg moet zijn om met auto’s – zonder aanduiding van de breedte daarvan - over te kunnen rijden. Wel dient het begrip rijden over de oprit als zodanig begrepen te worden, dat het gaat om rijden met in beginsel personenauto’s, nu de akte duidelijk spreekt over rijden van en naar het bouwterrein (thans kennelijk de garage/carport) en het huis en erf van (thans) [A.] c.s. Tijdens de comparitie in eerste aanleg hebben [A.] c.s. onbetwist verklaard dat in 1947 een schildersbedrijf in hun pand gevestigd was. Daaruit leidt het hof af dat ook met kleinere bedrijfswagens over de oprit moet kunnen worden gereden. Soms wordt wel aangenomen dat op een oprit door de berijder (en/of de eigenaar) ervan geparkeerd mag worden. Dat dit in het onderhavige geval niet de bedoeling was, leidt het hof af uit de tekst van de akte, waar deze bepaalt dat de oprit “steeds vrij [moet] blijven”. 8.4.
- In de akte staat voorts dat de oprit “nimmer als bergplaats [mag] worden gebruikt. Gecombineerd met het reeds vermelde vereiste dat de oprit steeds vrij moet blijven, leidt het hof uit deze bewoordingen af dat het niet de bedoeling was van partijen dat er welke zaak dan ook op de oprit wordt geplaatst. Zodra op de oprit een zaak is geplaatst, is de oprit immers niet meer vrij en kan soms zelfs, afhankelijk van de aard van de zaak (het hof denkt hierbij bijvoorbeeld aan de reeds gemelde tuinslang, tuinbankje en plantenpotten), sprake zijn van een verboden bergplaats (in de zin van de akte). 8.4.
- Anders is dat met de pergola. Deze is, zo blijkt uit de door beide partijen overgelegde foto’s, niet geplaatst op, maar aan de oprit. De pergola dient hoog genoeg te zijn om personenauto’s (en kleinere bedrijfswagens) te laten passeren. Uit de overgelegde foto’s blijkt niet, dat de auto van [A.] c.s. – noch een kleinere bedrijfswagen - niet onder de pergola door kan, waar gesteld is dat de pergola tussen de 1.80 m en 2.50 m hoog is. Er is naar het oordeel van het hof dan ook geen aanleiding om [C.] c.s. te veroordelen tot het weghalen van de pergola. Wel zullen zij de pergola te allen tijde gesnoeid moeten houden, zodat er absoluut geen sprake is van overhangende takken, die de vrije doorgang van [A.] c.s. zouden kunnen belemmeren. 8.4.
- Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de partijbedoelingen zoals die blijken uit de in de akte gebruikte bewoordingen aldus moeten worden uitgelegd dat beoogd werd om voor het perceel van (thans) [A.] c.s. een mogelijkheid te creëren om geheel ongehinderd met een personenauto (of kleinere bedrijfswagen) te komen en gaan naar de openbare straat via de oprit van (thans) [C.] c.s., waarbij op de oprit geen zaken aanwezig mogen zijn die deze doorgang op enigerlei wijze zouden kunnen hinderen. Overigens valt niet op enigerlei wijze uit de tekst van de akte een partijbedoeling te halen die wijst op een onderhoudsplicht door [C.] c.s. ten behoeve van de doorgang door [A.] c.s., zoals [A.] c.s. kennelijk daarin ook lezen, vergelijke hun betoog over het weghalen van sneeuw. Het vrij blijven van de oprit van allerlei zaken, waarover de akte blijkens ’s hofs uitleg het heeft, ziet alleen op door derden daarop en daaraan aangebrachte zaken, niet op sneeuw. 8.5.
- [A.] c.s. hebben eveneens geklaagd over het oordeel van de rechtbank aangaande de barbecue. Bij de beoordeling hiervan stelt het hof voorop dat art. 5:74 BW bepaalt dat een erfdienstbaarheid dient te worden uitgeoefend op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze. De oprit behoort tot het perceel van [C.] c.s., waarmee zij in beginsel mogen doen en laten wat zij willen, zij het dat zij te allen tijde aan [A.] c.s. de vrije doorgang moeten verlenen, zoals hierboven omschreven. 8.5.
- In beginsel betekent dit dat [C.] c.s. op de oprit mogen zitten, staan, voetballen, barbecueën en wat dies meer zij, zolang [A.] c.s. er maar door kunnen als zij willen. De goede trouw die alle rechtssubjecten onderling jegens elkaar in acht dienen te nemen, brengt wel mee dat partijen zich jegens elkaar fatsoenlijk dienen te gedragen en elkaar niet mogen hinderen bij de uitoefening van hun rechten. Hier botsen de rechten van partijen. Kennelijk zijn partijen niet in staat om over deze botsing onderling afspraken te maken. Het hof kan in deze partijen ook geen afspraken opdringen, maar het hof hecht eraan te benadrukken dat het gebruik door [A.] c.s. van hun erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze kan inhouden dat zij bij het inrijden van de oprit enig geduld moeten betrachten wanneer dat inrijden zeer korte tijd niet mogelijk is omdat [C.] c.s. op de oprit activiteiten uitoefenen, maar dat anderzijds [C.] c.s. deze activiteiten zo snel als mogelijk moeten beëindigen om [A.] c.s. de doorgang te verlenen. Hetzelfde geldt voor het uitrijden door [A.] c.s. uit de carport over de oprit: dit zullen zij niet op onredelijke gronden moeten doen, maar – aangenomen dat [A.] c.s. niet op onredelijke gronden van de oprit gebruik maken – te gelden heeft dat ook dan [C.] c.s. hen vlot doorgang dienen te verlenen. Uiteraard zal in een acute situatie acuut gehandeld moeten worden. 8.5.
- Het hof verenigt zich op dit punt dan ook geheel met het oordeel van de rechtbank. 8.6.
- De conclusie uit het voorgaande is, dat de grieven van [A.] c.s. in zoverre slagen, dat [C.] c.s. zal worden veroordeeld om alle daaraan verbonden zaken, met uitzondering van de bloembakken/waterkering langs het huis van [C.] c.s. en de pergola, van de oprit te verwijderen, zodat de oprit weer geheel vrij zal zijn ten behoeve van de doorgang door [A.] c.s. Het hof ziet aanleiding de gevorderde dwangsom daarbij te bepalen op € 100,-- per dag met een maximum van € 5000,--. De vordering van [A.] c.s. tot het vrijhouden van de oprit van barbecuebenodigdheden en andere obstakels die de vrije doorgang verhinderen zal worden afgewezen voor zover het zaken betreft die bij gebruik van de oprit door [A.] c.s. snel en op eenvoudige wijze kunnen worden verwijderd. Aan deze veroordeling zal het hof geen dwangsom verbinden. 8.6.
- Het beroepen vonnis zal derhalve gedeeltelijk worden vernietigd, als in het dictum te melden. In hoger beroep zullen de proceskosten worden gecompenseerd, nu beide partijen deels in het ongelijk gesteld zijn. 8.6.
- Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
- De uitspraak Het hof: vernietigt het beroepen vonnis van de rechtbank Maastricht op 11 mei 2010 tussen partijen gewezen, doch slechts in zoverre dat daarin (impliciet) de vorderingen van [A.] c.s. tot verwijdering van de zich op de oprit bevindende zaken is afgewezen; en in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [C.] tot verwijdering binnen tien dagen na de datum van dit arrest van alle zaken die zijn aangebracht op of zich bevinden op de oprit (met uitzondering van de bloembakken/ waterkering en alle zich daarin bevindende – niet over de oprit hangende – planten en andere zaken, en met uitzondering van de pergola die is aangebracht aan de oprit) op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag dat [C.] c.s. niet aan dit arrest voldoen, met een maximum van € 5.000,--; bepaalt voormelde veroordeling tevens geldt voor zaken die niet direct en eenvoudig van de oprit kunnen worden verwijderd als [A.] c.s. van de oprit gebruik willen maken. Voor zover het voorwerpen betreft die wel op eenvoudige wijze en snel uit de weg kunnen worden gebracht, bepaalt het hof dat die niet zullen vallen onder het op te leggen verbod maar dat die voorwerpen op eerste verzoek van [A.] c.s. dienen te worden verwijderd om aan [A.] c.s. vrije doorgang te bieden; bekrachtigt het beroepen vonnis voor het overige; compenseert de proceskosten in dit hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders gevorderde; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 november 2011.