← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2011:BW7409

BELASTINGKAMER Nr. 04/01512 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst Limburg, kantoor Maastricht, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is (hierna: de Inspecteur), op de bezwaarschriften betreffende na te melden (navorderings)aanslagen, besluiten en beschikkingen.

  1. Ontstaan en loop van het geding 1.
  2. Het onderhavige beroep is gericht tegen de uitspraken betreffende de navolgende aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen: JaarAanslagnummerDagtekening19900000.00.000.H.0831 december 200219910000.00.000.H.1831 mei 200319920000.00.000.H.2831 mei 200319930000.00.000.H.3831 mei 200319940000.00.000.H.4831 mei 200319950000.00.000.H.5717 juni 200319960000.00.000.H.676 juni 200319970000.00.000.H.776 juni 200319980000.00.000.H.8831 mei 200319990000.00.000.H.9831 mei 2003 de navolgende aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen: JaarAanslagnummerDagtekening20000000.00.000.H.0631 mei 2003 de navolgende navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting: JaarAanslagnummerDagtekening19910000.00.000.K.1831 december 200219920000.00.000.K.2831 mei 200319930000.00.000.K.3831 mei 200319940000.00.000.K.4831 mei 200319950000.00.000.K.5831 mei 200319960000.00.000.K.6831 mei 200319970000.00.000.K.7831 mei 200319980000.00.000.K.8831 mei 200319990000.00.000.K.9831 mei 200320000000.00.000.K.0731 mei 2003 alsmede de kwijtscheldingsbesluiten ter zake van de in de (navorderings)aanslagen begrepen verhogingen respectievelijk de gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen vastgestelde boetebeschikkingen, alsmede tegen de gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen vastgestelde beschikkingen heffingsrente (hierna: de aanslagen en de beschikkingen). De in de navorderingaanslagen begrepen verhogingen na eventuele kwijtschelding worden hierna begrepen onder 'boeten'. Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur bij de bestreden, in één geschrift vervatte, uitspraken de aanslagen en de beschikkingen gehandhaafd. 1.
  3. Belanghebbende is tegen de in één geschrift vervatte uitspraken (hierna: de uitspraak op bezwaar) door middel van één beroepschrift in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van €
  4. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  5. Belanghebbende heeft op 9 juni 2008 een conclusie van repliek (met bijlagen) toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De Inspecteur heeft bij brief van 14 november 2008 een conclusie van dupliek (met bijlagen) toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De bijlagen betreffen het Draaiboek en de Nieuwsbrieven. Hierin zijn bepaalde passages verwijderd overeenkomstig de tussenuitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 19 april 2006, nr. 04/04923, LJN: AW2127, met de verbeteringen c.q. aanvullingen op grond van de tussenuitspraak van Rechtbank Breda van 3 januari 2007, nr. 05/2586, LJN: AZ
  6. 1.
  7. Op 7 januari 2010 heeft een regiezitting plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Op voorspraak van het Hof zijn partijen niet verschenen, met bericht daarvan aan het Hof. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft het Hof mr. J.G. Verseput aangewezen als raadsheer-commissaris in de zin van artikel 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in combinatie met artikel 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR, tekst 2004). Aan hem is opgedragen (een gedeelte van) het vooronderzoek te verrichten. Het Hof heeft vervolgens ingevolge het bepaalde in artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek door de raadsheer-commissaris zal worden hervat. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.
  8. Op 17 mei 2010 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.
  9. De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens het verstrekken van inlichtingen een gedeeltelijke vertaling van een uitspraak van Rechtbank Brussel van 8 december 2009 overgelegd. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen deze overlegging. Het Hof rekent deze vertaling tot de stukken van het geding. Van het verstrekken van inlichtingen is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.
  10. De griffier heeft bij brief van 8 juli 2010 de Inspecteur om nadere, schriftelijke, inlichtingen verzocht. De Inspecteur heeft de gevraagde inlichtingen verstrekt bij brief van 30 juli
  11. 1.
  12. Bij brief van 12 juli 2010 heeft belanghebbende de raadsheer-commissaris verzocht tot het instellen van een Geheimhoudingskamer met betrekking tot het Draaiboek en de Nieuwsbrieven. Op 22 juli 2010 heeft de griffier de partijen schriftelijk bericht dat de raadsheer-commissaris met inachtneming van artikel 8:29 van de Awb het procesdossier in handen heeft gesteld van de Geheimhoudingskamer. Voor het verloop van de procedure bij de Geheimhoudingskamer wordt verwezen naar onderdeel 1 van de uitspraak van de Geheimhoudingskamer van 11 augustus 2011, eveneens met procedurenummer 04/
  13. 1.
  14. Belanghebbende heeft bij brieven van 12 juli 2010, 18 augustus 2010 en 8 november 2010 schriftelijke inlichtingen verstrekt. De Inspecteur heeft bij brieven van 9 maart 2010, 4 mei 2010, 10 augustus 2010, 11 augustus 2010 en 7 september 2010 nadere inlichtingen verstrekt. 1.
  15. Op 22 september 2010 heeft in het kader van het vooronderzoek een tweede inlichtingencomparitie plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.
  16. Belanghebbende heeft tijdens het verstrekken van inlichtingen een pleitnota (met bijlagen) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de overlegging van de bijlagen. Het Hof rekent deze pleitnota (met bijlagen) tot de stukken van het geding. Van het verstrekken van inlichtingen is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.
  17. Op 11 augustus 2011 heeft de Geheimhoudingskamer uitspraak gedaan in de onderhavige procedure. Afschriften van de uitspraak zijn met dagtekening 11 augustus 2011 aan partijen toegezonden. 1.
  18. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november
  19. Aldaar zijn toen verschenen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.
  20. De Inspecteur heeft op verzoek van het Hof voor het onderzoek ter zitting bij brief van 27 oktober 2011 nadere stukken toegezonden aan het Hof (en door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. Tevens heeft de Inspecteur voor het onderzoek ter zitting bij brief van 27 oktober 2011 een pleitnota met als bijlage herziene berekeningen toegezonden aan het Hof (en door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een tweetal pleitnota's (met bijlagen) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de overlegging van de bijlagen. Het Hof rekent de pleitnota's en de nader ingediende stukken tot de stukken van het geding. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. 1.
  21. Het derde onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.
  22. De gemachtigde van belanghebbende heeft met toestemming van het Hof voor het onderzoek ter zitting bij brief van 21 november 2011 een nadere reactie (met bijlagen) toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De gemachtigde van belanghebbende heeft met toestemming van het Hof voor het onderzoek ter zitting bij brief van 23 november 2011 nadere stukken toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De Inspecteur heeft met toestemming van het Hof voor het onderzoek ter zitting bij brief van 28 november 2011 een nadere schriftelijke reactie (met bijlagen) toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota (met bijlagen) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de overlegging van de bijlagen. Het Hof rekent de pleitnota en de nader ingediende stukken tot de stukken van het geding. 1.
  23. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. 1.
  24. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 1.
  25. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 12 december 2011 de door KB-Lux verstrekte sluitingsverklaring toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. Het Hof laat deze sluitingsverklaring in zijn uitspraak buiten beschouwing.
  26. Feiten Op grond van de stukken van het geding, het vooronderzoek door de raadsheer-commissaris en het verhandelde ter zittingen staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: 2.
  27. Fotokopie met startinformatie De Inspecteur heeft de in geschil zijnde aanslagen en beschikkingen gebaseerd op een tweetal fotokopieën (hierna: het renseignement). Op dit renseignement is vrijwel de volledige tekst verwijderd. Er resteren de volgende leesbare teksten: In het hoofd van de eerste kopie: "CGL0001/CGP0005 13/11100/Des: Comptabilite [...] Implementation GL:M Justificatif des soldes par rubriques IML au 31/01/1994 [...] Editee le 17/02/1994 a 08H34 page: 4.401 [...] Rubrique IML: 20222300 [...] Det. pers.phys. c.courants/vue [...] Devise 040 [...] CLE IML: 21110000 9900 000 NL 920 110". De enige leesbare regel daaronder luidt: "52-666666-30-0000 00 0040 vue Hubertus X-XX 73,22". In het hoofd van de tweede kopie: "CGL0001/CGP0005 13/11100/Des: Comptabilite [...] Implementation GL:M Justificatif des soldes par rubriques IML au 31/01/1994 [...] Editee le 17/02/1994 a 08H34 page: 5.638 [...] Rubrique IML: 20222300 [...] Det. pers.phys. terme/preavis [...] Devise: 040 [...] CLE IML: B1431000 9900 000 NL 920 120". De enige leesbare regel daaronder luidt: "53-666666-57-0000 00 0040 ter ldo Hubertus X-XX 50.288,59". De valuta van beide rekeningen is de Nederlandse gulden. Het renseignement bestaat uit fotokopieën van pagina's die deel uitmaken van de hierna te bespreken door de Belgische belastingdienst uitgewisselde informatie. 2.
  28. Door de Belgische belastingdienst uitgewisselde informatie 2.2.
  29. Gedagtekend 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere Belastinginspectie (hierna: BBI) een brief met bijlagen gezonden aan de heer 'A', Ministerie van Financiën, Belastingdienst/FIOD/Haarlem/ Internationaal met als onderwerp: "Administratieve bijstand tussen België en Nederland. Spontane uitwisseling van inlichtingen. Zaak: NV KREDIETBANK en KREDIETBANK LUXEMBOURG [Hof: hierna KB-Lux]" De spontane uitwisseling van inlichtingen is volgens de brief gebaseerd op artikel 4 van de EG-Richtlijn van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/799/EEG) en op artikel 27 van de overeenkomst tussen België en Nederland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdend met de belastingheffing, ondertekend te Brussel op 19 oktober
  30. De brief van 27 oktober 2000 luidt vervolgens voor zover hier van belang: "Hierbij worden u fotokopieën van microfiches overgemaakt die afkomstig zijn uit het gerechtelijk dossier lastens KREDIETBANK NV en die in origineel in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Brussel. Deze microfiches bevatten gegevens in verband met financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-Lux) op naam van de inwoners van uw land. [...] KB-Lux betwist de juridische geldigheid van de stukken in het gerechtelijk dossier als bewijsmiddel. De Belgische fiscale administratie beschikt echter over de toelatingen tot consultatie van het betrokken gerechtelijk dossier. Deze toelating is rechtsgeldig verleend door de heer Procureur Generaal bij het Hof van Beroep te Brussel en laat de inzage en afschriftname toe, evenals het gebruik van de stukken met inachtname van - Belgische wetgeving, meer bepaald artikel 338 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (WIB 92), - Beschikkingen van toepassing inzake overeenkomsten ondertekend door België en partnerlanden, ter voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van de uitwisseling van informatie. [...] Deze zending bevat fotokopieën van de afgedrukte microfiches. Van sommige afdrukken is de leesbaarheid niet optimaal. Het is dus niet uitgesloten dat sommige van de u toegezonden fotokopieën moeilijk leesbaar zijn. De bewuste stukken stellen per pagina voor: De "Rechtvaardiging van de saldi per LMI rubrieken op 31/01/1994" [Hof: LMI is Luxemburgs Monetair Instituut]. Hoewel de meeste saldi positief zijn, kunnen negatieve saldi eveneens voorkomen. De aard van de betrokken rekeningen kan van 5 types zijn: . Zichtrekeningen van klanten van KB-Lux . Termijnrekeningen/rekeningen met opzegtermijn . Termijnspaarrekening/spaarrekening met opzegtermijn . Rekeningen belichaamd door kasbonnen . Rekeningen van andere aard (Cr klanten, andere interne rekeningen van de KB-Lux boekhouding,...) De gegevens zijn afkomstig uit de interne administratie/boekhouding van de KB-Lux. De onderverdeling per nationaliteit is door KB-Lux zelf gemaakt. Vermits per klant slechts een beperkt aantal gegevens beschikbaar zijn (naam en eventueel naam van de partner, voornamen) zal het niet steeds mogelijk zijn de identificatie van de klant met 100% zekerheid te bepalen. Beide vermeldingen maken een oordeelkundig gebruik van de overgemaakte informatie noodzakelijk. De overgemaakte gegevens zijn de enige die blijken uit het gerechtelijk dossier. Verdere informatie betreffende de rekeninghouders (bijvoorbeeld voor identificatie) is niet beschikbaar. Algemene kenmerken van de documenten [...] . Elke pagina gedrukte microfiche bevat in de rechterbovenhoek een paginanummer.

(1). De meeste LMI genummerde rubrieken krijgen automatisch een omschrijving die de juiste aard van de betrokken rekening herneemt.
(2). Elke pagina vermeldt de valuta, waarin de rekeningsaldi zijn uitgedrukt.
(3). Ter hoogte van de lijn met de LMI-sleutel is de nationaliteit van de rekeninghouder van de lijst aangegeven (zie lijst ISO-codes van de landen in bijlage B5).
(4). Elke lijn van de inschrijving betreft een verschillende rekening. Het ligt voor de hand dat eenzelfde persoon verschillende rekeningen kan bezitten en bijgevolg meer dan eenmaal op de lijst kan voorkomen. . Elke lijn van inschrijving vermeldt: . het rekeningnummer van de titularis; enkel de eerste 10 cijfers komen in aanmerking
(5). in dit nummer behoren de 6 cijfers tussen de gedachtestreepjes aan één enkele rekeninghouder toe en zijn altijd opgenomen in zijn rekeningnummer, ongeacht de aard ervan (zicht-, deposito-, spaarrekening, enz.).
(6). De naam van de rekeninghouder.
(7)Hierbij dient te worden opgemerkt dat de namen voorafgegaan door de letters W.K. codenamen betreffen waarvoor geen verdere informatie bekend is. . Het rekeningsaldo in de gespecificeerde valuta.
(8)" De bij deze brief toegezonden informatie is in eerste instantie geschat op ongeveer 1.000 fotokopieën en naderhand nauwkeuriger geschat op ongeveer 800 fotokopieën. Op iedere fotokopie staan maximaal 47 regels. In totaal ging het om circa 20.000 bankrekeningen van circa 10.200 Nederlandse rekeninghouders. Bij deze brief zijn, naast de toegezonden informatie - onder meer - de volgende bijlagen gevoegd: - Bij wijze van voorbeeld een fotokopie van een microfiche waarop de hierboven tussen haken genoemde cijfers zijn geschreven en de namen zijn zwartgemaakt. - Een lijst met valutacodes met omrekeningskoers. - De lijst met ISO-landencodes. 2.2.
  1. In een namens de Belgische federale minister van Financiën aan de Belastingdienst FIOD-ECD (hierna: FIOD) te Haarlem gericht schrijven van 20 februari 2003, met als onderwerp "Inlichtingenuitwisseling inzake NV Kredietbank en Kredietbank Luxembourg" is onder meer het volgende opgenomen: "Teneinde aan te tonen dat de betreffende microfiches effectief afkomstig zijn van KB-Lux, werden de afdrukken van bepaalde van deze microfiches vergeleken met documenten die met zekerheid afkomstig waren van KB-Lux (papier met hoofding en logo van KB-Lux) en die door sommige belastingplichtigen zelf ter beschikking werden gesteld als antwoord op de aan hen gestelde vragen om inlichtingen. Bij die vergelijking werd vastgesteld dat de rekeningnummers en de saldo's die voorkomen op de microfiches wel degelijk overeenkomen met deze die voorkomen op de door de betrokken belastingplichtigen ter beschikking gestelde documenten (zie bijlagen)." Bij deze brief zijn als bijlagen fotokopieën van afdrukken van microfiches (hierna: microfiches) gevoegd en kopieën van rekeningoverzichten. Beide zijn geanonimiseerd. De volgende gegevens komen op beide stukken voor: Rekeningnummer Saldo op 31/01/1994 55-111111-20 728,59 54-222222-90 50,00 53-333333-32 2.160.000,00 56-444444-38-2 332.520,00 52-555555-17 478,00 2.
  2. De verwerking van de van de Belgische belastingdienst verkregen informatie door de Nederlandse belastingdienst Na ontvangst van de informatie zijn door de Belastingdienst de volgende acties ondernomen:
(1)Om zekerheid te krijgen over de rechtmatigheid van de verkrijging van de informatie vanuit België is door B/CPP een 'tafeltje' ingericht. Daaraan namen vertegenwoordigers deel van het Ministerie, de kennisgroep Boete- en strafrecht, FIOD internationaal, een contactambtenaar en het Openbaar Ministerie (hierna: OM)/Expertisecentrum Fiscale Fraude (hierna: EFF). De vraag of de van de Belgische autoriteiten ontvangen informatie fiscaal (en strafrechtelijk) rechtmatig is te gebruiken, heeft deze groep in een nota van 16 augustus 2001 beantwoord.
(2)Er is nauw overleg gevoerd met het OM over de mate waarin posten konden worden voorgedragen voor strafrechtelijke vervolging en de criteria die daarbij van belang waren. Het aantal posten dat kon worden voorgedragen werd bepaald door de capaciteit bij het OM. Besloten werd om maximaal 200 posten daarvoor te selecteren. Op 10 oktober 2001 is gestart met de vervolging van een beperkt aantal personen met Duitse bankrekeningen. Op 30 oktober 2001 is de eerste tranche gestart met de vervolging van 50 posten KB-Lux. Op 12 december 2001 stond de tweede tranche van ongeveer 150 posten gepland.
(3)Door de Directies Particulieren (hierna: DPU), Ondernemingen Noord (hierna: DON), Ondernemingen Zuid (hierna: DOZ) en de FIOD is vooronderzoek gedaan op basis van een aantal van de beschikbaar gekomen gegevens. Dit vooronderzoek betrof onder meer de identificatie van de in de ontvangen documentatie vermelde namen.
(4)Op grond van de bevindingen van dit onderzoek is, na consultatie van de politieke leiding, besloten over te gaan tot een landelijke actie in ITO-verband (Intensief Toezicht en Opsporing) in het najaar van 2001 en de eerste maanden van 2002. Voor de uitvoering van deze actie heeft de Directieraad op 29 augustus 2001 besloten een project te starten waarin de FIOD, de DPU, DON, DOZ en het OM/EFF participeren. De directeuren van de FIOD, de DPU, DON, en DOZ zijn opdrachtgever voor dit zogenoemde Rekeningenproject. Namens deze opdrachtgevers is een stuurgroep ingesteld. Namens de directies is een Projectgroep Rekeningenproject ingesteld bestaande uit vier projectleiders.
(5)De projectopdracht is als volgt geformuleerd: - Draag zorg voor de identificatie van de beschikbare renseignementen; - Selecteer op basis van vooraf vastgestelde criteria (Aanmeldings- Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen, hierna: ATV-richtlijnen) posten voor strafrechtelijke behandeling en ontwikkel een draaiboek voor de uitvoering van het traject; - Ontwikkel een geïntegreerd draaiboek voor de administratiefrechtelijke behandeling van de posten op de eenheden Particulieren en (Grote) Ondernemingen. Besteed daarbij aandacht aan nieuwe vervolgenswaardige zaken die voldoen aan de ATV-richtlijnen; - Draag zorg voor eenheid van beleid en uitvoering door de coördinatie van de verschillende acties, door zorg te dragen voor een geïntegreerde aanpak en door een strakke regie bij de uitvoering; - Draag zorg voor de voortgangsbewaking, voor informatie en communicatie en (tussentijdse) rapportages. Het totaal aantal mensdagen dat benodigd is voor het project wordt geschat op 9.280. De startdatum van het Rekeningenproject is 1 november 2001. De verwachte einddatum was toen eind juni 2002, welke einddatum kon worden verschoven indien daarvoor aanleiding bestond. 2.4. De identificatie van belanghebbende als rekeninghouder Aan de hand van de van de Belgische belastingdienst ontvangen informatie heeft de Nederlandse belastingdienst gezocht naar een koppeling tussen de namen vermeld in de fotokopie en de bij de Belastingdienst bekende belastingplichtigen. Daartoe is eerst nagegaan of de combinatie Hubertus X met als (gewezen) partner XX voorkomt in het bestand Beheer van Relaties (hierna: BVR-bestand) van de Belastingdienst. Het BVR-bestand vormt de centrale basisregistratie van alle personen die bij de belastingheffing en uitvoering van niet fiscale regels betrokken kunnen zijn. Het gaat daarbij om natuurlijke personen, rechtspersonen en samenwerkingsverbanden. In het BVR-bestand zijn de algemene gegevens van voornoemde personen vastgelegd, zoals naam-, adres- en woonplaatsgegevens, geboorte- of oprichtingsdatum. Daarnaast zijn de relaties tussen de verschillende personen geregistreerd. De belangrijkste bron van het BVR-bestand voor natuurlijke personen is de Gemeentelijke basisregistratie (hierna: GBA). De wijzigingen in de GBA worden door de gemeenten verwerkt en geautomatiseerd in het BVR-bestand gebracht. Het BVR-bestand bevat echter meer personen dan de GBA. Iedereen die een sofinummer, een burgerservicenummer of een fiscaal nummer heeft staat in dit systeem. Het BVR-bestand is ingevoerd in 1990. Alle personen die in 1990 een sofinummer hadden zijn ingebracht in het BVR-bestand. Vanaf 1984/1985 zijn sofinummers niet meer vervallen wegens overlijden. Daarvoor vervielen deze na verloop van 7 jaar. Bij emigratie verviel het sofinummer niet. Dit betekent dat ook overledenen en geëmigreerde personen in het BVR-bestand zijn opgenomen, ook indien overlijden of emigratie geruime tijd voor invoering van het BVR-bestand heeft plaatsgevonden. In het BVR-bestand zijn de natuurlijke personen opgenomen met voorletters en niet met voornamen. Na toetsing aan het BVR-bestand is het gevonden resultaat getoetst aan het bestand van de Rijksdienst wegverkeer (hierna: RDW-bestand). In dit bestand zijn opgenomen sofinummer, de eerste voornaam (doopnaam, niet de roepnaam) en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of bromfietscertificaat. Uit de vergelijking met het BVR-bestand en het RDW-bestand bleek dat er maar één persoon voldeed aan de omschrijving Hubertus X met als (gewezen) partner XX en dat was belanghebbende. 2.5. Contacten tussen partijen vóór het opleggen van de aanslagen en beschikkingen 2.5.1. De Inspecteur heeft belanghebbende op 10 juni 2002 het volgende geschreven: "De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(
  1. en)aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u houder bent (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(
  2. en)kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing. Daarom verzoek ik u mij de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die in de bijlage bij deze brief worden gevraagd. Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen de door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichting voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b, AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. Indien u de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u bovendien een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR. Ik verzoek u de gegevens en inlichtingen in te vullen op de bijlage bij deze brief, de bijlage vervolgens te ondertekenen en te retourneren vóór 18 juni 2002." De bijlage bevat een formulier 'Verklaring buitenlandse bankrekeningen' waarin belanghebbende om de volgende verklaring wordt gevraagd: "Hierbij verklaart X ná 1 januari 1990 houder te zijn (geweest) van de volgende in het buitenland aangehouden bankrekeningen: [Hof: volgt rekeningnummer, naam bank, land van vestiging en jaar opening rekening]. Deze gegevens zijn juist en volledig, duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verstrekt." Volgt handtekening en datum ondertekening. 2.5.2. Op 14 juni 2002 heeft belanghebbende de 'Verklaring buitenlandse bankrekening' ingevuld en geretourneerd. Belanghebbende verklaart een rekening te hebben gehad bij Kredietbank Luxemburg. Hij verklaart de rekening omstreeks 1994 te hebben geopend en de rekening ongeveer twee jaar later te hebben opgeheven. 2.5.3. Bij brief van 3 juli 2002 schrijft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur dat hij op verzoek van belanghebbende hem voortaan rechtsbijstand zal verlenen. 2.5.4. Op 16 juli 2002 schrijft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende: "[...] Naar aanleiding van deze verklaring verzoek ik u, namens cliënt, afzonderlijk voor iedere bankrekening, de volgende vragen te beantwoorden: Algemeen: - Wat voor soort rekening betrof het en in welke valuta? - Op welke datum (dag-maand-jaar) is deze rekening geopend? - Door wie is deze rekening geopend? - Welk(
  3. e)rekeningnummer(
  4. s)betreft het? (graag het (
  5. de)nummer(
  6. s)vermelden) Crediteringen: - Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen gestort of laten storten, dan wel overgemaakt of laten overmaken op deze bankrekening (in de ruimste zin van het woord)? - Op welke data (dag-maand-jaar) hebben stortingen en/of overmakingen plaatsgevonden? - Wat is de hoogte van de afzonderlijke stortingen en/of overmakingen? - Wat is de herkomst van de gestorte en/of overgemaakte bedragen? Debiteringen: - Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen opgenomen of laten opnemen, dan welk overgeboekt of laten overboeken van deze bankrekening (in de ruimste zin van het woord)? - Op welke data (dag-maand-jaar) hebben opnamen en/of overboekingen plaatsgevonden? - Wat is de hoogte van de afzonderlijke opnamen en/of overboekingen? - Wat was het bestedingsdoel van deze opnamen of overboekingen? Opbrengsten: - Heeft u het saldo en/of de opbrengsten van deze banktegoeden vermeld op uw aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting? Tevens verzoek ik u mij de volgende bescheiden te verstrekken: - Het afschrift van het openingsformulier van de bankrekening; - De afschriften van de banktegoeden per 31 december van ieder jaar; - Een specificatie van de ontvangen rente per jaar (vermeld hierbij ook het soort rente, bijvoorbeeld spaarrekeningen, obligaties, etc.); - Een specificatie van de opbrengst van de effecten per jaar. Vermeld hierin ook de te verrekenen dividendbelasting en buitenlandse bronbelasting; - Een specificatie van de beleggingsfondsen per 31 december van ieder jaar. Vermeld hierin ook de namen van de fondsen." De Inspecteur verzoekt de gemachtigde van belanghebbende vóór 12 augustus 2002 schriftelijk te reageren. 2.5.5. Bij brief van 26 september 2002 schrijft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende: "Op 15 juli 2002 heb ik u verzocht om namens uw cliënt een aantal vragen te beantwoorden. De reactietermijn liep op 12 augustus 2002 af. Tot op heden heb ik echter nog geen reactie van u ontvangen. In deze brief licht ik u in over mijn voornemens met betrekking tot de belastingheffing inzake de door uw cliënt in de afgelopen jaren in het buitenland aangehouden banktegoeden. Ik heb gegevens waaruit blijkt dat uw cliënt een of meerdere bankrekeningen aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland. Uit mijn gegevens blijkt dat uw cliënt op deze rekening(
  7. en)in elk geval op 31 januari 1994 een tegoed had. Uw cliënt heeft ook toegegeven dat hij een bankrekening bij de KBL te Luxemburg heeft (gehad). Tot op heden heeft uw cliënt alle (herhaaldelijk gestelde) vragen van mijn kant over zijn buitenlandse tegoed(
  8. en)niet volledig beantwoord. Dit ondanks het feit dat ik uw cliënt er uitdrukkelijk op heb gewezen dat hij tot antwoorden verplicht is en dat de bewijslast in de bezwaar- en beroepsfase kan worden omgekeerd als hij niet aan die verplichting voldoet. Omkering van de bewijslast betekent dat uw cliënt zal moeten bewijzen dat de door mij opgelegde belastingaanslag(
  9. en)onjuist zijn. Teneinde ons geschil te beslechten, dan wel een procedure bij de belastingrechter in omvang te beperkten, leg ik u aan het einde van deze brief een werkwijze voor welke naar mijn mening aan zowel uw als mijn belang(
  10. en)tegemoet komt. Op te leggen belastingaanslagen: Omdat uw cliënt mij geen informatie geeft, ben ik genoodzaakt zelf een schatting te maken van de door hem verschuldigde belasting. Bij die schatting zal ik zekerheidshalve een marge hanteren en de geschatte bedragen naar boven afronden. Om te voorkomen dat het aantal belastingaanslagen de zaak onoverzichtelijk maakt, leg ik niet meteen over alle mogelijke jaren en voor alle mogelijke belastingen aanslagen op, maar ben ik van plan in eerste instantie de hierna omschreven belastingaanslagen op te leggen. Op een later tijdstip kunnen voor dezelfde belastbare feiten maar over andere tijdvakken nog belastingaanslagen volgen. Hierbij merk ik op dat het belangrijkste deel van mijn informatie bestaat uit het feit dat op uw naam één of meer buitenlandse bankrekening(
  11. en)staan met een saldo per 31 januari 1994. Ik beschik niet over informatie waaruit het feitelijk verloop van dat saldo voor of na 31 januari 1994 blijkt. De op te leggen belastingaanslagen hebben betrekking op: - het vermogen aanwezig op de buitenlandse bankrekening(
  12. en)en de (rente)opbrengst van dat vermogen; - de herkomst en de besteding van het op de buitenlandse bankrekening(
  13. en)aanwezige vermogen. Ik leg dit jaar waarschijnlijk de volgende belastingaanslagen op: 1. Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (en/of vennootschapsbelasting): navorderingsaanslagen 1990, 1994 en 1997, alsmede indien nog niet opgelegd een aanslag 1999. 2. Vermogensbelasting: navorderingsaanslagen 1991 en 1995, alsmede indien nog niet opgelegd een aanslag 2000. 3. Omzetbelasting: een naheffingsaanslag over het tijdvak 1997. 4. Loonbelasting: een naheffingsaanslag over het tijdvak 1997. 5. Successierecht: navorderingsaanslagen over 1990 en 1997. 6. Kansspelbelasting: een naheffingsaanslag over het tijdvak 1997. Welke belastingaanslagen zullen worden opgelegd is afhankelijk van uw feitelijke situatie en van gegevens waarover ik binnenkort zal beschikken. Zo is bijvoorbeeld van groot belang of u particulier of ondernemer bent geweest in de afgelopen jaren. In deze algemene brief is daar nog geen rekening mee gehouden. Alternatieve oplossing: Indien uw cliënt mij vóór 10 oktober 2002 de afschriften van zijn buitenlandse tegoeden van uw cliënt verstrekt en antwoord geeft op de daarover door mij reeds gestelde vragen en volledige duidelijkheid verschaft over de herkomst van het geld op de buitenlandse bankrekening(en), kan in overleg met u (en uw cliënt) de werkelijk verschuldigde belasting worden vastgesteld. In vele honderden andere soortgelijke gevallen is dat het afgelopen voorjaar al op deze wijze gebeurd. In die gevallen waren de feiten helder en kon de belasting eenduidig berekend worden. Ook in deze situatie kunt u nog steeds uw grieven over bijvoorbeeld een onrechtmatig handelen van de Belastingdienst voorleggen aan de rechter en deze verzoeken de belastingaanslagen op die grond te vernietigen. Op deze wijze beperken wij de omvang van ons geschil en daarmee het voor beide partijen aanwezige procesrisico. Ter informatie voeg ik bij deze brief een voorbeeld van een afspraak die wij zouden kunnen maken. Deze brief is mijn laatste initiatief in uw richting met het doel de door u verschuldigde belasting op het juiste bedrag vast te stellen. Ik hoop dat de informatie in deze brief voor u aanleiding zal zijn om (eventueel in overleg met een fiscaal deskundig adviseur) alsnog te besluiten gebruik te maken van een van de geboden mogelijkheden. Ik bied u nog tot 10 oktober 2002 de tijd hierover met mij contact op te nemen. Zonder bericht van uw kant zal ik na die datum overgaan tot het opleggen van de genoemde belastingaanslagen en zal ik mij in de bezwaar- en beroepsfase op de omkering van de bewijslast beroepen." 2.5.6. Bij brief van 27 september 2002 schrijft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur onder meer het volgende: "Bij schrijven d.d. 26 september 2002 heeft u belastingplichtige verzocht de eerder gevraagde informatie alsnog te verstrekken. Thans is een civiele procedure geëntameerd bij de rechtbank te Amsterdam met betrekking tot de vraag of vergaring van informatie en benadering van de belastingplichtige door de belastingdienst op rechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. De uitkomst van deze procedure is van belang voor belastingplichtige. Bovendien beroept belastingplichtige zich op zijn zwijgrecht. Op grond van het bovenstaande zal belastingplichtige, gedurende de behandeling van deze procedure, niet aan het verzoek voldoen en geen medewerking verlenen aan uw onderzoek, totdat het vonnis is uitgesproken." 2.5.7. Op 25 oktober 2002 schrijft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur onder meer het volgende: "U heeft aan cliënt ter ondertekening een vaststellingsovereenkomst toegezonden, waarin aangegeven is over welke jaren een correctie op het inkomen, cq vermogen wordt toegepast. Na ondertekening en retourneren van deze overeenkomst zal aan cliënt één navorderingsaanslag inkomstenbelasting, cq vermogensbelasting met verhoging en heffingsrente worden opgelegd. Uit het oogpunt van eenvoud en doelmatigheid wordt de totale correctie in één navorderingsaanslag 2000 verwerkt. Ik heb u eerder al te kennen gegeven waarom cliënt niet tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst dient over te gaan. Desondanks verzoek ik u, namens cliënt, mij aan te geven wat de voordelen voor mijn cliënt zijn om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen en dat één navorderingsaanslag vermogensbelasting 2000 wordt opgelegd." 2.5.8. In reactie op de brief van de gemachtigde van belanghebbende van 25 oktober 2002 schrijft de Inspecteur op 26 november 2002 onder meer het volgende: "In het algemeen heeft belanghebbende bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst het voordeel van zekerheid omtrent de vaststelling van feiten dan wel de beëindiging van een geschil. Voor zover het gaat om overeenkomsten binnen het kader van de buitenlandse bankrekening(
  14. en)heeft belanghebbende daarnaast het voordeel van afwikkeling van de belastingschuld door middel van een aanslagbiljet." 2.5.9. Bij brief van 3 december 2002 heeft de Inspecteur onder meer het volgende aan belanghebbende meegedeeld: "In deze brief stel ik u in kennis van mijn voornemen om uw cliënt [...] navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting 1990/vermogensbelasting 1991, alle met een bestuurlijke boete. [...] Feiten: Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat u tenminste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland. Rekening op naam van: Hubertus X gehuwd met XX Rekeningnummer: 666666 Bank: Kredietbank Luxemburg Saldo per 31-01-1994: ƒ 50.361,81 positief De FIOD heeft deze gegevens over de rekeninghouder vergeleken met onder andere gegevens van de Belastingdienst welke gebaseerd zijn op het bevolkingsregister. Uit die analyse komt uw cliënt naar voren als rekeninghouder. Nu op te leggen belastingaanslagen: Vooralsnog ben ik voornemens thans de belastingaanslagen zoals hierboven genoemd op te leggen. Voor 1990/1991 heeft dit te maken met het verlopen van de termijnen om nog een (navorderings)aanslag op te kunnen leggen. Voor de andere jaren zal ik nu nog geen aanslagen opleggen. Later nog op te leggen belastingaanslagen: Om u inzicht te geven in de omvang van alle aanslagen die ik u zal opleggen heb ik als bijlage meegestuurd een voorlopig overzicht van de op te leggen aanslagen met de daarbij te betalen bedragen aan belasting, heffingsrente en boete. De bedragen in dat overzicht zijn berekend op basis van de thans berekende feiten. Ik behoud mij dan ook het recht voor om op basis van nieuwe feiten en/of inzichten hogere belastingaanslagen op te leggen dan uit het u thans toegezonden overzicht blijken. Ook uw reactie op de thans op te leggen belastingaanslagen en/of hetgeen u naar aanleiding van de op te leggen aanslagen al dan niet meedeelt over de buitenlandse tegoeden, kan aanleiding zijn om de belastingaanslagen in afwijking van het overzicht vast te stellen. [Hof: volgt een motivering van de redelijke schatting van de verschuldigde belasting en een specificatie van correcties en aanslagen] Motivering boete: Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) alwaar geregeld is dat de inspecteur alvorens hij een vergrijpboete gaat opleggen de belastingplichtige van zijn voornemen daartoe in kennis stelt onder vermelding van de gronden waarop dit voornemen berust. Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dit verplicht is. De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(
  15. en)op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven. Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken. Ik merk het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(
  16. en)teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Boetebesluit. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen. Ten aanzien van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1990 en vermogensbelasting 1991: De boeten in dit jaar zijn gebaseerd op artikel 18, eerste lid AWR. Op grond van artikel 18, tweede lid AWR, juncto paragraaf 31 VAB 1993 en paragraaf 15 van de Leidraad administratieve boeten 1984 zal geen kwijtschelding verleend worden. Ingevolge artikel 67k, tweede lid AWR (tekst vanaf 1998) juncto paragraaf 19 van het Boetebesluit heeft u het recht om de in deze kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten. Ik wil u vragen binnen een week na dagtekening van deze brief aan mij kenbaar te maken of u van deze mogelijkheid gebruik wilt maken. U heeft ook het recht de stukken, waarop mijn voornemen om boeten op te leggen is gebaseerd, in te zien. Als u daarvan gebruik wenst te maken, verzoek ik u dat binnen de eerder genoemde termijn aan mij kenbaar te maken. [...] Ik wil hierbij nog opmerken dat in de situatie waarin u alsnog volledige medewerking wilt verlenen en bereid bent mij volledige openheid van zaken te geven voordat de aanslagen worden opgelegd, de boeten zullen worden vastgesteld op 50%. Deze boeten zijn ook toegepast bij andere belanghebbenden die, voorafgaand aan het opleggen van belastingaanslagen, volledig hebben meegewerkt." Bij de brief is een bijlage gevoegd waarin de verschuldigde inkomstenbelasting over de jaren 1990 tot en met 2000 en de verschuldigde vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000 is berekend evenals de boete en de heffingsrente (zie onderdeel 2.6 hierna). In de brief zijn voor de inkomstenbelasting 1990 en vermogensbelasting 1991 opgenomen de correcties en de te betalen belasting. Daarbij is vermeld: "In de berekende correcties is al rekening gehouden met vrijstellingen en heffingsvrije bedragen. De gevolgen voor de heffingsrente kunt u terugvinden in het meegezonden overzicht." 2.5.10. In reactie op de brief van de Inspecteur van 3 december 2002 schrijft de gemachtigde van belanghebbende op 4 december 2002 onder meer het volgende: "Deze aankondiging heeft bij mij de vraag opgeroepen hoe u ertoe gekomen bent te bepalen dat cliënt een rekening bij de bank zou aanhouden en hieruit rente-inkomsten genoten zou hebben. Ik verzoek u mij de onderliggende stukken te doen toekomen, waaruit blijkt dat cliënt een rekening heeft en rente-inkomsten heeft genoten over deze jaren. Indien u niet over onderliggende stukken beschikt, luidt mijn vraag hoe u tot het vaststellen van het aanwezige saldo en de berekening van de door cliënt genoten rente bent gekomen. Te uwer informatie merk ik op, dat de bank zelf niet meer over rente- en saldogegevens beschikt, daar de wettelijke bewaartermijn voor haar tien jaar bedraagt. Belastingplichtige ontkent rente-inkomsten, zoals door u bepaald en vastgesteld, te hebben genoten. Met uw aankondiging om (een) navorderingsaanslag(
  17. en)op te leggen gaat cliënt niet akkoord en ik verzoek u derhalve af te zien van het opleggen van (een) navorderingsaanslag(en)." 2.5.11. Bij brief van 5 december 2002 schrijft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende: "Op 3 december 2002 heb ik u schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1990 en vermogensbelasting 1991 op te leggen en een vergrijpboete. Ik heb u daarbij in de gelegenheid gesteld te reageren op mijn voornemen. U heeft op mijn brief gereageerd. Uw reactie geeft mij geen aanleiding mijn standpunt te herzien omdat uw cliënt bij brief van 14 juni 2002 toegegeven heeft dat hij in het bezit is (geweest) van een buitenlandse bankrekening bij de Kredietbank Luxembourg. Uw cliënt heeft verdere medewerking om alle relevante stukken te overleggen geweigerd, ondanks het feit dat uw cliënt er uitdrukkelijk op gewezen is dat hij tot antwoorden verplicht is en dat de bewijslast in de bezwaar- en beroepsfase kan worden omgekeerd als hij niet aan deze verplichting voldoet. Op grond daarvan is een redelijke schatting gemaakt van de verschuldigde belasting. Hiervoor verwijs ik u naar de eerder toegezonden kennisgeving. [...] Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alwaar geregeld is dat de inspecteur uiterlijk bij de voor bezwaar vatbare beschikking de belastingplichtige in kennis stelt van de gronden waarop de oplegging van de boete berust." 2.5.12. Op 23 april 2003 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving navordering gezonden. Deze kennisgeving heeft betrekking op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 tot en met 2000 en vermogensbelasting 1992 tot en met 2000. In de kennisgeving is onder meer opgenomen een motivering van de redelijke schatting en de boeten. Ook bij deze kennisgeving is als bijlage een overzicht gevoegd waarin de verschuldigde belasting, boeten en heffingsrente is berekend. 2.5.13. Bij brief van 19 mei 2003 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende onder meer het volgende: "Op 24 april 2003 [Hof: 23 april 2003] heb ik u schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had aan uw cliënt [...] navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1991 t/m 1999, een primitieve aanslag over het jaar 2000 en vermogensbelasting over de jaren 1992 t/m 2000 alle met een vergrijpboete. Ik heb u daarbij in de gelegenheid gesteld om te reageren op mijn voornemen. U heeft niet op mijn brief gereageerd. Daarom ga ik ervan uit dat mijn constatering juist is en leg ik de aangekondigde navorderingsaanslagen en boeten op. Voor de gronden waarop ik de boeten baseer, verwijs ik u naar de eerder toegezonden kennisgeving. [...] Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alwaar geregeld is dat de inspecteur uiterlijk bij de voor bezwaar vatbare beschikking de belastingplichtige in kennis stelt van de gronden waarop de oplegging van de boete berust. [...] De Belastingdienst is zich bewust van het bestaan van een aantal verschillen van inzicht tussen inspecteur en belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject. In de meeste gevallen gaat het daarbij om vragen over de volgende fiscaal juridische onderwerpen; - de (on)rechtmatigheid van het gebruik van informatie door de inspecteur; - het al dan niet handelen door de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; - het recht van de inspecteur om een boete op te leggen en de hoogte van die boete; - de toepasselijkheid van de inkeerbepaling. Momenteel voeren Belastingdienst en NautaDutilh N.V. Advocaten Notarissen Belastingadviseurs vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter. Voor meer informatie kunt u terecht op de website [...]." 2.6. De aanslagregeling In de bijlage bij de brief van 23 april 2003 is - samengevat - de volgende berekening van de correcties op inkomen en vermogen opgenomen (alle bedragen in ƒ): INKOMSTENBELASTING/PREMIE VOLKSVERZEKERINGEN Jaar Vastgesteld Correcties buitenlandse Gecorrigeerd inkomen tegoeden uit onderzoek inkomen 1990 20.000 25.695 45.695 1991 38.000 24.210 62.210 1992 38.000 23.333 61.333 1993 38.000 20.633 58.633 1994 38.556 17.235 55.791 1995 36.340 17.100 53.440 1996 37.456 17.190 54.646 1997 38.034 18.360 56.394 1998 38.515 19.013 57.528 1999 29.416 20.025 49.441 2000 24.922 22.208 47.130 VERMOGENSBELASTING Jaar Correcties uit Inkomstenbelasting, Saldo correcties onderzoek vermogensbelasting afgerond en rente uit onderzoek 1991 471.600 9.019 462.000 1992 478.800 23.448 455.000 1993 507.600 38.600 469.000 1994 527.400 52.875 474.000 1995 531.600 65.932 465.000 1996 611.400 78.837 532.000 1997 619.200 91.711 527.000 1998 715.800 105.325 610.000 1999 724.800 119.543 605.000 2000 811.800 130.774 680.551 De 'correcties uit onderzoek' zijn gelijk aan die welke in de brief van 3 december 2002 zijn genoemd. De gecorrigeerde inkomens en de saldi correcties vermogensbelasting vertonen verschillen. De volgens de aanslagen en beschikkingen verschuldigde belasting, premie en boete is op basis van bovenvermelde correcties als volgt berekend (alle bedragen in ƒ): INKOMSTENBELASTING/PREMIE VOLKSVERZEKERINGEN Tariefgroep, 1990 tot en met 2000: 2. De boete bedraagt steeds 100%. Jaar Belasting Belasting Na te vorderen Boete was wordt belasting 1990 5.416 14.435 9.019 9.019 1991 11.919 22.652 10.733 10.733 1992 12.634 23.133 10.499 10.499 1993 12.376 21.412 9.036 9.036 1994 12.440 19.794 7.354 7.354 1995 11.395 18.205 6.810 6.810 1996 11.419 18.155 6.736 6.736 1997 11.446 18.809 7.359 7.359 1998 10.410 17.292 6.882 6.882 1999 3.341 7.175 3.834 3.834 Voorts is een aanslag 2000 opgelegd met een saldo te betalen belasting van 4481 en een boete van 4.481 VERMOGENSBELASTING De belasting is berekend door het saldo van de correcties te vermenigvuldigen met het geldende tarief. De boete bedraagt steeds 100% Jaar Na te vorderen Boete belasting 1991 3.696 3.696 1992 3.640 3.640 1993 3.752 3.752 1994 3.792 3.792 1995 3.720 3.720 1996 4.256 4.256 1997 4.216 4.216 1998 4.270 4.270 1999 4.235 4.235 2000 4.763 4.763 2.7. De bezwaarfase 2.7.1. Door belanghebbende zijn de volgende pro-forma bezwaarschriften ingediend: - Bezwaar d.d. 18 december 2002 tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990; - Bezwaar d.d. 18 december 2002 tegen de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991; - Bezwaar d.d. 5 juni 2003 tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 tot en met 1994 en 1998 tot en met 2000 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1992 tot en met 2000; - Bezwaar d.d. 6 juni 2003 tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 en 1997; - Bezwaar d.d. 18 juni 2003 tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995. 2.7.2. In de op 12 maart 2003 door de Inspecteur verzonden bevestigingen van de ontvangst van de op 18 december 2002 ingediende bezwaarschriften, schrijft de Inspecteur onder meer het volgende: "Uw bezwaarschrift is tijdig ingediend. In uw brief verzoekt u om uitstel voor de motivering van het bezwaar totdat de rechter, in een soortgelijke zaak, uitspraak heeft gedaan omtrent de vraag over de herkomst en betrouwbaarheid van gegevens op basis waarvan de navorderingsaanslagen worden opgelegd. De Belastingdienst is zich bewust van het bestaan van een aantal verschillen van inzicht tussen inspecteur en belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject. In de meeste gevallen gaat het daarbij om vragen over de volgende fiscaal juridische onderwerpen; - de (on)rechtmatigheid van het gebruik van informatie door de inspecteur; - het al dan niet handelen door de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; - het recht van de inspecteur om een boete op te leggen en de hoogte van die boete; - de toepasselijkheid van de inkeerbepaling. Momenteel voeren Belastingdienst en NautaDutilh N.V. Advocaten Notarissen Belastingadviseurs vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter. Voor meer informatie met betrekking tot dat overleg en die procedures kunt u terecht op de volgende websites: [...]. Ik verzoek u mij te berichten of u instemt met het aanhouden van uw bezwaar totdat op deze procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. Indien u instemt met het aanhouden van uw bezwaar zal ik u na het onherroepelijk worden van de uitspraken van voornoemde procedures in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. In dat kader kunt u dan uw bezwaar nader toelichten. [...] Ik verzoek u om mij binnen twee weken na dagtekening van deze brief uw reactie op het bovenstaande te laten weten." 2.7.3. Bij brief van 14 maart 2003 schrijft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur dat hij instemt met de aanhouding van de ingediende bezwaarschriften. 2.7.4. Op 1 juni 2004 heeft de Inspecteur een brief aan belanghebbende en zijn gemachtigde gezonden waarin onder meer het volgende is opgenomen: "Ik heb van u namens uw cliënt [...] bezwaarschriften ontvangen gericht tegen (navorderings)aanslagen die voortkomen uit het zogenoemde Rekeningenproject. Die (navorderings)aanslagen zijn opgelegd omdat u volgens mij beschikt(
  18. e)over tegoeden in het buitenland en weigerde daarover informatie te verstrekken ondanks mijn herhaaldelijke verzoeken daartoe. Het Gerechtshof Amsterdam (2 maart 2004, voorzieningenrechter, kenmerk 04/00393) heeft inmiddels als volgt geoordeeld: 'De inspecteur heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij aanleiding had om verzoeker vragen te stellen over mogelijke tegoeden bij een buitenlandse bank. Nu verzoeker niet inhoudelijk op die vragen heeft gereageerd, handelt de inspecteur niet willekeurig of onredelijk door bij het opleggen van (navorderings)aanslagen uit te gaan van geschatte bedragen aan verzwegen inkomsten en die geschatte bedragen te berekenen op de wijze als kort uiteengezet onder 3.3. hierboven.' De rechter geeft hiermee aan dat de gegevens die de inspecteur in zijn bezit heeft (o.a. de identificatie) recht en reden geven om aan de bewuste belastingplichtigen vragen te stellen over de buitenlandse bankrekeningen. Ik ben voornemens om de bezwaarschriften af te handelen. Alvorens daartoe over te gaan stel ik u, in uw hoedanigheid als gemachtigde ex artikel 41 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), en uw cliënt hierbij voor de laatste keer in de gelegenheid om mij alsnog de door mij gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Ik verzoek u daartoe binnen drie weken na dagtekening van deze brief de in de bijlage bij deze brief opgenomen vragen te beantwoorden cq de gevraagde gegevens te verstrekken. Indien uw cliënt nu alsnog volledig en juist voldoet aan zijn/haar informatieplicht wordt hij/zij in de gelegenheid gesteld ervoor te kiezen dat de bezwaarschriften worden aangehouden in afwachting van de afronding van de beroepsprocedure die op basis van een protocol wordt gevoerd door NautaDutilh en de Belastingdienst. Door nu alsnog mee te werken door te voldoen aan de informatieverplichting bewerkstelligt uw cliënt tevens dat de opgelegde vergrijpboeten van 100% worden gematigd en worden vastgesteld op 75%. Voor het geval uw cliënt overweegt wederom niet te voldoen aan de informatieverplichting wijs ik u en uw cliënt er weer op dat hij/zij op grond van artikel 47, lid 1, letter a AWR verplicht is de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien uw cliënt niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. Door het niet voldoen aan de informatieplicht voorafgaande aan het opleggen van de (navorderings)aanslagen geldt voor uw cliënt in de bezwaarfase reeds de omkering van de bewijslast. U moet in de bezwaarfase en in een latere beroepsprocedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. Indien uw cliënt wederom niet voldoet aan de informatieverplichting zal ik overgaan tot het afhandelen van zijn/haar bezwaarschriften. Uitgaande van de mij nu beschikbare gegevens zullen de (navorderings)aanslagen en de opgelegde boeten worden gehandhaafd. Het verleende uitstel vervalt van rechtswege. Indien uw cliënt in beroep gaat bij het Gerechtshof en weer uitstel van betaling vraagt kan de ontvanger zekerheid vragen. Voorafgaand aan het doen van uitspraak op het bezwaarschrift/de bezwaarschriften worden u en uw cliënt nog in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Tot nu toe heeft uw cliënt op de door mij gedane verzoeken om informatie te verschaffen, geweigerd dat te doen. Uw cliënt heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een strafbaar feit als omschreven in de artikel 68 en 69 van de AWR. Met het Openbaar Ministerie zijn hierover afspraken gemaakt die inhouden dat van strafvervolging zal worden afgezien indien uw cliënt alsnog de gevraagde informatie (e.e.a. naar genoegen van de Belastingdienst) verstrekt door middel van het beantwoorden van dit laatste verzoek om informatie. Weigeren u en uw cliënt echter ook informatie te verschaffen naar aanleiding van dit laatste verzoek, dan zal ik zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de hieronder genoemde reactietermijn in beginsel het proces-verbaal worden opgemaakt en worden ingestuurd naar het Openbaar Ministerie. Ik verzoek u en uw cliënt de gevraagde gegevens en inlichtingen in te vullen op de bijlage bij deze brief, de bijlage vervolgens te ondertekenen en te retourneren binnen drie weken na dagtekening van deze brief." In de bijlage bij deze brief wordt belanghebbende om de volgende verklaring gevraagd: "Hierbij verklaart [...] [Hof: naam etc. in te vullen] ná 1 januari 1990 houder te zijn (geweest) van de volgende in het buitenland aangehouden bankrekeningen [...] [Hof: volgt rekeningnummer, naam bank, land van vestiging en jaar opening rekening]. Ik heb na 1 januari 1990 geen andere bankrekeningen in het buitenland aangehouden dan de bankrekeningen die ik hierboven heb vermeld. Deze gegevens zijn juist en volledig, duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verstrekt." Verder worden in de bijlage de volgende vragen gesteld: 1. "Wat voor soort rekeningen hebben u en/of uw partner (gehad) en in welke valuta? 2. Door wie is deze rekening/zijn deze rekeningen geopend? 3. Op welke wijze is deze rekening/zijn deze rekeningen geopend (waar, hoe gelegitimeerd, in geval van een 'en/of-rekening': waren de 2e en/of 3e rekeninghouder ook daarbij aanwezig)? 4. Wie zijn of waren tekeningsbevoegd voor de bankrekening(en)? 5. Kregen u en/of uw partner de rekeningafschriften naar het woonadres in Nederland toegestuurd of kon op een andere wijze over de rekeningafschriften worden beschikt? 6. Kunt u de rekeningafschriften verstrekken vanaf de datum van opening van de rekening(
  19. en)tot heden? (Indien niet op korte termijn, wanneer dan wel?) 7. Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen gestort of laten storten, dan wel overgemaakt of laten overmaken op deze bankrekening(
  20. en)(in de ruimste zin van het woord)? 8. Wat is de herkomst van de gestorte en/of overgemaakte bedragen? 9. Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen opgenomen of laten opnemen, dan wel overgeboekt of laten overboeken van deze bankrekening(
  21. en)(in de ruimste zin van het woord)? 10. Wat waren de bestedingsdoelen van deze opnamen of overboekingen? 11. Hebben u en/of uw partner het saldo en/of de opbrengsten van deze banktegoeden vermeld op de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting?" In de bijlage is ten slotte verzocht om verstrekking van de volgende bescheiden: - "het afschrift van het openingsformulier van de bankrekening; - de afschriften van de banktegoeden op 31 december van ieder jaar; - een specificatie van de ontvangen rente per jaar (vermeld hierbij ook het soort rente, bijvoorbeeld spaarrekeningen, obligaties etc.); - een specificatie van de opbrengst van effecten per jaar. Vermeld hierin ook de te verrekenen dividendbelasting en buitenlandse bronbelasting; - een specificatie van de beleggingsfondsen per 31 december van ieder jaar. Vermeld hierin ook de naam van de fondsen." 2.7.5. Op 16 juni 2004 stuurt de gemachtigde van belanghebbende de gronden van de bezwaren aan de Inspecteur. 2.7.6. Bij brief van 18 juni 2003 bevestigt de Inspecteur de ontvangst van de ingediende bezwaarschriften. In deze brief schrijft de Inspecteur onder meer het volgende: "U stemt niet in met het aanhouden van de bezwaren totdat op enkele procedures, genoemd in de brief waarin ik u de aanslagen meedeelde, onherroepelijk uitspraak is gedaan. Ik deel u mee dat op grond van artikel 25, lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) de termijn voor de afdoening van een bezwaar een jaar na ontvangst van het bezwaar is. Ik zal voorlopig nog geen uitspraak doen op uw bezwaar. De reden hiervoor is dat ik wil wachten op de uitkomsten van procedures welke gevoerd zullen worden over een aantal belangrijke, en voor uw bezwaar relevante, rechtsvragen welke spelen binnen het rekeningenproject. Zodra ik de uitkomsten van die procedures ken neem ik contact met u op. Voor de volledigheid merk ik op dat de termijn van 1 jaar eventueel nog verlengd kan worden." 2.7.7. Op 7 juli 2004 is door de Inspecteur in één geschrift uitspraak gedaan op de ingediende bezwaarschriften. De aanslagen, de boeten en de vastgestelde bedragen aan heffingsrente zijn daarbij gehandhaafd. 2.8. Persoonlijke omstandigheden Belanghebbende is geboren op d.d. en was gehuwd met XX, geboren op d.d. en overleden op d.d. Belanghebbende is gepensioneerd. Voorheen was belanghebbende timmerman. 2.9. De zaak André in 1995 Op 30 januari 1995 meldt zich onaangekondigd een persoon, zichzelf noemende André, bij de FIOD. Hij heeft een envelop achtergelaten inhoudende een notitie en een fotokopie van bankgegevens van X. De heer B van de FIOD heeft André op 6 februari 1995 ontvangen. In dat gesprek deelt André mee dat hij van drie verschillende banken in Luxemburg informatie kan verstrekken. Hij noemt de namen van KB-Lux en Norske Bank Luxemburg. Om aan te geven wat de inhoud van zijn informatie is, heeft hij van een drietal personen bankgegevens verstrekt. André heeft om een provisie gevraagd. Het Ministerie van Financiën besloot niet in te gaan op het voorstel. Nadat dit aan André was meegedeeld is niets meer van hem vernomen. In 1998 of 1999 is B in Luxemburg gehoord in een strafzaak over diefstal van bankgegevens. Daar bleek hem dat André in werkelijkheid Costa heette, zijnde een ex-werknemer van KB-Lux en Norske Bank Luxemburg. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de aanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. Het geschil heeft betrekking op de volgende vragen: 3.1.0. Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur overgelegd? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.1. Mag gebruik worden gemaakt van het renseignement voor de onderbouwing van de aanslagen en de boeten? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.2. Was belanghebbende op 31 januari 1994 houder van een bankrekening bij KB-Lux met een saldo van ƒ 50.361? Deze vraag wordt door de Inspecteur bevestigend beantwoord, belanghebbende ontkent dit. Deze vraag leidt tot twee subvragen: 3.1.2.1. Wordt met 'Hubertus X-XX' in het renseignement belanghebbende bedoeld? Is met andere woorden de identificatie juist? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.2.2. Is het renseignement betrouwbaar, in die zin dat bij een juiste identificatie daaruit volgt dat belanghebbende op 31 januari 1994 de beschikking had over een rekening bij KB-Lux met een saldo van ƒ 50.361? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.3. Gesteld dat de in 3.1.2 gestelde vraag bevestigend wordt beantwoord, kan daaruit worden afgeleid dat belanghebbende gedurende de gehele periode gerechtigd was tot een of meer buitenlandse bankrekeningen waaruit inkomsten zijn getrokken? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.4. Dient voor ieder van de in geschil zijnde aanslagen de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende is de omgekeerde mening toegedaan. 3.1.5. Zijn de aanslagen gebaseerd op redelijke schattingen? De Inspecteur meent dat de schattingen redelijk zijn, met dien verstande dat de factor 1,5 moet komen te vervallen. Belanghebbende meent dat de schattingen niet redelijk zijn. 3.1.6. Heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de inkomsten genoten uit de rekening(
  22. en)bij KB-Lux en de saldi van die rekeningen, niet door belanghebbende zijn aangegeven? De Inspecteur is van mening dat hij dit voor alle jaren aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende is de tegenovergestelde mening toegedaan. 3.1.7. Mogen navorderingsaanslagen worden opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van artikel 16, vierde lid, van de AWR? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. Belanghebbende is van mening dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is. 3.1.8. Zijn terecht boeten opgelegd? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende is van mening dat geen boeten kunnen worden opgelegd. Deze vraag leidt tot twee subvragen: 3.1.8.1. Is het recht van belanghebbende om zich niet zelf te belasten geschonden? Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. 3.1.8.2. Is sprake van opzet of grove schuld? Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.1.9. Mogen de boeten op 100% van de grondslag worden gesteld? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. Belanghebbende stelt dat de boeten op een lager percentage dan 100 moeten worden gesteld. 3.1.10. Zijn de boeten passend en geboden? Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.1.11. Is het recht van belanghebbende op berechting binnen een redelijke termijn, voortvloeiend uit artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundametele vrijheden (hierna: EVRM), geschonden? Zowel belanghebbende als de Inspecteur menen dat dit het geval is. 3.1.12. Is de heffingsrente juist vastgesteld? Zowel belanghebbende als de Inspecteur stellen dat een vernietiging of vermindering van aanslagen dient te leiden tot een dienovereenkomstige verlaging van de heffingsrente. Belanghebbende meent dat de heffingsrente verder dient te worden verlaagd. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan. 3.2. Conclusies van partijen Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de aanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente, subsidiair tot verlaging van de aanslagen, de boeten en de heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover het de toepassing van de factor 1,5 betreft en tot vermindering van de boeten als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. 3.3. Standpunten van partijen Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt, en hetgeen door hen bij de inlichtingencomparitie en op de zittingen daaraan is toegevoegd, waarvoor wordt verwezen naar de van deze inlichtingencomparitie en zittingen opgemaakte processen-verbaal. Partijen hebben ter ondersteuning van hun standpunten in hoofdzaak het volgende aangevoerd: 3.3.0. Met betrekking tot de vraag of alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur zijn overgelegd Belanghebbende Belanghebbende verzoekt om overlegging van de volgende stukken:
(1)De integrale/ongeschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven;
(2)De ongeschoonde versie van het informatiesetje inclusief de ongeschoonde, belanghebbende betreffende, kopie van het microfiche;
(3)Een kopie van de door de toenmalige FIOD-Internationaal van de Belgische fiscus ontvangen set, al dan niet van de namen geschoonde, kopieën van de microfiches (ongeveer 800 pagina's);
(4)De gegevens met betrekking tot vijf foutieve identificaties;
(5)Alle interne memo's;
(6)Alle primitieve aanslagen alsmede overige stukken zoals verslagen en dergelijke die betrekking hebben op de boeten. Als toelichting waarom hij deze stukken wenst in te zien heeft belanghebbende het volgende meegedeeld. Hij wil de ongeschoonde kopieën van de microfiches zien om de juistheid van de identificatie beter te kunnen weerspreken. Belanghebbende wil de geschoonde versie zien om te kunnen beoordelen of daar verslagen of beschrijvingen in staan, bijvoorbeeld van besprekingen die zijn gevoerd. Ook wil hij beoordelen of het om 800 pagina´s gaat. Belanghebbende stelt dat hij het verzoek moeilijk kan toelichten als hij de inhoud van de stukken niet kent. De Inspecteur merkt met betrekking tot onderdeel
(3)op dat de pagina's die niet op belanghebbende betrekking hebben, geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Rekeningnummers en saldi zijn bovendien zeer privacygevoelig. Het is voorts praktisch vrijwel onmogelijk om alle 800 pagina's te schonen van de namen. De Inspecteur merkt met betrekking tot onderdeel
(5)op dat hij niet weet welke stukken door belanghebbende worden bedoeld. De Inspecteur is van mening, dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingebracht. 3.3.
  1. Met betrekking tot de vraag of voor de onderbouwing van de aanslagen en de boeten gebruik mag worden gemaakt van het renseignement Belanghebbende Uit de bevindingen van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten neergelegd in het rapport van 27 juli 1999 'Verslag van het toezichtsonderzoek naar de wijzen waarop door politieambtenaren gehandeld werd bij het ontvangen en het gebruik van de informatie aangaande KB-Lux' (hierna: Verslag Comité P) blijkt op zijn minst twijfel over de rechtmatigheid van de verkrijging van de gegevens door de Belgische overheid. Belanghebbende beroept zich verder op de uitspraak van de Correctionele Rechtbank Brussel van 8 december 2009 (Bevestigd door Hof Brussel, 2 december 2010, en Hof van Cassatie 31 mei 2011). Belanghebbende ziet deze uitspraak als bewijs van de stelling dat de Belgische autoriteiten de microfiches en de hieraan verbonden informatie wederrechtelijk heeft verkregen. De microfiches zijn in België boven water gekomen naar aanleiding van een tip van een toen al op de zwarte lijst geplaatste informant van de Belgische politie, C, bij een in 1994 in scene gezette huiszoeking bij de vriendin van genoemde C. Het ging om twee kisten met fotokopieën (waaronder microfiches) van documenten die afkomstig zijn van KB-Lux. Van deze huiszoeking werd geen proces-verbaal opgemaakt. De documenten zijn vervolgens zoek geraakt en kwamen weer tevoorschijn toen C ze in 1995 aan de politie overhandigde. Uit de uitspraak blijkt dat er stukken zijn zoekgeraakt. In het vonnis heeft de Rechtbank het verkregen bewijs tot onrechtmatig verkregen bewijs bestempeld. Belanghebbende geeft in zijn brief aan het Hof van 8 november 2010 een uitgebreid overzicht van de bevindingen van Rechtbank Brussel. Voor de vraag of belanghebbende een eerlijk proces heeft in de zin van artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (hierna: IVBPR), dient te worden nagegaan of zich in het buitenland al dan niet onregelmatigheden hebben voorgedaan. Het is daarbij zonder belang of de microfiches zijn verkregen op een wijze die al dan niet onrechtmatig is tegenover belanghebbende zelf. Belanghebbende verzoekt het Hof met gebruikmaking van artikel 8:33 van de Awb in combinatie met artikel 173 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een Belgische rechter te verzoeken om de volgende getuigen te horen: D, officier van de gerechtelijke politie, E, hoofdinspecteur van de gerechtelijke politie, F, lid van de Dienst onderzoeken Comité P en mevrouw G. Belanghebbende stelt dat deze personen niet bereid zijn om vrijwillig te getuigen. Belanghebbende heeft dit verzoek als volgt toegelicht. Uit het onderzoek door Rechtbank Brussel blijkt dat de D en E een bedenkelijke rol hebben gespeeld bij de verkrijging van het bewijsmateriaal. Om vast te stellen of er werkelijk sprake is van zaken die nog als eerlijk bestempeld kunnen worden, is het nodig de genoemde vier personen te horen. De D en E moeten worden gehoord, omdat zij de opsporingsambtenaren zijn geweest die het bewijsmateriaal hebben verkregen. E via de zogenaamde huiszoeking, de D via de overhandiging op 16 maart 1995 van het bewijsmateriaal door C. Mevrouw G kan verklaren hoe het bewijsmateriaal in haar woning is terecht gekomen. Uit het vonnis van de Rechtbank blijkt bovendien dat zij op 22 juni 1995 brieven heeft geschreven waardoor de zogenaamde huiszoeking door E aan het licht is gekomen. De verklaring van F is nodig in het kader van de controle van de verklaringen van, in het bijzonder, E en de D. Voor de vaststelling van de rechtmatigheid van het bewijs is het nodig dat de Nederlandse rechter dient te kunnen nagaan of handelingen in een buitenlandse fase zodanig onder controle van de buitenlandse autoriteiten zijn geschied, dat voldaan is aan de in Nederland geldende maatstaven. Belanghebbende stelt dat er ten tijde van de verkrijging van de informatie uit België bij de Nederlandse fiscus wetenschap bestond over een mogelijk niet geheel correcte verkrijging uit het buitenland. In de eerste plaats was er de bekendheid van de Nederlandse fiscus met het Luxemburgse bankgeheim. Daarnaast waren er de contacten met de tipgever 'André'. De wetenschap dat ongeregeldheden hebben plaatsgevonden had voor de Nederlandse belastingdienst reden moeten zijn voor een eigen onderzoek. Het internationaal vertrouwensbeginsel kan niet leiden tot een stilzitten van de Nederlandse overheid. De conclusie uit de affaire 'André' is, dat het Ministerie al in 1995 op de hoogte was van gegevens met betrekking tot de KB-Lux. Het is de vraag of de gegevens uit België spontaan zijn ontvangen, of dat de spontane verstrekking op verzoek van Nederland heeft plaatsgevonden. In dat laatste geval is de conclusie van belanghebbende dat Nederland heeft gehandeld op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van deze gegevens onder alle omstandigheden, zowel strafrechtelijk als fiscaal, ontoelaatbaar is. Belanghebbende stelt dat de Nederlandse overheid, zeker op het moment dat de aanslagen werden opgelegd, al aanwijzingen had dat er aan de verkrijging van de microfiches in België onregelmatigheden kleefden. Hij was bekend met het onderzoek door het Comité P. De Nederlandse overheid had nadien wetenschap daarover kunnen verkrijgen door vragen te stellen aan H en/of de Luxemburgse onderzoeksrechter en Officier van Justitie. De Nederlandse overheid heeft dit nagelaten. Door desondanks de uit België verkregen informatie te gebruiken heeft de Inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Door zich af te sluiten van informatie die nadelig voor hem zou kunnen uitpakken, heeft de Inspecteur tevens het fair play beginsel geschonden. De Inspecteur heeft zijn taak met vooringenomenheid uitgevoerd. Hij had zelf de rechtmatigheid van de verkrijging door de Belgische overheid moeten onderzoeken. Door dit niet te doen druist het handelen van de Nederlandse overheid zozeer in tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat de microfiches niet als bewijs mogen worden gebruikt. Hierdoor is ook het verdedigingsbeginsel geschonden. De handelwijze van de Inspecteur levert een schending op van het in artikel 6 van het EVRM en artikel 14 IVBPR vervatte recht op een eerlijk proces. Belanghebbende stelt dat bij de overdracht van de informatie door België aan Nederland de Bijstandsrichtlijn (EG-Richtlijn 19 december 1977, nummer 77/799EEG, hierna: de Richtlijn) is geschonden, zowel door de Belgische als door de Nederlandse autoriteiten. De startinformatie is afkomstig uit Luxemburg. Die startinformatie is door de Belgische autoriteiten echter niet conform de Bijstandsrichtlijn van de bevoegde autoriteit in Luxemburg verkregen. Belanghebbende wijst op de preambule van de Bijstandsrichtlijn waarin het volgende is opgenomen: "Overwegende [...] dat het tevens noodzakelijk is dat deze staten aan deze inlichtingen hetzelfde vertrouwelijke karakter geven als zij hadden in de Lid-Staat waaruit zij afkomstig zijn; Overwegende dat aan een Lid-Staat het recht moet worden toegekend het instellen van een onderzoek of het verstreken van inlichtingen te weigeren wanneer de wetgeving of de administratieve praktijk van de Lid-Staat die de inlichtingen zou moeten verstrekken, de belastingadministratie van deze Staat niet toestaan voor eigen doeleinden een zodanig onderzoek in te stellen of zodanige inlichtingen in te winnen [...]" Belanghebbende wijst verder op artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn toentertijd luidende: "De bepalingen van deze richtlijn verplichten niet tot het instellen van een onderzoek of het verstrekken van inlichtingen wanneer de wetgeving of de administratieve praktijk van de Lid-Staat die de inlichtingen zou moeten verstrekken de bevoegde autoriteiten niet toestaat voor eigen doeleinden een zodanig onderzoek in te stellen of zodanige inlichtingen in te winnen of te gebruiken". Belanghebbende meent dat deze beperking van de inlichtingenplicht tot doel heeft de soevereine beslissingsmacht van de individuele lidstaten te waarborgen. De Belgische staat heeft de bankgegevens niet op de in de Bijstandsrichtlijn voorgeschreven wijze verkregen. De Luxemburgse autoriteiten zijn daarom niet in staat geweest de aan Luxemburg toekomende souvereiniteitsrechten uit te oefenen. Zij hebben niet kunnen toetsen of de van KB-Lux afkomstige informatie, gelet op de nationale wetgeving van Luxemburg en de administratieve praktijk aldaar, wel aan de Belgische staat verstrekt hadden kunnen worden en zo ja of daaraan nog nadere voorwaarden verbonden zouden moeten worden. Belanghebbende stelt dat Luxemburg, met een beroep op artikel 8 van de Bijstandsrichtlijn, weigert eventuele onder het Luxemburgse bankgeheim vallende informatie aan andere lidstaten te verstrekken. De Belgische overheid heeft de souvereiniteitsrechten van Luxemburg verder geschonden door de spontane verstrekking van gegevens over Nederlandse ingezetenen aan de Nederlandse overheid. Op grond van de Bijstandsrichtlijn zouden deze gegevens alleen door de Luxemburgse overheid aan Nederland kunnen worden verstrekt. De Nederlandse overheid kon uit de omstandigheid dat de gegevens betrekking hadden op Nederlandse ingezetenen, afleiden dat deze gegevens niet door de Luxemburgse autoriteiten op basis van de Bijstandsrichtlijn aan België konden zijn verstrekt. Het onrechtmatig handelen van de Nederlandse en de Belgische staat bestaat volgens belanghebbende niet alleen uit een schending van de in de Bijstandsrichtlijn gegeven regeling maar vormt ook een schending van de soevereiniteit van Luxemburg en de tussen staten geldende goede trouw. Luxemburg mag erop vertrouwen dat de Belgische en Nederlandse staat de Europese verdragen nakomen. Belanghebbende is verder van mening dat onder de in artikel 4 van de Bijstandsrichtlijn genoemde 'inlichtingen' niet inlichtingen vallen die op (strafbaar) onrechtmatige wijze zijn verkregen. Belanghebbende is primair van mening dat de schending van de Bijstandsrichtlijn door de Nederlandse staat dermate ernstig is dat het niet is toegestaan de verkregen informatie te gebruiken voor belastingheffing en beboeting. Belanghebbende verzoekt het Hof om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: Belanghebbende suggereert, verkort weergegeven, om de volgende vragen te stellen: - Handelt een lidstaat in strijd met de Bijstandsrichtlijn indien hij informatie afkomstig uit een andere lidstaat, verkregen heeft door onrechtmatige tussenkomst van derden, en de informatie die betrekking heeft op andere landen aan andere lidstaten verstrekt, zonder voorafgaande toestemming van de lidstaat waaruit de informatie afkomstig is? - Handelt de 'andere lidstaat' in strijd met de Bijstandsrichtlijn door de verkregen informatie voor fiscale of andere doeleinden te gebruiken, zonder voorafgaande toestemming van de lidstaat waaruit de informatie afkomstig is? - Dient het woord 'inlichtingen' in artikel 4 van de Richtlijn zo te worden uitgelegd dat daaronder mede inlichtingen worden verstaan die op (strafrechtelijk) onrechtmatige wijze door de inlichtingen verstrekkende staat zijn verkregen. Belanghebbende wijst op een artikel in het dagblad Trouw van 8 augustus 1996 over een onderzoek door de Belgische justitie naar ongeveer 300 niet aangemelde bankrekeningen van Belgen bij KB-Lux. In dat artikel wordt een woordvoerder van 'de Nederlandse belastingdienst' als volgt geciteerd: "De Nederlandse belastingdienst beweert dat, wanneer hem illegaal gegevens zouden worden aangeboden over bankrekeningen van Nederlanders in het buitenland, hij daar niet direct gebruik van zou maken. Volgens een woordvoerder zou de belastingdienst de informatie als 'tip' opvatten, maar eerst onderzoeken van wie de gegevens afkomstig zijn. Wanneer die gegevens onrechtmatig zijn verkregen, zou de fiscus die informatie naar eigen zeggen niet gebruiken". Belanghebbende meent hieraan het vertrouwen te kunnen ontlenen dat de ontvangen informatie niet gebruikt zal worden voor het opleggen van de aanslag. De Inspecteur De microfiches zijn onrechtmatig verkregen door de ex-werknemers. Onderzocht is of deze onrechtmatige verkrijging het gebruik van de verkregen informatie in Nederland ten behoeve van de belastingheffing en de oplegging van administratieve boeten in de weg stond. Dit is gebeurd in de Nota rechtmatigheid. De verkrijging in Luxemburg is niet onrechtmatig jegens belanghebbende. De Inspecteur mag deze informatie gebruiken op grond van de zogenoemde 'silver platter doctrine'. Ten tijde van de verkrijging van de informatie van de Belgische overheid had de Nederlandse overheid geen wetenschap over de verkrijging van de microfiches door de Belgische overheid. Op grond van het internationaal vertrouwensbeginsel was een onderzoek naar de rechtmatigheid van die verkrijging niet nodig. Het staat niet vast dat de verkrijging van de microfiches die ten grondslag lagen aan het renseignement naar Belgische maatstaven onrechtmatig was. Naar Nederlands recht is relevant of het gaat om niet herstelbare vormverzuimen die gemaakt zijn in het voorbereidend onderzoek met betrekking tot de feiten die ten laste zijn gelegd. Bovendien moeten die fouten zijn gemaakt in het vooronderzoek jegens de belanghebbende zelf. Belanghebbende verwijst naar de uitspraak van Rechtbank Brussel. Deze uitspraak betreft echter een strafzaak en geen fiscale zaak. Vanuit de Nederlandse context bezien is het bewijs, als het al onrechtmatig is verkregen, toch fiscaal bruikbaar, tenzij het gebruik ervan zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarnaast ziet de procedure van Rechtbank Brussel niet op de verkrijging van microfiches, maar op de verkrijging van een aantal andere documenten. De Inspecteur is van mening dat de Hoge Raad zowel in een strafzaak als in een fiscale zaak reeds heeft beslist over de rechtmatigheid van het verkregen bewijs. De Inspecteur verwijst hiervoor naar de arresten van de Hoge Raad van 14 november 2006, nr. 02324/05, LJN: AX7471 en van 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN: BA
  2. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat, uitgaande van de veronderstelling dat de verkrijging in België onrechtmatig was, het verkregen bewijs in Nederland desondanks zowel strafrechtelijk als fiscaalrechtelijk bruikbaar is. De Inspecteur geeft aan dat hij pas in 2004/2005 kennis heeft gekregen van de mogelijke onrechtmatigheden bij de verkrijging in België. In de Nota rechtmatigheid is slechts de situatie in Luxemburg onderzocht, omdat op dat moment bij de Belastingdienst niet het vermoeden bestond dat de verkrijging in België onrechtmatig zou zijn. Het Verslag Comité P is door de Inspecteur niet vanuit België ontvangen, maar via advocaten van belanghebbenden. Volgens de Inspecteur is het Verslag Comité P door de Belastingdienst pas in 2004 of 2005 ontvangen, dus ten tijde van het opleggen van de aanslagen had de Inspecteur geen idee van de eventuele onrechtmatige verkrijging in België. De Bijstandsrichtlijn is niet geschonden. De door belanghebbende aangehaalde passages uit de preambule hebben geen betrekking op de onderhavige situatie. Een particulier kan geen rechten aan de richtlijn ontlenen. Het gebruik van de informatie is niet in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en druist ook niet in tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Er is geen reden om prejudiciële vragen te stellen. 3.3.
  3. Is belanghebbende op 31 januari 1994 houder van een bankrekening bij KB-Lux met een saldo van ƒ 50.361? 3.3.2.
  4. Met betrekking tot de identificatie De Inspecteur De Inspecteur wijst op het identificatieproces zoals in onderdeel 2.4 beschreven. De wijze van identificatie heeft geleid tot een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de juistheid daarvan. De combinatie van de voornaam Hubertus met de achternaam X gehuwd met mevrouw XX is zo specifiek, dat de mogelijkheid dat belanghebbende geen rekening had, niet reëel is. Belanghebbende heeft bovendien erkend rekeninghouder te zijn geweest. Uit de informatie van de meewerkers blijkt, aldus de Inspecteur, dat de naamgeving in de KB-Lux informatie betrouwbaar is. Volgens de Inspecteur was op 14 december 2004 maar één geval geconstateerd waarbij een geïdentificeerde rekeninghouder geen rekening bezat bij KB-Lux. In dat geval was de tenaamstelling van KB-Lux niet goed. Het tussenvoegsel 'van' was weggevallen bij de tenaamstelling. De Inspecteur erkent dat bij het identificatieproces ook in andere gevallen fouten zijn gemaakt. Ooit is door een FIOD-ambtenaar het getal van 38 onjuiste identificaties genoemd. Daarvan zijn er zeker 10 onjuist, in de overige 28 is het onderzoek gestopt. De 10 zeker onjuiste identificaties zijn aan het licht gekomen doordat alsnog de juiste rekeninghouder werd gevonden. Er zijn inmiddels uitspraken gepubliceerd waarin ook de rechter de identificatie in twijfel heeft getrokken. In alle gevallen ging het niet om een onjuiste identificatie maar om twijfel. De uitspraak van Hof Amsterdam van 31 augustus 2006 heeft betrekking op een geval waarbij de rekening stond op naam van een man (vader) en een vrouw die reeds vele jaren gescheiden waren. Grootvader, vader en zoon hadden dezelfde voor- en achternaam. De Inspecteur stelt dat de landencode welke gehanteerd wordt in de uit België verkregen informatie, betrekking heeft op 'rekeninghouders' die in Nederland woonachtig zijn. De Inspecteur verwijst in dit verband op de brief van de Belgische belastingadministratie van 27 oktober 2000 waar op verschillende plaatsen staat dat het gaat om 'inlichtingen over inwoners van uw land'. Verder wijst de Inspecteur op een onderzoek van de Belastingdienst in een andere zaak, uit welk onderzoek zou zijn gebleken dat de landencode Nederland ook werd toegekend aan in Nederland wonende personen met een niet-Nederlandse nationaliteit en op het proces-verbaal van ambtshandeling van de heer A van 10 januari 2003 waarin staat: "De vermelding van de overzichten van het land geeft volgens de BBI het woonland aan van de rekeninghouder". Belanghebbende Zoals de Inspecteur aangeeft, staan op de microfiches een aantal rekeninghouders van wie alleen de naam en voorletters bekend zijn. Dit houdt in dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat belanghebbenden die op de microfiche lijst voorkomen rekeninghouder zijn, of zijn geweest, bij de KB-Lux bank. Niet kan worden uitgesloten dat meerdere gelijksoortige namen voorkomen met één of meer gelijke voorletters, zowel nationaal als internationaal. Voor de identificatie dienen meer persoonsgebonden gegevens aanwezig te zijn zoals geboortedatum, geboorteplaats en dergelijke. De Inspecteur geeft zelf aan dat er 38 personen verkeerd zijn geïdentificeerd. De geruchten doen de ronde dat dit aantal met enkele tientallen is toegenomen. De methoden die de Inspecteur heeft gebruikt om tot identificatie te komen kan ik niet herleiden. De Inspecteur kan niet toelichten hoe de identificatie exact is uitgevoerd. In het proces-verbaal van identificatie staat niet genoeg informatie. Tevens verwijst belanghebbende naar de uitspraken van Hof Amsterdam van 14 januari 2010, nr. 04/02814, LJN: BL1439 en BL1441, waarin drie familieleden in het BVR-bestand onder dezelfde naam stonden vermeld en zij volgens de Hoge Raad in beginsel alle drie in aanmerking kwamen als zijnde mogelijk rechthebbende ten aanzien van de betreffende rekening. Belanghebbende verzoekt de Inspecteur om overlegging van de in de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 23 december 2010, nummers AWB 07/1315 en 07/3480, genoemde gegevens met betrekking tot vijf foutieve identificaties alsmede de aard daarvan. 3.3.2.
  5. Met betrekking tot de vraag of uit het renseignement kan worden afgeleid dat belanghebbende op 31 januari 1994 een rekening bezat bij KB-Lux met het in het renseignement genoemde saldo De Inspecteur De Inspecteur voert aan dat op verschillende manieren is gebleken dat de microfiches gegevens van bankrekeningen bij KB-Lux betroffen:
(1)door de Belgische autoriteiten is meegedeeld dat de rekeningen werden aangehouden bij KB-Lux;
(2)de valutacodes op de microfiches komen overeen met de valutacodes van KB-Lux;
(3)uit een pilot is gebleken dat het microfiches waren van KB-Lux;
(4)tevens is uit de database gebleken dat alle geïdentificeerde microfiches van belastingplichtigen die wel informatie verschaften, afkomstig waren van KB-Lux. Belanghebbende heeft geen getuigenverhoor nodig om de vraag te beantwoorden of belanghebbende de rekening ook in de jaren voor en na 1994 zou hebben aangehouden. Dat kan hij zelf bij KB-Lux navragen. Zelfs indien de gegevens niet meer over alle jaren bij KB-Lux aanwezig zijn, dan beschikt de bank altijd nog over de data waarop de rekening is geopend en gesloten. Ten aanzien van de getuigen uit Luxemburg die belanghebbende wenst te horen, valt niet te verwachten dat deze mensen over de rekening bij KB-Lux zullen getuigen, omdat zij daarmee het bankgeheim zullen schenden. Belanghebbende heeft bovendien erkend rekeninghouder te zijn geweest. Belanghebbende Naar de mening van belanghebbende is de uit België verkregen informatie niet betrouwbaar. Hij beroept zich daarbij op de uitspraak van de Rechtbank in eerste aanleg te Brussel van 28 juni 2002, de uitspraak van het Hof van beroep te Luik van 19 mei 2004 en de uitspraak van de Correctionele Rechtbank Brussel van 8 december 2009. Belanghebbende betwist de authenticiteit van de microfiches. Nergens blijkt uit de microfiches en het procesdossier dat zij afkomstig zijn uit de interne boekhouding van KB-Lux. Nergens is op de lijst een verwijzing naar welke bank dan ook te vinden. Ieder logo ontbreekt. De afdrukken staan niet op papier van de bank. KB-Lux heeft niet de authenticiteit van de lijst bevestigd. De lijst met afdrukken kan simpelweg door iedereen met een personal computer of een kopieerapparaat in elkaar worden geknutseld. Het microfiche zal uit ongeveer 10.000 pagina's bestaan. Het is niet zo dat alle Nederlanders op dezelfde pagina staan en dat alle Belgen ook op dezelfde pagina staan. Op de pagina's waarover 'wij' beschikken staan slechts Nederlanders, geen Belgen of andere nationaliteiten (De Inspecteur merkt hierover op dat het landennummer bovenaan de pagina is gegeven). De gemachtigde van belanghebbende heeft in Brussel het strafdossier ingezien van Rechtbank Brussel inzake de uitspraak van december 2009. In dat dossier zijn geen stukken aangetroffen die gelijkluidend zijn aan de kopieën die de Nederlandse belastingdienst heeft ontvangen van de Belgische belastingadministratie. De heer A heeft in het verleden verklaard dat, voordat hij met het dossier aan de slag ging, andere medewerkers van de FIOD het dossier doorgenomen hebben. Deze medewerkers hebben toen verklaard niets met het dossier te kunnen doen. Toen de heer A het dossier in handen kreeg, kon er opeens wel wat mee gedaan worden en werden er belastingplichtigen aangeschreven. Ik zeg niet dat de Belastingdienst het dossier gemanipuleerd heeft, maar ik vind dit wel vreemd. Belanghebbende verzoekt het Hof op de voet van artikel 8:33 van de Awb in combinatie met artikel 176 van de Rv de bevoegde autoriteit in Luxemburg te verzoeken de volgende werknemers van KB-Lux te verhoren: I, J, K, L, M. Belanghebbende stelt dat deze personen niet bereid zijn om vrijwillig te getuigen. Belanghebbende heeft dit verzoek als volgt toegelicht: Het bewijs of de personen genoemd op de microfiches, ook op andere tijdstippen dan 31 januari 1994 al dan niet rekeninghouder zijn geweest, kan alleen door het horen van deze werknemers van KB-Lux worden geleverd. Zij kunnen verklaren wat het saldoverloop in de loop der jaren is geweest. Zij kunnen ook verklaren dat uit de afschriften van de microfiches niet de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende meerdere rekeningen heeft aangehouden bij KB-Lux, dat de gegevens die op de microfiches voorkomen een andere betekenis hebben dan tot nu toe door de Inspecteur is gesteld en dat de namen die op de microfiches voorkomen niet per sé van de hoofdrekeninghouder behoeven te zijn, dan wel de daadwerkelijk gerechtigde. Deze getuigen kunnen verder verklaren of de microfiches daadwerkelijk afkomstig zijn van KB-Lux en of deze werknemers de kopieën van de microfiches die de Nederlandse belastingdienst bezit, herkennen. Belanghebbende gaat ervan uit dat het microfiche waarover de Belastingdienst beschikt, niet afkomstig is van KB-Lux. In het door de gemachtigde van belanghebbende ingeziene strafdossier in de rechtzaak waarin Rechtbank Brussel uitspraak heeft gedaan, zijn niet de microfiches aangetroffen waarvan de Inspecteur stelt fotokopieën te hebben. 3.3.2.3. Belanghebbende stelt dat het hem niet mogelijk is om tegenbewijs te leveren Belanghebbende Belanghebbende heeft, nadat hij door de Belastingdienst is benaderd en op de hoogte is gesteld dat het om een rekening gaat in Luxemburg van de KB-Lux, de bank benaderd met het verzoek of zij konden bevestigen of hij daar een rekening heeft met nummer zoals door de Belastingdienst opgegeven. Belanghebbende heeft op zijn verzoek geen antwoord ontvangen. Vervolgens heeft belanghebbende een brief naar KB-Lux geschreven met het verzoek of zij aan belanghebbende kunnen bevestigen dat hij daar een rekening heeft. Ook hierop heeft belanghebbende geen reactie ontvangen. Na een rappelbrief van de gemachtigde van belanghebbende deelt de bank telefonisch aan de gemachtigde van belanghebbende mede dat zij grondwettelijk, gelet op het bankgeheim, geen mededelingen mogen doen. De Inspecteur Wanneer belanghebbende aan KB-Lux meedeelt rekeninghouder te zijn (geweest) bij KB-Lux, dan zal KB-Lux de rekeningafschriften aan belanghebbende verstrekken. De gemachtigde van belanghebbende heeft in alle antwoorden op de aan door hem vertegenwoordigde belanghebbenden gestelde vraag over de contacten met KB-Lux, hetzelfde antwoord gegeven. Het is dus de vraag of dit een juiste weergave is van hetgeen is gebeurd. De gehele mededeling van belanghebbende is onbegrijpelijk nu belanghebbende heeft erkend rekeninghouder te zijn geweest. 3.3.3. Met betrekking tot de vraag of belanghebbende gedurende de gehele in geschil zijnde periode houder was van een of meer buitenlandse bankrekeningen waaruit inkomsten zijn getrokken De Inspecteur De Inspecteur stelt dat van 2.320 bekennende houders van een bankrekening bij KB-Lux op 31 januari 1994, 97,6% deze rekening ook bezat voor 1 januari 2004. Voor de daaraan voorafgaande jaren luiden deze percentages: 95,7% voor 1 januari 1993; 77,2% voor 1 januari 1992; 58,3% voor 1 januari 1991; 39,1% voor 1 januari 1990. Voor de daaropvolgende jaren: 97,8% na 1 januari 1995; 86% na 1 januari 1996; 81% na 1 januari 1997; 76% na 1 januari 1998; 73% na 1 januari 1999; 71% na 1 januari 2000. De Inspecteur acht op grond van deze percentages aannemelijk dat belanghebbende gedurende de gehele in geding zijnde periode heeft beschikt over een of meer bankrekeningen bij KB-Lux, althans een of meer bankrekeningen bij een buitenlandse bank. Aanvullend stelt hij dat voor beboetingsdoeleinden bij een percentage van boven de 50 nog sprake is van een ervaringsregel op basis waarvan een gerechtvaardigd vermoeden omtrent de aanwezigheid van een rekening bestaat. De Inspecteur gaat daarbij voor de jaren vóór 1994 uit van de percentages geldend voor 1 januari van het betreffende jaar. Als voorbeeld 1992: 77,2%. Voor de jaren na 1994 gaat de Inspecteur uit van het percentage na 1 januari van het betreffende jaar. Als voorbeeld 1996: 86%. De door de Inspecteur genoemde gegevens zijn ontleend aan de 'applicatie correcties' (zie onderdeel 3.3.5.1 van deze uitspraak). In deze applicatie zijn echter niet opgenomen de tijdstippen van opening en sluiting van een rekening. Bij de berekening van genoemde percentages is aangenomen dat een rekening is geopend met ingang van het jaar waarin voor het eerst een correctie is opgenomen en gesloten met ingang van het jaar waarin geen correctie meer is opgenomen. Dit percentage zal dus eerder te laag dan te hoog zijn. Het feit dat men een bankrekening opent en aanhoudt op grote afstand van de woonplaats en de bankrekening naast de zichtrekening ook een termijndeposito kent, rechtvaardigt naar de mening van de Inspecteur het vermoeden, dat aangenomen mag worden dat dit deposito, dan wel een vergelijkbare beleggings- of spaarvorm in de in geschil zijnde jaren werd aangehouden. Een termijndeposito wijst er op dat een rekeninghouder voor een langere periode geld wil wegzetten. Het saldo op het termijndeposito wijst op herbelegging van het rendement; er staat namelijk een gebroken bedrag op. Daarnaast heeft belanghebbende toegegeven dat hij een rekening in België heeft aangehouden die niet is verantwoord. Belanghebbende stelt dat de rekening ongeveer in 1994 is geopend en dat hij ongeveer twee jaar later is gesloten. Gelet op de omvang van het saldo op 31 januari 1994 en hetgeen bekend is omtrent de inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende is het onmogelijk dat het saldo is ontstaan na 31 januari 1994 en evenmin in een zeer korte periode voor 1994. Uit de aangiftegegevens blijkt op geen enkele wijze dat het bedrag na twee jaar in Nederland zou zijn aangehouden. De Inspecteur wijst er in dat verband op dat uit de gegevens van meewerkers is gebleken, dat het totale bij KB-Lux aangehouden tegoed in veel gevallen hoger was dan het tegoed volgens de microfiches. Het is aannemelijk dat er achter de bekende rekeningen meer zit. Belanghebbende doet niet voor niets zoveel moeite om naar Luxemburg te gaan. Belanghebbende Voor zover de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende op 31 januari 1994 rekeninghouder is geweest, rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat belanghebbende vóór of na die datum rekeninghouder is geweest. Bij gebrek aan wetenschap betwist belanghebbende de door de Inspecteur genoemde percentages betreffende het bestaan van de rekening vóór en na 1994. Belanghebbende betwist bij gebrek aan wetenschap de ervaring van de Inspecteur dat het aangehouden tegoed in veel gevallen hoger is dan het tegoed volgens de microfiches. 3.3.4. Met betrekking tot de vraag of voor ieder van de in geschil zijnde jaren de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard De Inspecteur De Inspecteur past de omkering en verzwaring van de bewijslast toe, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in artikel 47 van de AWR en niet de vereiste aangiften heeft gedaan. De Inspecteur voert voor de omkering en verzwaring van de bewijslast de volgende argumenten aan waarbij hij tot uitgangspunt neemt dat hij heeft bewezen dat belanghebbende op 31 januari 1994 een rekening aanhield bij KB-Lux met een saldo van ƒ 50.361. Door te ontkennen dat hij een rekening aanhield bij KB-Lux heeft belanghebbende opzettelijk onjuiste informatie verstrekt. Het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie moet, gelet ook op het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2002, nr. 36 063, BNB 2002/136, op één lijn worden gesteld met een weigering de gevraagde gegevens te verstrekken. Hij is daarmee gelijk te stellen met een belastingplichtige die geen informatie verstrekt. Voor zover belanghebbende stelt dat hij heeft bekend, heeft belanghebbende in ieder geval niet voldaan aan zijn verplichting bankafschriften en verdere informatie over de rekening te verschaffen. Belanghebbende heeft niet voldaan aan zijn informatieplicht. De Inspecteur wijst op de in onderdeel 3.3.3 van deze uitspraak genoemde percentages van bekennende rekeninghouders die de rekening ook in eerdere en latere jaren aanhielden. Mede op grond hiervan acht de Inspecteur aannemelijk dat voor ieder van de in geschil zijnde aanslagen onjuiste informatie is verstrekt. Hetgeen belanghebbende stelt over het Nauta-protocol is niet ter zake doende. Dit protocol heeft betrekking op het structureren van procedures over een aantal rechtsvragen, welke van belang kunnen zijn voor alle belastingplichtigen in het Rekeningenproject. Dit protocol heeft geen betrekking op feitelijke vragen noch op het vaststellen van de feiten omtrent de rekening van een individuele belastingplichtige. De inlichtingenverplichting blijft onverkort in stand. Door gegevens te vragen over de rekening heeft de Inspecteur geen enkel beginsel van behoorlijk bestuur geschonden. Belanghebbende heeft zich niet aangesloten bij het Nauta-protocol zodat hem reeds daarom geen beroep op dit protocol toekomt. Belanghebbende Voor de informatieverplichting van artikel 47 van de AWR is vereist dat de Inspecteur beschikt over een concrete aanwijzing. De Inspecteur beschikte in dit geval niet over concrete gegevens die aanleiding zouden kunnen geven tot het stellen van nadere vragen. Belanghebbende wijst ook op de onbetrouwbaarheid van het renseignement. Er is sprake van een 'fishing expedition'. Belanghebbende leidt uit artikel 6 van het EVRM het volgende af. Als door de Belastingdienst gegevens worden gevraagd met een dubbel doel, namelijk zowel met het oog op een op te leggen boete, als met het oog op de belastingheffing, dan behoeven deze niet te worden verstrekt. Worden toch gegevens verstrekt, in dit geval betreft dit alleen de ontkenning van belanghebbende dat hij over een rekening beschikte, dan mogen deze gegevens niet worden gebruikt voor de beboeting en evenmin voor de belastingheffing. In ieder geval mag dit niet leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Door belanghebbende te wijzen op de gevolgen voor de belastingheffing, de boeten en de strafrechtelijke sancties, in het geval hij niet zou voldoen aan zijn informatieverplichting, heeft de Inspecteur ongeoorloofde druk op belanghebbende uitgeoefend. Er zijn brieven gestuurd waarin om informatie is gevraagd, maar deze brieven zijn achterhaald door het met NautaDuthil overeengekomen protocol. In dat kader zou het ingediende - pro-forma - bezwaarschrift worden aangehouden. Dit impliceert dat belanghebbende vooralsnog niet hoefde over te gaan tot het motiveren van dit bezwaarschrift. Het omkeren van de bewijslast onder vermelding van het feit dat er niet is voldaan aan het verstrekken van informatie, terwijl op initiatief van de Belastingdienst wordt besloten alle procedures en activiteiten aan te houden in afwachting van de beantwoording van een aantal rechtsvragen in proefprocedures, is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met name is hier sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, het beginsel dat een belastingplichtige aan door de Belastingdienst opgewekt vertrouwen een recht mag ontlenen. In casu is dat recht, het recht dat nu alle procedures worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van rechtsvragen, dit de belastingplichtige die zich daarin schikt later niet in een voor hem ongunstiger positie kan brengen. Doordat de Belastingdienst heeft besloten alle procedures aan te houden, is haar eerder verzoek tot het verstrekken van nadere informatie niet langer geldig, althans men kan van de belastingplichtige niet verlangen dat waar de Belastingdienst alle procedures stil legt, de belastingplichtige gewoon voortgaat met het leveren van stukken, opgevraagde bankbescheiden en zo meer. Zolang niet vaststaat dat aan belanghebbende een aangifte is uitgereikt en in deze aangifte geen melding is gemaakt van een buitenlands tegoed, kan niet worden gezegd dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Zolang dat niet vaststaat moet de omkering van de bewijslast ongedaan worden gemaakt en zal de Inspecteur moeten bewijzen dan wel aannemelijk maken dat belanghebbende met opzet niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Voor wat betreft de jaren waarvan geen aangifte in het dossier aanwezig is, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat hij ook niet is uitgenodigd om een aangifte te doen. De Inspecteur moet bewijzen dat aan belanghebbende een aangiftebiljet is uitgereikt. Belanghebbende bepleit het achterwege laten van de omkering en verzwaring van de bewijslast als compensatie voor het feit dat aanslagen met toepassing van de verlengde termijn van navordering c.q. aan het einde van de vijfjaarstermijn van navordering worden opgelegd. 3.3.5. Met betrekking tot de vraag of de aanslagen zijn gebaseerd op een redelijke schatting 3.3.5.1. Standpunt Inspecteur De databank 'applicatie correcties' In oktober 2002 moest worden bepaald hoe hoog de correcties dienden te zijn bij diegenen die niet meewerkten of ontkenden. Daarvoor is de 'applicatie correcties' ontwikkeld. De bedoeling van deze applicatie was om informatie te verkrijgen waarop redelijke aanslagen gebaseerd konden worden voor belastingplichtigen die ontkenden een bankrekening te hebben dan wel die in het geheel geen informatie verstrekten. De gegevens voor de 'applicatie correcties' zijn aangeleverd door de aanslagregelende ambtenaren. In deze databank zijn de gegevens verwerkt van belastingplichtigen die in het kader van het Rekeningenproject meewerkten, in die zin dat zij alle gevraagde informatie verstrekten. Voorts zijn de gegevens verwerkt van belastingplichtigen die buiten het Rekeningenproject om zich met een beroep op de werking van artikel 67n van de AWR en/of artikel 69a van de AWR gemeld hebben bij de Inspecteur in verband met het aanhouden van tegoeden ('inkeerders'). In de 'applicatie correcties' zijn de volgende gegevens ingevoerd: (
  1. i)Het saldo van het renseignement. Bij de inkeerders is geen saldo opgenomen omdat daar uiteraard een renseignement ontbreekt. (
  2. ii)Betreft het een ondernemer of een particulier? Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens waarover de Belastingdienst beschikt. Grootaandeelhouders worden tot de ondernemers gerekend. (iii) De correctiebedragen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990 tot en met 2000 en vermogensbelasting 1991 tot en met 2000. De hoogte van de ingevulde correctiebedragen betreft de belastbare bedragen na verwerking van vrijstellingen en heffingsvrije bedragen en inclusief eventuele nevencorrecties (bijvoorbeeld wijziging drempel buitengewone lasten). Verder diende ingevuld te worden of er zogenaamde broncorrecties waren. Dat zijn correcties die zijn opgelegd naar aanleiding van het belasten van de vergaring van het vermogen. (
  3. iv)Ten behoeve van de beoordeling van de hardheid van de cijfers is een vraag opgenomen over de kwaliteit van de cijfers. Daartoe diende de aanslagregelend ambtenaar te onderscheiden naar de volgende keuzes: - vaststellingsovereenkomst gesloten; - getekende afspraak over omvang correcties; - geen getekende afspraak maar overeenstemming over omvang correcties; - geen overeenstemming maar harde correcties volgens Inspecteur; - geen overeenstemming, correcties onzeker. De data van openen en sluiten van de rekening zijn niet opgenomen. De gegevens van de categorie 'geen overeenstemming, correcties onzeker' zijn niet in de 'applicatie correcties' opgenomen. Tabellen ten behoeve van de redelijke schatting Ten behoeve van de redelijke schatting is aan de hand van de gegevens in de 'applicatie correcties' een viertal tabellen opgesteld. Daarbij zijn de gegevens gebruikt van de 'applicatie correcties' naar de stand per oktober 2002. Op dat moment moest worden overgegaan tot het opleggen van aanslagen. In de tabellen zijn niet opgenomen 601 posten zonder heffingsbelang. De reden daarvan is volgens de Inspecteur dat aangenomen mag worden dat rekeninghouders zonder heffingsbelang antwoord zullen geven. Zij hebben immers niets te verliezen. Dit ligt anders voor de ontkenners/weigeraars waarvan aangenomen mag worden dat deze wel iets te verliezen hebben. Beide groepen zijn daarom niet te vergelijken. Wel zijn in de tabellen opgenomen de posten met een fichesaldo van meer dan ƒ 500.000. Van de volgende aantallen meewerkers en inkeerders zijn de gegevens opgenomen in deze tabellen: Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen: particulieren 829 ondernemers 434 1.263 Vermogensbelasting: particulieren 338 ondernemers 264 602 In de tabellen is in totaal bij ondernemers een bedrag aan broncorrecties opgenomen groot ƒ 3.839.305 en bij particulieren een bedrag groot ƒ 428.809. De totale correctiebedragen over de periode 1990 tot en met 2000 zijn verwerkt in vier tabellen: - inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ondernemers, 434 posten, tabel 3; - inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen particulieren, 829 posten, tabel 4; - vermogensbelasting ondernemers, 264 posten, tabel 5; - vermogensbelasting particulieren, 338 posten, tabel 6. De tabellen zijn opgesteld in volgorde van de hoogte van de totale correctiebedragen, beginnend bij 1 voor de hoogste correctie. In de tabellen 7 en 8 zijn de gemiddelde correcties per jaar berekend gesplitst naar belastingmiddel en ondernemers/ particulieren. Die bedragen zijn per jaar vertaald in een percentage, per doelgroep en belastingmiddel, van het totaal aan correcties over de jaren. In de tabellen 1 en 2 is een verband gelegd tussen de correctiebedragen welke zijn opgenomen in de tabellen 3 tot en met 6 en de hoogte van de saldi van de renseignementen. De saldi zijn daartoe samengevoegd in groepen met een interval van ƒ 50.000. Per groep is de gemiddelde correctie berekend. Deze opstellingen zijn afzonderlijk gemaakt voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting. In deze tabellen zijn de gegevens van ondernemers en particulieren samengevoegd aangezien de afzonderlijke uitkomsten niet veel verschilden. Negatieve saldi zijn niet in de tabellen 1 en 2 opgenomen. Ook de gegevens van inkeerders zonder KB-Luxrekening zijn niet in deze tabellen verwerkt. De redelijke schatting Uitgangspunt voor de redelijke schatting is het totale correctiebedrag dat zich bevindt op 5% van het totale aantal posten, te rekenen vanaf de hoogste correctie, en dus op 95% van de post met de laagste correctie. Voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ondernemers is bepalend de post die ligt op 5% van 434 posten, zijnde post nummer 21 met een correctiebedrag van ƒ 294.608. Voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen particulieren is bepalend de post die ligt op 5% van 829 posten, zijnde post nummer 41 met een correctiebedrag van ƒ 150.088. Voor de vermogensbelasting ondernemers is bepalend de post die ligt op 5% van 264 posten, zijnde post nummer 13 met een correctiebedrag van ƒ 5.195.000. Voor de vermogensbelasting particulieren is bepalend de post die ligt op 5% van 338 posten, zijnde post nummer 16 met een correctiebedrag van ƒ 3.923.000. De aldus gevonden bedragen worden vervolgens vermenigvuldigd met 1,5 en afgerond. Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ondernemers 1,5 x 294.608 = 441.912, afgerond ƒ 440.000. Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen particulieren 1,5 x 150.088 = 225.132, afgerond ƒ 225.000. Vermogensbelasting ondernemers 1,5 x 5.195.000 = 7.792.500, afgerond ƒ 7.800.000. Vermogensbelasting particulieren 1,5 x 3.923.000 = 5.884.500, afgerond ƒ 6.000.000. Deze totale correcties zijn vervolgens verdeeld over de diverse aanslagjaren op basis van de percentages uit de tabellen 8 en 9. Hierbij wordt dus aangenomen dat de rekening de totale periode heeft bestaan. Dit leidt tot de volgende lijst van correcties die worden toegepast voor alle personen die niet hebben meegewerkt met een saldo van minder dan ƒ 500.000: Jaar IB IB VB VB ondernemer particulier ondernemer particulier 1990 44.132 25.695 1991 41.052 24.210 624.000 471.600 1992 40.832 23.333 639.600 478.800 1993 40.480 20.633 640.380 507.600 1994 29.348 17.235 694.980 527.400 1995 30.976 17.100 687.960 531.600 1996 35.948 17.190 715.260 611.400 1997 38.500 18.360 808.080 619.200 1998 36.212 19.013 966.420 715.800 1999 53.284 20.025 1.073.280 724.800 2000 49.236 22.208 950.040 811.800 -------- -------- ---------- ---------- 440.000 225.002 7.800.000 6.000.000 Algemene motivering van de Inspecteur Belanghebbende is bij de schatting behandeld als particulier. De Inspecteur beschikt in het geval van een ontkenner/weigeraar over de volgende informatie: - het saldo van het renseignement dat de stand van de rekening aangeeft op 31 januari 2004; - de gegevens van meewerkers welke zijn verwerkt in de 'applicatie correcties'. Het saldo dat is vermeld op het renseignement behoeft niet het totale vermogen te zijn dat werd aangehouden bij KB-Lux. Het renseignement vermeldt alleen de saldi van de rekening-courant en depositorekeningen. In een groot aantal gevallen van bekenners is gebleken dat naast deze rekeningen ook andere rekeningen worden aangehouden, in het bijzonder effectenrekeningen en effectendepots. Rente en dividenden worden bijgeschreven op de rekening-courant. Dit betekent dat het saldo dat vermeld staat op het renseignement geen inzicht geeft in het vermogen dat op de gezamenlijke rekeningen staat en evenmin een indicatie geeft over de daadwerkelijke omvang van de genoten inkomsten. Op individueel niveau bleek er geen correlatie te zijn tussen het saldo van het renseignement en de daadwerkelijke correctie. (Hierna worden onder 'bankrekening' bij KB-Lux naast de op het renseignement vermelde rekening ook wel begrepen de - vermeende - overige rekeningen bij KB-Lux.) Uitgaande van een in beginsel onvolledig saldo op het renseignement is dit saldo niet geschikt om als uitgangspunt te dienen voor de in een individuele zaak toe te passen correctie. Daarbij is een uitzondering gemaakt voor saldi boven ƒ 500.000. Uitgaande van een in beginsel onvolledig saldo, acht de Inspecteur de kans dat het saldo van het renseignement gelijk is aan het werkelijke saldo groter naarmate dit saldo hoger is. Voor de groep boven de ƒ 500.000 is daarom een afwijkende methode gehanteerd waarbij de schatting is gebaseerd op een verondersteld rendement over het saldo van het renseignement. De correcties bij belastingplichtigen met een saldo boven ƒ 500.000 zijn hoger dan die bij belastingplichtigen met een saldo beneden ƒ 500.000. De bekenners waarvan de correcties zijn opgenomen in de 'applicatie correcties' vormen een representatieve groep. Omdat de correcties bij deze bekenners, naast het saldo van de rekening, het enige gegeven is dat de Inspecteur ter beschikking staat, is de schatting voor saldi van ƒ 500.000 en lager daarop gebaseerd. Daarbij ontstaat de vraag of de schatting zich moet baseren op de hoogste, het gemiddelde, of de laagste correctie. Uitgaande van de waarschijnlijkheid dat de hogere bedragen niet worden toegegeven is uitgegaan van een zodanige correctie dat 95% van alle correcties bij meewerkers kleiner is. Dit betekent dat de 5% hoogste correcties bij meewerkers is geëlimineerd. Ook bij meewerkers kan sprake zijn van uitschieters die belanghebbende dan zouden benadelen. Motivering door de Inspecteur van de schatting voor de gehele periode 1990 tot en met 2000 Het renseignement geeft een saldo per 31 januari 1994. Het is voor de Inspecteur niet te herleiden in welk jaar de rekening is geopend, daarvoor is de medewerking van de belanghebbende vereist die deze weigert te verlenen. Ook is niet na te gaan of de rekening na 31 januari 1994 is gesloten. Bij gebrek aan deze medewerking kan de schatting alleen worden gebaseerd op de gegevens opgenomen in de 'applicatie correcties'. Uit de gegevens van deze database blijkt dat in een groot deel van de gevallen de rekening al in de periode vanaf 1990 aanwezig was. In 1990 was 39% van de rekeninghouders al in het bezit van een buitenlandse bankrekening. Voor de jaren 1991 tot en met 1993 stijgt dit percentage fors. Uit dezelfde database blijkt dat het overgrote deel van de rekeninghouders die wel informatie verstrekken ook in de jaren na 1994 nog beschikte over een buitenlandse rekening. Het saldo op het renseignement betekent in ieder geval dat er een vermogen ter hoogte van dit bedrag aanwezig is op 31 januari 1994. Het saldo dat op het renseignement staat is waarschijnlijk veel lager dan datgene wat in werkelijkheid uitstond bij KB-Lux. Het saldo moet in de loop der jaren zijn opgebouwd. Nu belanghebbende niet wil vertellen of en in hoeverre het saldo na 31 januari 1994 is gewijzigd mag er van worden uitgegaan dat het toen aanwezige vermogen in stand is gebleven. De factor 1,5 In zijn brief van 10 oktober 2011 heeft de Inspecteur meegedeeld dat hij op grond van de arresten van de Hoge Raad van 15 april 2011, nrs. 09/03075 en 09/05192, LJN: BN6324 en BN6350, heeft besloten voor alle nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen, in het kader van de schatting de factor 1,5 niet langer te hanteren. Door de Inspecteur zijn belasting, boeten en rente herrekend waarbij de factor 1,5 achterwege is gelaten. Overige opmerkingen Het is niet mogelijk om bepaalde onderdelen uit de schatting te verwijderen, omdat alle onderdelen van deze schatting met elkaar samenhangen. Alle onderdelen gezamenlijk hebben geleid tot de uiteindelijke correcties. Daarnaast hoeft de Inspecteur de redelijkheid van de schatting niet te bewijzen. Een redelijke schatting moet gebaseerd zijn op bepaalde gegevens en uitgangspunten en daar is aan voldaan. Uit de jurisprudentie blijkt dat de Inspecteur veel vrijheid geniet bij de benadering van de gegevens om tot een redelijke schatting te komen. Daarnaast wordt de schatting slechts marginaal getoetst. Ook de bewijspositie van partijen speelt een rol. De Inspecteur verkeert hier in bewijsnood, omdat hij slechts over een saldo op 31 januari 1994 beschikt. Belanghebbende daarentegen kan alle benodigde gegevens verstrekken. Het feit dat bij cliënten van de ge

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.