BELASTINGKAMER Nr. 04/01492 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst Zuidwest, kantoor Breda, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is (hierna: de Inspecteur), op de bezwaarschriften betreffende na te melden (navorderings)aanslagen, besluiten en beschikkingen.
- Ontstaan en loop van het geding 1.
- Het onderhavige beroep is gericht tegen de uitspraken betreffende de navolgende aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen: JaarAanslagnummerDagtekening19900000.00.000.H.0831 december 200219910000.00.000.H.1831 mei 200319920000.00.000.H.2831 mei 200319930000.00.000.H.3831 mei 200319940000.00.000.H.4831 mei 200319950000.00.000.H.5831 mei 200319960000.00.000.H.6831 mei 200319970000.00.000.H.7719 juni 200319980000.00.000.H.877 november 200319990000.00.000.H.9728 januari 200420000000.00.000.H.0728 januari 2004 de navolgende navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting: JaarAanslagnummerDagtekening19910000.00.000.K.1831 december 200219920000.00.000.K.2831 mei 200319930000.00.000.K.3831 mei 200319940000.00.000.K.4831 mei 200319950000.00.000.K.5831 mei 200319960000.00.000.K.6831 mei 200319970000.00.000.K.7831 mei 200319980000.00.000.K.8631 mei 200319990000.00.000.K.9631 mei 200320000000.00.000.K.0631 mei 2003 alsmede de kwijtscheldingsbesluiten ter zake van de in de (navorderings)aanslagen begrepen verhogingen respectievelijk de gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen vastgestelde boetebeschikkingen, alsmede tegen de gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen vastgestelde beschikkingen heffingsrente (hierna: de aanslagen en de beschikkingen). De in de navorderingaanslagen begrepen verhogingen na eventuele kwijtschelding worden hierna begrepen onder 'boeten'. Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur bij de bestreden, in één geschrift vervatte, uitspraken de aanslagen en de beschikkingen gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende is tegen de in één geschrift vervatte uitspraken (hierna: de uitspraak op bezwaar) door middel van één beroepschrift in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van €
- De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- Belanghebbende heeft op 9 juni 2008 een conclusie van repliek (met bijlagen) toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De Inspecteur heeft bij brief van 10 november 2008 een conclusie van dupliek (met bijlagen) toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De bijlagen betreffen het Draaiboek en de Nieuwsbrieven. Hierin zijn bepaalde passages verwijderd overeenkomstig de tussenuitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 19 april 2006, nr. 04/04923, LJN: AW2127, met de verbeteringen c.q. aanvullingen op grond van de tussenuitspraak van Rechtbank Breda van 3 januari 2007, nr. 05/2586, LJN: AZ
- 1.
- Op 10 december 2009 heeft een regiezitting plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Op voorspraak van het Hof zijn partijen niet verschenen, met bericht daarvan aan het Hof. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft het Hof mr. J.G. Verseput aangewezen als raadsheer-commissaris in de zin van artikel 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in combinatie met artikel 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR, tekst 2004). Aan hem is opgedragen (een gedeelte van) het vooronderzoek te verrichten. Het Hof heeft vervolgens ingevolge het bepaalde in artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek door de raadsheer-commissaris zal worden hervat. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.
- Op 26 mei 2010 heeft in het kader van het vooronderzoek een inlichtingencomparitie plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.
- De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens het verstrekken van inlichtingen een gedeeltelijke vertaling van een uitspraak van Rechtbank Brussel van 8 december 2009 overgelegd. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen deze overlegging. Het Hof rekent deze vertaling tot de stukken van het geding. Van het verstrekken van inlichtingen is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.
- Bij brief van 12 juli 2010 heeft belanghebbende de raadsheer-commissaris verzocht tot het instellen van een Geheimhoudingskamer met betrekking tot het Draaiboek en de Nieuwsbrieven. Op 22 juli 2010 heeft de griffier de partijen schriftelijk bericht dat de raadsheer-commissaris met inachtneming van artikel 8:29 van de Awb het procesdossier in handen heeft gesteld van de Geheimhoudingskamer. 1.
- Voor het verloop van de procedure bij de Geheimhoudingskamer wordt verwezen naar onderdeel 1 van de uitspraak van de Geheimhoudingskamer van 11 augustus 2011, eveneens met procedurenummer 04/
- 1.
- Belanghebbende heeft bij brieven van 12 juli 2010, 18 augustus 2010 en 8 november 2010 schriftelijke inlichtingen verstrekt. De Inspecteur heeft bij brieven van 11 augustus 2010, 7 september 2010 en 27 oktober 2011 schriftelijke inlichtingen verstrekt. 1.
- De griffier heeft bij brief van 8 juli 2010 de Inspecteur om nadere, schriftelijke, inlichtingen verzocht. De Inspecteur heeft de gevraagde inlichtingen verstrekt bij brief van 30 juli
- 1.
- Op 22 september 2010 heeft in het kader van het vooronderzoek een tweede inlichtingencomparitie plaatsgevonden te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen voor het verstrekken van inlichtingen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.
- Belanghebbende heeft tijdens het verstrekken van inlichtingen een pleitnota (met bijlagen) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de overlegging van de bijlagen. Het Hof rekent deze pleitnota (met bijlagen) tot de stukken van het geding. Van het verstrekken van inlichtingen is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is toegezonden. 1.
- Op 11 augustus 2011 heeft de Geheimhoudingskamer uitspraak gedaan in de onderhavige procedure. Afschriften van de uitspraak zijn met dagtekening 11 augustus 2011 aan partijen toegezonden. 1.
- Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011 Aldaar zijn toen verschenen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.
- Voorafgaand aan de zitting is aan belanghebbende schriftelijk meegedeeld dat het Hof voor alle in geding zijnde jaren tot het vermoeden is gekomen dat inkomsten en vermogens uit hoofde van buitenlandse bankrekeningen opzettelijk niet zijn aangegeven voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen alsmede voor de vermogensbelasting, en als gevolg daarvan te weinig belasting is betaald. Belanghebbende wordt in deze brief in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren, bij voorkeur schriftelijk voorafgaand aan de zitting, doch uiterlijk tijdens het onderzoek ter zitting. 1.
- De Inspecteur heeft voor het onderzoek ter zitting bij brief van 10 november 2011 een pleitnota met als bijlage herziene berekeningen toegezonden aan het Hof (en door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De gemachtigde van belanghebbende heeft met toestemming van het Hof voor het onderzoek ter zitting bij brief van 21 november 2011 een nadere reactie (met bijlagen) toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De gemachtigde van belanghebbende heeft met toestemming van het Hof voor het onderzoek ter zitting bij brief van 23 november 2011 nadere stukken toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. De Inspecteur heeft met toestemming van het Hof voor het onderzoek ter zitting bij brief van 28 november 2011 een nadere schriftelijke reactie (met bijlagen) toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota (met bijlagen) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de overlegging van de bijlagen. Het Hof rekent de pleitnota's en de nader ingediende stukken tot de stukken van het geding. 1.
- Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. 1.
- Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.
- Feiten Op grond van de stukken van het geding, het vooronderzoek door de raadsheer-commissaris en het verhandelde ter zittingen staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: 2.
- Fotokopie met startinformatie De Inspecteur heeft de in geschil zijnde aanslagen en beschikkingen gebaseerd op een zestal fotokopieën (hierna: het renseignement). In het hoofd van de eerste kopie: "CGL0001/CGP0005 13/11100/Des: Comptabilite [...] Implementation GL:M Justificatif des soldes par rubriques IML au 31/01/1994 [...] Editee le 17/02/1994 a 08H34 page: 1.422 [...] Rubrique IML: 10422100 [...] Cr. clients pers. Phys. Z.A [...] Devise 040 [...] CLE IML: 11110000 9900 000 NL 910 110". De op belanghebbende betrekking hebbende regel daaronder luidt: "52-111111-77-0000 00 0040 vue X-XX -19,22". In het hoofd van de tweede kopie: "CGL0001/CGP0005 13/11100/Des: Comptabilite [...] Implementation GL:M Justificatif des soldes par rubriques IML au 31/01/1994 [...] Editee le 17/02/1994 a 08H34 page: 5.598 [...] Rubrique IML: 20222400 [...] Det. pers.phys. terme/preavis [...] Devise: 040 [...] CLE IML: B1431000 9900 000 NL 910 130". De op belanghebbende betrekking hebbende regel daaronder luidt: "59-111111-72-0000 00 0040 ter ldo X-XX 10.000". In het hoofd van de derde kopie: "CGL0001/CGP0005 13/11100/Des: Comptabilite [...] Implementation GL:M Justificatif des soldes par rubriques IML au 31/01/1994 [...] Editee le 17/02/1994 a 08H34 page: 5.614 [...] Rubrique IML: 20222400 [...] Det. pers.phys. terme/preavis [...] Devise: 040 [...] CLE IML: B1431000 9900 000 NL 910 150". De op belanghebbende betrekking hebbende regels daaronder luiden: "52-111111-82-0000 00 0040 ter ldo X-XX 10.000" en "56-111111-88-0000 00 0040 ter ldo X-XX 12.226,15". In het hoofd van de vierde kopie: "CGL0001/CGP0005 13/11100/Des: Comptabilite [...] Implementation GL:M Justificatif des soldes par rubriques IML au 31/01/1994 [...] Editee le 17/02/1994 a 08H34 page: 5.608 [...] Rubrique IML: 20222400 [...] Det. pers.phys. terme/preavis [...] Devise: 040 [...] CLE IML: B14310000 9900 000 NL 910 140". De op belanghebbende betrekking hebbende regels daaronder luiden: "53-111111-07-0000 00 0040 ter ldo X-XX 15.850,30" en "57.111111-18-0000 00 0040 ter ldo X-XX 11.728,75". In het hoofd van de vijfde kopie: "CGL0001/CGP0005 13/11100/Des: Comptabilite [...] Implementation GL:M Justificatif des soldes par rubriques IML au 31/01/1994 [...] Editee le 17/02/1994 a 08H34 page: 5.871 [...] Rubrique IML: 20222400 [...] Det. pers.phys. terme/preavis [...] Devise: 060 [...] CLE IML: B14310000 9900 000 NL 910 130". De op belanghebbende betrekking hebbende regel daaronder luidt: "58-111111-45-0000 00 0060 ter ldo X-XX 10.000". In het hoofd van de zesde kopie: "CGL0001/CGP0005 13/11100/Des: Comptabilite [...] Implementation GL:M Justificatif des soldes par rubriques IML au 31/01/1994 [...] Editee le 17/02/1994 a 08H34 page: 5.872 [...] Rubrique IML: 20222400 [...] Det. pers.phys. terme/preavis [...] Devise: 060 [...] CLE IML: B14310000 9900 000 NL 910 150". De op belanghebbende betrekking hebbende regel daaronder luidt: "55-111111-61-0000 00 0060 ter ldo X-XX 27.937,36". Het Hof merkt hierbij op dat de Inspecteur een kopie heeft overgelegd waarop alle rekeningnummers, namen van rekeninghouders en saldi zichtbaar zijn gelaten. De valuta van de eerste vier kopieën is de Nederlandse gulden en van de laatste twee kopieën de Duitse mark. Het renseignement bestaat uit fotokopieën van pagina's die deel uitmaken van de hierna te bespreken door de Belgische belastingdienst uitgewisselde informatie. 2.
- Door de Belgische belastingdienst uitgewisselde informatie 2.2.
- Gedagtekend 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere Belastinginspectie (hierna: BBI) een brief met bijlagen gezonden aan de heer 'A', Ministerie van Financiën, Belastingdienst/FIOD/Haarlem/ Internationaal met als onderwerp: "Administratieve bijstand tussen België en Nederland. Spontane uitwisseling van inlichtingen. Zaak: NV KREDIETBANK en KREDIETBANK LUXEMBOURG [Hof: hierna KB-Lux]" De spontane uitwisseling van inlichtingen is volgens de brief gebaseerd op artikel 4 van de EG-Richtlijn van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/799/EEG) en op artikel 27 van de overeenkomst tussen België en Nederland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdend met de belastingheffing, ondertekend te Brussel op 19 oktober
- De brief van 27 oktober 2000 luidt vervolgens voor zover hier van belang: "Hierbij worden u fotokopieën van microfiches overgemaakt die afkomstig zijn uit het gerechtelijk dossier lastens KREDIETBANK NV en die in origineel in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Brussel. Deze microfiches bevatten gegevens in verband met financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-Lux) op naam van de inwoners van uw land. [...] KB-Lux betwist de juridische geldigheid van de stukken in het gerechtelijk dossier als bewijsmiddel. De Belgische fiscale administratie beschikt echter over de toelatingen tot consultatie van het betrokken gerechtelijk dossier. Deze toelating is rechtsgeldig verleend door de heer Procureur Generaal bij het Hof van Beroep te Brussel en laat de inzage en afschriftname toe, evenals het gebruik van de stukken met inachtname van - Belgische wetgeving, meer bepaald artikel 338 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (WIB 92), - Beschikkingen van toepassing inzake overeenkomsten ondertekend door België en partnerlanden, ter voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van de uitwisseling van informatie. [...] Deze zending bevat fotokopieën van de afgedrukte microfiches. Van sommige afdrukken is de leesbaarheid niet optimaal. Het is dus niet uitgesloten dat sommige van de u toegezonden fotokopieën moeilijk leesbaar zijn. De bewuste stukken stellen per pagina voor: De "Rechtvaardiging van de saldi per LMI rubrieken op 31/01/1994" [Hof: LMI is Luxemburgs Monetair Instituut]. Hoewel de meeste saldi positief zijn, kunnen negatieve saldi eveneens voorkomen. De aard van de betrokken rekeningen kan van 5 types zijn: . Zichtrekeningen van klanten van KB-Lux . Termijnrekeningen/rekeningen met opzegtermijn . Termijnspaarrekening/spaarrekening met opzegtermijn . Rekeningen belichaamd door kasbonnen . Rekeningen van andere aard (Cr klanten, andere interne rekeningen van de KB-Lux boekhouding,...) De gegevens zijn afkomstig uit de interne administratie/boekhouding van de KB-Lux. De onderverdeling per nationaliteit is door KB-Lux zelf gemaakt. Vermits per klant slechts een beperkt aantal gegevens beschikbaar zijn (naam en eventueel naam van de partner, voornamen) zal het niet steeds mogelijk zijn de identificatie van de klant met 100% zekerheid te bepalen. Beide vermeldingen maken een oordeelkundig gebruik van de overgemaakte informatie noodzakelijk. De overgemaakte gegevens zijn de enige die blijken uit het gerechtelijk dossier. Verdere informatie betreffende de rekeninghouders (bijvoorbeeld voor identificatie) is niet beschikbaar. Algemene kenmerken van de documenten [...] . Elke pagina gedrukte microfiche bevat in de rechterbovenhoek een paginanummer.
(1). De meeste LMI genummerde rubrieken krijgen automatisch een omschrijving die de juiste aard van de betrokken rekening herneemt.
(2). Elke pagina vermeldt de valuta, waarin de rekeningsaldi zijn uitgedrukt.
(3). Ter hoogte van de lijn met de LMI-sleutel is de nationaliteit van de rekeninghouder van de lijst aangegeven (zie lijst ISO-codes van de landen in bijlage B5).
(4). Elke lijn van de inschrijving betreft een verschillende rekening. Het ligt voor de hand dat eenzelfde persoon verschillende rekeningen kan bezitten en bijgevolg meer dan eenmaal op de lijst kan voorkomen. . Elke lijn van inschrijving vermeldt: . het rekeningnummer van de titularis; enkel de eerste 10 cijfers komen in aanmerking
(5). in dit nummer behoren de 6 cijfers tussen de gedachtestreepjes aan één enkele rekeninghouder toe en zijn altijd opgenomen in zijn rekeningnummer, ongeacht de aard ervan (zicht-, deposito-, spaarrekening, enz.).
(6). De naam van de rekeninghouder.
(7)Hierbij dient te worden opgemerkt dat de namen voorafgegaan door de letters W.K. codenamen betreffen waarvoor geen verdere informatie bekend is. . Het rekeningsaldo in de gespecificeerde valuta.
(8)" De bij deze brief toegezonden informatie omvat ongeveer 1.000 fotokopieën. Op iedere fotokopie staan ongeveer 47 regels. In totaal ging het om circa 20.000 bankrekeningen van circa 10.200 Nederlandse rekeninghouders. Bij deze brief zijn, naast de toegezonden informatie - onder meer - de volgende bijlagen gevoegd: - Bij wijze van voorbeeld een fotokopie van een microfiche waarop de hierboven tussen haken genoemde cijfers zijn geschreven en de namen zijn zwartgemaakt. - Een lijst met valutacodes met omrekeningskoers. - De lijst met ISO-landencodes. 2.2.
- In een namens de Belgische federale minister van Financiën aan de Belastingdienst FIOD-ECD (hierna: FIOD) te Haarlem gericht schrijven van 20 februari 2003, met als onderwerp "Inlichtingenuitwisseling inzake NV Kredietbank en Kredietbank Luxembourg" is onder meer het volgende opgenomen: "Teneinde aan te tonen dat de betreffende microfiches effectief afkomstig zijn van KB-Lux, werden de afdrukken van bepaalde van deze microfiches vergeleken met documenten die met zekerheid afkomstig waren van KB-Lux (papier met hoofding en logo van KB-Lux) en die door sommige belastingplichtigen zelf ter beschikking werden gesteld als antwoord op de aan hen gestelde vragen om inlichtingen. Bij die vergelijking werd vastgesteld dat de rekeningnummers en de saldo's die voorkomen op de microfiches wel degelijk overeenkomen met deze die voorkomen op de door de betrokken belastingplichtigen ter beschikking gestelde documenten (zie bijlagen)." Bij deze brief zijn als bijlagen fotokopieën van afdrukken van microfiches (hierna: microfiches) gevoegd en kopieën van rekeningoverzichten. Beide zijn geanonimiseerd. De volgende gegevens komen op beide stukken voor: Rekeningnummer Saldo op 31/01/1994 55-222222-20 728,59 54-222222-90 50,00 53-333333-32 2.160.000,00 56-444444-38-2 332.520,00 52-555555-17 478,00 2.
- De verwerking van de van de Belgische belastingdienst verkregen informatie door de Nederlandse belastingdienst Na ontvangst van de informatie zijn door de Belastingdienst de volgende acties ondernomen:
(1)Om zekerheid te krijgen over de rechtmatigheid van de verkrijging van de informatie vanuit België is door B/CPP een 'tafeltje' ingericht. Daaraan namen vertegenwoordigers deel van het Ministerie, de kennisgroep Boete- en strafrecht, FIOD internationaal, een contactambtenaar en het Openbaar Ministerie (hierna: OM)/Expertisecentrum Fiscale Fraude (hierna: EFF). De vraag of de van de Belgische autoriteiten ontvangen informatie fiscaal (en strafrechtelijk) rechtmatig is te gebruiken, heeft deze groep in een nota van 16 augustus 2001 beantwoord.
(2)Er is nauw overleg gevoerd met het OM over de mate waarin posten konden worden voorgedragen voor strafrechtelijke vervolging en de criteria die daarbij van belang waren. Het aantal posten dat kon worden voorgedragen werd bepaald door de capaciteit bij het OM. Besloten werd om maximaal 200 posten daarvoor te selecteren. Op 10 oktober 2001 is gestart met de vervolging van een beperkt aantal personen met Duitse bankrekeningen. Op 30 oktober 2001 is de eerste tranche gestart met de vervolging van 50 posten KB-Lux. Op 12 december 2001 stond de tweede tranche van ongeveer 150 posten gepland.
(3)Door de Directies Particulieren (hierna: DPU), Ondernemingen Noord (hierna: DON), Ondernemingen Zuid (hierna: DOZ) en de FIOD is vooronderzoek gedaan op basis van een aantal van de beschikbaar gekomen gegevens. Dit vooronderzoek betrof onder meer de identificatie van de in de ontvangen documentatie vermelde namen.
(4)Op grond van de bevindingen van dit onderzoek is, na consultatie van de politieke leiding, besloten over te gaan tot een landelijke actie in ITO-verband (Intensief Toezicht en Opsporing) in het najaar van 2001 en de eerste maanden van 2002. Voor de uitvoering van deze actie heeft de Directieraad op 29 augustus 2001 besloten een project te starten waarin de FIOD, de DPU, DON, DOZ en het OM/EFF participeren. De directeuren van de FIOD, de DPU, DON, en DOZ zijn opdrachtgever voor dit zogenoemde Rekeningenproject. Namens deze opdrachtgevers is een stuurgroep ingesteld. Namens de directies is een Projectgroep Rekeningenproject ingesteld bestaande uit vier projectleiders.
(5)De projectopdracht is als volgt geformuleerd: - Draag zorg voor de identificatie van de beschikbare renseignementen; - Selecteer op basis van vooraf vastgestelde criteria (Aanmeldings- Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen, hierna: ATV-richtlijnen) posten voor strafrechtelijke behandeling en ontwikkel een draaiboek voor de uitvoering van het traject; - Ontwikkel een geïntegreerd draaiboek voor de administratiefrechtelijke behandeling van de posten op de eenheden Particulieren en (Grote) Ondernemingen. Besteed daarbij aandacht aan nieuwe vervolgenswaardige zaken die voldoen aan de ATV-richtlijnen; - Draag zorg voor eenheid van beleid en uitvoering door de coördinatie van de verschillende acties, door zorg te dragen voor een geïntegreerde aanpak en door een strakke regie bij de uitvoering; - Draag zorg voor de voortgangsbewaking, voor informatie en communicatie en (tussentijdse) rapportages. Het totaal aantal mensdagen dat benodigd is voor het project wordt geschat op 9.280. De startdatum van het Rekeningenproject is 1 november 2001. De verwachte einddatum was toen eind juni 2002, welke einddatum kon worden verschoven indien daarvoor aanleiding bestond. 2.4. De identificatie van belanghebbende als rekeninghouder 2.4.1. Het proces-verbaal van identificatie Voorafgaand aan de toezending van de eerste vragenbrief is de Inspecteur op grond van een door de FIOD verricht massaal onderzoek tot de conclusie gekomen dat de vermelding X-XX doelt op belanghebbende. Nadat belanghebbende ontkende dat hij een rekening bij KB-Lux aanhield of had aangehouden, is door de FIOD opnieuw een onderzoek ingesteld. Van dit onderzoek is op 25 oktober 2002 door B, ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD/kantoor Haarlem en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, op ambtseed een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt. In dit proces-verbaal is onder meer het volgende opgenomen: "Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende: 1. Op de afdruk van de microfiche van KB Lux komt onder meer voor de naam: X-XX. 2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: X, gehuwd met Mw. XX. 3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij X de partner is van XX. Dit is X, geboren op d.d., met sofinummer 0000 00 000, gehuwd met XX, geboren op d.d., met sofinummer 0000 00 000. 4. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de eerste voornaam van X is: . 5. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan per d.d.. Conclusie: Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie X gehuwd met XX als rekeninghouder in aanmerking, zoals die onder voornoemd punt 3 staat vermeld." 2.4.2. De techniek van de identificatie Uit genoemd proces-verbaal blijkt dat eerst in het bestand Beheer Van Relaties (hierna: BVR-bestand) is nagegaan of de combinatie X met als partner XX in dit bestand voorkomt. Het BVR-bestand vormt de centrale basisregistratie van alle personen die bij de belastingheffing en uitvoering van niet-fiscale regels betrokken kunnen zijn. Het gaat daarbij om natuurlijke personen, rechtspersonen en samenwerkingsverbanden. In het BVR-bestand zijn de algemene gegevens van voornoemde personen vastgelegd, zoals naam-, adres-, en woonplaatsgegevens, geboorte- of oprichtingsdatum. Daarnaast zijn de relaties tussen de verschillende personen geregistreerd. De belangrijkste bron van het BVR-bestand voor natuurlijke personen is de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA). De wijzigingen in de GBA worden door de gemeenten verwerkt en geautomatiseerd in het BVR-bestand gebracht. Het BVR-bestand bevat echter meer personen dan de GBA. Iedereen die een sofinummer, een burgerservicenummer of een fiscaal nummer heeft staat in dit systeem. Het BVR-bestand is ingevoerd in 1990. Alle personen die in 1990 een sofinummer hadden zijn ingebracht in het BVR-bestand. Vanaf 1984/1985 zijn sofinummers niet meer vervallen wegens overlijden. Daarvoor vervielen deze na verloop van 7 jaar. Bij emigratie verviel het sofinummer niet. Dit betekent dat ook overledenen en geëmigreerde personen in het BVR-bestand zijn opgenomen, ook indien overlijden of emigratie geruime tijd voor invoering van het BVR-bestand heeft plaatsgevonden. In het BVR-bestand zijn de natuurlijke personen opgenomen met voorletters en niet met voornamen. Na toetsing aan het BVR-bestand is het gevonden resultaat getoetst aan het bestand van de Rijksdienst wegverkeer (hierna: RDW). In dit bestand zijn opgenomen het sofinummer, de eerste voornaam (doopnaam, niet de roepnaam) en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of bromfietscertificaat. 2.5. Contacten tussen partijen vóór het opleggen van de aanslagen en beschikkingen 2.5.1. De Inspecteur heeft belanghebbende op 12 maart 2002 het volgende geschreven: "De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(
- en)aanhouden, dan wel aan hebben gehouden, waarbij het vermoeden bestaat dat in de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting geen opgaaf is gedaan van saldi en opbrengsten daarvan. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat u houder bent (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. De gegevens van deze bankrekening(
- en)kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing. Daarom verzoek ik u mij de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die in de bijlage bij deze brief worden gevraagd. Ik wijs u erop dat u op grond van artikel 47, lid 1, letter a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht bent de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen de door de inspecteur te stellen termijn. Indien u niet of niet volledig aan deze verplichting voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b, AWR omkering van de bewijslast van toepassing. In dat geval moet u in een latere procedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. Indien u de gevraagde gegevens en inlichtingen niet, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u bovendien een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR. Ik verzoek u de gegevens en inlichtingen in te vullen op de bijlage bij deze brief, de bijlage vervolgens te ondertekenen en te retourneren vóór 20 maart 2002." De bijlage bevat een formulier 'Verklaring buitenlandse bankrekeningen' waarin belanghebbende om de volgende verklaring wordt gevraagd: "Hierbij verklaart X ná 1 januari 1990 houder te zijn (geweest) van de volgende in het buitenland aangehouden bankrekeningen: [Hof: volgt rekeningnummer, naam bank, land van vestiging en jaar opening rekening]. Deze gegevens zijn juist en volledig, duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verstrekt." Volgt handtekening en datum ondertekening. 2.5.2. Op 15 maart 2002 heeft belanghebbende de 'Verklaring buitenlandse bankrekeningen' ingevuld, ondertekend en geretourneerd naar de Inspecteur. Belanghebbende verklaart na rekeninghouder te zijn (geweest) van een bankrekening bij C in Spanje. Het rekeningnummer is 0000000000 en belanghebbende verklaart de rekening in 1998 te hebben geopend. 2.5.3. Op 18 maart 2002 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende onder meer het volgende: "[...] Naar aanleiding van deze verklaring verzoek ik u, namens cliënt, afzonderlijk voor iedere bankrekening, de volgende vragen te beantwoorden: Algemeen: - Wat voor soort rekening betrof het en in welke valuta? - Op welke datum (dag-maand-jaar) is deze rekening geopend? - Door wie is deze rekening geopend? - Welk(
- e)rekeningnummer(
- s)betreft het? (graag het (
- de)nummer(
- s)vermelden) Crediteringen: - Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen gestort of laten storten, dan wel overgemaakt of laten overmaken op deze bankrekening (in de ruimste zin van het woord)? - Op welke data (dag-maand-jaar) hebben stortingen en/of overmakingen plaatsgevonden? - Wat is de hoogte van de afzonderlijke stortingen en/of overmakingen? - Wat is de herkomst van de gestorte en/of overgemaakte bedragen? Debiteringen: - Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen opgenomen of laten opnemen, dan welk overgeboekt of laten overboeken van deze bankrekening (in de ruimste zin van het woord)? - Op welke data (dag-maand-jaar) hebben opnamen en/of overboekingen plaatsgevonden? - Wat is de hoogte van de afzonderlijke opnamen en/of overboekingen? - Wat was het bestedingsdoel van deze opnamen of overboekingen? Opbrengsten: - Heeft u het saldo en/of de opbrengsten van deze banktegoeden vermeld op uw aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting? Tevens verzoek ik u mij de volgende bescheiden te verstrekken: - Het afschrift van het openingsformulier van de bankrekening; - De afschriften van de banktegoeden per 31 december van ieder jaar; - Een specificatie van de ontvangen rente per jaar (vermeld hierbij ook het soort rente, bijvoorbeeld spaarrekeningen, obligaties, etc.); - Een specificatie van de opbrengst van de effecten per jaar. Vermeld hierin ook de te verrekenen dividendbelasting en buitenlandse bronbelasting; - Een specificatie van de beleggingsfondsen per 31 december van ieder jaar. Vermeld hierin ook de namen van de fondsen." De Inspecteur verzoekt de gemachtigde van belanghebbende vóór 1 april 2002 schriftelijk te reageren. 2.5.4. Bij brief van 26 maart 2002 heeft belanghebbende de door de Inspecteur bij brief van 18 maart 2002 gestelde vragen beantwoord. De rekening is geopend op 1 juli 1998, kennelijk ten behoeve van de aankoop en exploitatie van een woning in Spanje. Op 12 april 2002 vindt vervolgens een gesprek plaats tussen belanghebbende en de heren D en E van de Belastingdienst. 2.5.5. Bij brief van 25 april 2002 schrijft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur dat hij op verzoek van belanghebbende hem voortaan rechtsbijstand zal verlenen. 2.5.6. In reactie op de brief van de gemachtigde van belanghebbende van 25 april 2002 schrijft de Inspecteur op 13 mei 2002 onder meer het volgende: "Uw brief heeft mij verrast. Uw cliënt heeft inmiddels via een brief van 26 maart 2002 het bezit van een bankrekening in Spanje en tevens tijdens een bespreking op het belastingkantoor op 12 april 2002, na daartoe te zijn uitgenodigd, het bezit van een bankrekening in Luxemburg, reeds aan mij toegegeven. De zinsnede in uw brief van 25 april 2002, waarin u schrijft dat ik gesteld heb dat uw cliënt over een buitenlandse bankrekening beschikt, kan ik dan ook in dit kader in het geheel niet plaatsen." 2.5.7. Bij brief van 27 mei 2002 schrijft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur onder meer het volgende: "U heeft aan cliënt meegedeeld, dat bij de belastingdienst het vermoeden is gerezen, dat de door cliënt ingediende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen niet juist zouden zijn. Mede op grond hiervan heeft u cliënt verzocht informatie te verstrekken met betrekking tot de vraag of deze een bankrekening in het buitenland aanhoudt. Bij het niet verstrekken van de gevraagde informatie wordt gedreigd met omkering van de bewijslast. Bovendien wordt cliënt strafrechtelijke vervolging in het vooruitzicht gesteld voor het geval deze zou weigeren de gevraagde informatie te verschaffen. De beantwoording van uw vragen is afhankelijk van de antwoorden op vragen door mij aan de Staatssecretaris van Financiën gesteld. Namens cliënt deel ik u dan ook mee, dat deze zijn medewerking zal verlenen, nadat de antwoorden op de door mij gestelde vragen zijn ontvangen. Dat ik mij tot de Staatssecretaris heb gewend komt, doordat de verschillende eenheden van de belastingdienst, verspreid over het gehele land, steeds wisselende standpunten innemen, dan wel niet tot beantwoording van de door mij gestelde vragen wensen over te gaan. Inzake de voortgang van behandeling van mijn schrijven verzoek ik u zich rechtstreeks tot het Ministerie te wenden." 2.5.8. Op 4 juni 2002 schrijft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende: "Uit uw brief heb ik opgemaakt dat u namens uw cliënt weigert om de door mij gestelde vragen te beantwoorden, dit nadat uw cliënt reeds door de ingevulde 'verklaring buitenlandse bankrekeningen' het aanhouden van een buitenlandse bankrekening jegens mij heeft toegegeven. [...] Naast het feit dat uw standpunt geen aangrijpingspunten - laat staan draagvlak - vindt in het recht, acht ik deze aanpak voor uw cliënt uitermate risicovol. [...] Ik stel uw cliënt daarom voor de laatste maal in de gelegenheid om mij de informatie, zoals gevraagd in mijn vragenbrief van 25 maart jl. alsnog vóór 24 juni 2002 te verstrekken op de door mij gestelde wijze. Indien ik op deze datum nog geen reactie van u of uw cliënt heb mogen ontvangen, stel ik mij op het standpunt dat er in de weigering om mij van de gevraagde gegevens en inlichtingen te voorzien volhard wordt en zal ik de (navorderings-)aanslag(
- en)naar eigen inzicht opleggen. 2.5.9. Bij brief van 15 augustus 2002 schrijft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende: "[...] Ik deel u thans mede dat ik het uw cliënt toereken dat hij niet c.q. niet volledig voldaan heeft aan de verplichtingen zoals vervat in artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De hieruit mogelijk voortvloeiende consequenties, waarover ik hem in mijn brieven van 12 maart 2002 en 18 maart 2002 reeds voldoende heb geïnformeerd, komen geheel voor rekening en risico van uw cliënt." 2.5.10. Bij brief van 28 november 2002 heeft de Inspecteur onder meer het volgende aan belanghebbende meegedeeld: "In deze brief stel ik u in kennis van mijn voornemen om u [...] navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting 1990/vermogensbelasting 1991 met een bestuurlijke boete. [...] Feiten: Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat u tenminste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland. Rekening op naam van: X-XX Rekeningnummer: 111111 Bank: Kredietbank Luxemburg Saldo per 31-01-1994: ƒ 102.072,78 positief De FIOD heeft deze gegevens over de rekeninghouder vergeleken met onder andere gegevens van de Belastingdienst welke gebaseerd zijn op het bevolkingsregister. Uit die analyse komt u naar voren als rekeninghouder. Nu op te leggen belastingaanslagen: Vooralsnog ben ik voornemens thans de belastingaanslagen zoals hierboven genoemd op te leggen. Voor 1990/1991 heeft dit te maken met het verlopen van de termijnen om nog een (navorderings)aanslag op te kunnen leggen. Voor de andere jaren zal ik nu nog geen aanslagen opleggen. Later nog op te leggen belastingaanslagen: Om u inzicht te geven in de omvang van alle aanslagen die ik u zal opleggen heb ik als bijlage meegestuurd een voorlopig overzicht van de op te leggen aanslagen met de daarbij te betalen bedragen aan belasting, heffingsrente en boete. De bedragen in dat overzicht zijn berekend op basis van de thans berekende feiten. Ik behoud mij dan ook het recht voor om op basis van nieuwe feiten en/of inzichten hogere belastingaanslagen op te leggen dan uit het u thans toegezonden overzicht blijken. Ook uw reactie op de thans op te leggen belastingaanslagen en/of hetgeen u naar aanleiding van de op te leggen aanslagen al dan niet meedeelt over de buitenlandse tegoeden, kan aanleiding zijn om de belastingaanslagen in afwijking van het overzicht vast te stellen. [Hof: volgt een motivering van de redelijke schatting van de verschuldigde belasting en een specificatie van correcties en aanslagen] Motivering boete: Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) alwaar geregeld is dat de inspecteur alvorens hij een vergrijpboete gaat opleggen de belastingplichtige van zijn voornemen daartoe in kennis stelt onder vermelding van de gronden waarop dit voornemen berust. Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dit verplicht is. De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(
- en)op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven. Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken. Ik merk het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(
- en)teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Boetebesluit. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen. Ten aanzien van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1990 en vermogensbelasting 1991: De boeten in dit jaar zijn gebaseerd op artikel 18, eerste lid AWR. Op grond van artikel 18, tweede lid AWR, juncto paragraaf 31 VAB 1993 en paragraaf 15 van de Leidraad administratieve boeten 1984 zal geen kwijtschelding verleend worden. Ingevolge artikel 67k, tweede lid AWR (tekst vanaf 1998) juncto paragraaf 19 van het Boetebesluit heeft u het recht om de in deze kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten. Ik wil u vragen binnen twee weken na dagtekening van deze brief aan mij kenbaar te maken of u van deze mogelijkheid gebruik wilt maken. U heeft ook het recht de stukken, waarop mijn voornemen om boeten op te leggen is gebaseerd, in te zien. Als u daarvan gebruik wenst te maken, verzoek ik u dat binnen de eerder genoemde termijn aan mij kenbaar te maken. [...] Ik wil hierbij nog opmerken dat in de situatie waarin u alsnog volledige medewerking wilt verlenen en bereid bent mij volledige openheid van zaken te geven voordat de aanslagen worden opgelegd, de boeten zullen worden vastgesteld op 50%. Deze boeten zijn ook toegepast bij andere belanghebbenden die, voorafgaand aan het opleggen van belastingaanslagen, volledig hebben meegewerkt." Bij de brief is een bijlage gevoegd waarin de verschuldigde inkomstenbelasting over de jaren 1990 tot en met 2000 en de verschuldigde vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000 is berekend evenals de boete en de heffingsrente (zie onderdeel 2.6 hierna). In de brief zijn voor de inkomstenbelasting 1990 en vermogensbelasting 1991 opgenomen de correcties en de te betalen belasting. Deze bedragen sluiten aan op de bijlage. Daarbij is vermeld: "In de berekende correcties is al rekening gehouden met vrijstellingen en heffingsvrije bedragen. De gevolgen voor de heffingsrente kunt u terugvinden in het meegezonden overzicht." 2.5.11. In reactie op de brief van de Inspecteur van 28 november 2002 schrijft de gemachtigde van belanghebbende op 2 december 2002 onder meer het volgende: "Deze aankondiging heeft bij mij de vraag opgeroepen hoe u ertoe gekomen bent te bepalen dat cliënt een rekening bij de bank zou aanhouden en hieruit rente-inkomsten genoten zou hebben. Ik verzoek u mij de onderliggende stukken te doen toekomen, waaruit blijkt dat cliënt een rekening heeft en rente-inkomsten heeft genoten over deze jaren. Indien u niet over onderliggende stukken beschikt, luidt mijn vraag hoe u tot het vaststellen van het aanwezige saldo en de berekening van de door cliënt genoten rente bent gekomen. Te uwer informatie merk ik op, dat de bank zelf niet meer over rente- en saldogegevens beschikt, daar de wettelijke bewaartermijn voor haar tien jaar bedraagt. Belastingplichtige ontkent rente-inkomsten, zoals door u bepaald en vastgesteld, te hebben genoten. Met uw aankondiging om (een) navorderingsaanslag(
- en)op te leggen gaat cliënt niet akkoord en ik verzoek u derhalve af te zien van het opleggen van (een) navorderingsaanslag(en)." 2.5.12. Bij brief van 6 december 2002 overlegt de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende de gegevens waaruit blijkt dat belanghebbende in het bezit is (geweest) van een rekening bij KB-Lux met rekeningnummer 111111. De Inspecteur schrijft in de brief dat hij niet van plan is af te zien van het opleggen van (een) navorderingsaanslag(en). 2.5.13. Bij brief van 13 december 2002 schrijft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende: "Op 28 november 2002 heb ik u schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had u navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting 1990/vermogensbelasting 1991 met een vergrijpboete. Ik heb u daarbij in de gelegenheid gesteld te reageren op mijn voornemen. Uw adviseur heeft op mijn brief gereageerd. Op 6 december jl. heb ik uw adviseur geantwoord, waarbij ik heb meegedeeld dat dienst reactie mij geen aanleiding gaf mijn standpunt te herzien. Voor de gronden waarop ik de boete baseer, verwijs ik u naar de eerder toegezonden kennisgeving. [...] Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alwaar geregeld is dat de inspecteur uiterlijk bij de voor bezwaar vatbare beschikking de belastingplichtige in kennis stelt van de gronden waarop de oplegging van de boete berust." 2.5.14. Op 28 april 2003 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving navordering gezonden. Deze kennisgeving heeft betrekking op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 tot en met 2000 en vermogensbelasting 1992 tot en met 2000. In de kennisgeving is onder meer opgenomen een motivering van de redelijke schatting en de boeten. Verder schrijft de Inspecteur onder meer het volgende: "Voor zover in het kader van dit onderzoek naar buitenlandse tegoeden eerder aanslagen met een boete van 100% zijn opgelegd en tijdig bezwaar is gemaakt zullen die boeten in beginsel worden gematigd naar 75% indien u, voordat uitspraak op bezwaar wordt gedaan, volledige medewerking verleent en volledige openheid van zaken geeft voor het betreffende belastingjaar. Dat kan slechts anders zijn in geval van bijzondere individuele omstandigheden." Ook bij deze kennisgeving is als bijlage een overzicht gevoegd waarin de verschuldigde belasting, boeten en heffingsrente is berekend. 2.5.15. Bij brief van 13 mei 2003 schrijft de Inspecteur aan belanghebbende onder meer het volgende: "Op 28 april 2003 heb ik u schriftelijk meegedeeld dat ik het voornemen had aan uw cliënt [...] navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting 1991 t/m 2000 met vergrijpboeten op te leggen. Ik heb u daarbij in de gelegenheid gesteld om te reageren op mijn voornemen. U heeft niet op mijn brief gereageerd. Daarom ga ik ervan uit dat mijn constatering juist is en leg ik de aangekondigde navorderingsaanslagen en boeten op. [...] Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen alwaar geregeld is dat de inspecteur uiterlijk bij de voor bezwaar vatbare beschikking de belastingplichtige in kennis stelt van de gronden waarop de oplegging van de boete berust. [...] De Belastingdienst is zich bewust van het bestaan van een aantal verschillen van inzicht tussen inspecteur en belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject. In de meeste gevallen gaat het daarbij om vragen over de volgende fiscaal juridische onderwerpen; - de (on)rechtmatigheid van het gebruik van informatie door de inspecteur; - het al dan niet handelen door de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; - het recht van de inspecteur om een boete op te leggen en de hoogte van die boete; - de toepasselijkheid van de inkeerbepaling. Momenteel voeren Belastingdienst en NautaDutilh N.V. Advocaten Notarissen Belastingadviseurs vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter. Voor meer informatie kunt u terecht op de website [...]." 2.6. De aanslagregeling In de bijlage bij de brief van 28 april 2003 is - samengevat - de volgende berekening van de correcties op inkomen en vermogen opgenomen (alle bedragen in ƒ): INKOMSTENBELASTING/PREMIE VOLKSVERZEKERINGEN Jaar Vastgesteld Correcties buitenlandse Gecorrigeerd inkomen tegoeden uit onderzoek inkomen 1990 55.000 44.132 99.132 1991 60.000 41.052 101.052 1992 65.288 40.832 106.120 1993 57.597 40.480 98.077 1994 52.577 29.348 81.925 1995 52.954 30.976 83.930 1996 52.908 35.948 88.856 1997 46.175 38.500 84.675 1998 50.337 36.212 86.549 1999 64.847 53.284 118.131 2000 49.648 49.236 98.884 VERMOGENSBELASTING Jaar Correcties uit Inkomstenbelasting, Saldo correcties onderzoek vermogensbelasting afgerond en rente uit onderzoek 1991 624.000 22.641 601.000 1992 639.600 48.555 591.000 1993 640.380 76.861 563.000 1994 694.980 105.152 589.820 1995 687.960 127.925 560.030 1996 715.260 152.042 563.210 1997 808.080 177.308 630.770 1998 966.420 203.892 762.520 1999 1.073.280 231.403 841.870 2000 950.040 269.997 679.049 De volgens de aanslagen en beschikkingen verschuldigde belasting, premie en boete is op basis van bovenvermelde correcties als volgt berekend (alle bedragen in ƒ): INKOMSTENBELASTING/PREMIE VOLKSVERZEKERINGEN Tariefgroep, 1993: 2; 1990 tot en met 1992 en 1994 tot en met 2000: 3. De boete bedraagt steeds 100%. Jaar Belasting Belasting Na te vorderen Boete was wordt belasting 1990 16.655 39.296 22.641 22.641 1991 19.217 40.323 21.106 21.106 1992 22.499 43.889 21.390 21.390 1993 20.895 41.711 20.817 20.817 1994 15.527 29.899 14.372 14.372 1995 15.363 30.413 15.050 15.050 1996 14.588 31.758 17.170 17.170 1997 11.925 29.398 17.473 17.473 1998 12.181 28.421 16.240 16.240 1999 17.465 42.548 25.083 25.083 2000 11.592 32.767 21.175 21.175 De berekende belasting komt overeen met de bijlage, met uitzondering van de jaren 1999 en 2000. VERMOGENSBELASTING De belasting is berekend door het saldo van de correcties te vermenigvuldigen met het geldende tarief. De boete bedraagt steeds 100% Jaar Na te vorderen Boete belasting 1991 4.808 4.808 1992 4.728 4.728 1993 4.504 4.504 1994 4.718 4.718 1995 4.480 4.480 1996 4.505 4.505 1997 5.046 5.046 1998 5.334 - 1999 5.887 - 2000 4.753 - In afwijking van de bijlage is voor de jaren 1998, 1999 en 2000 geen boete opgelegd. 2.7. De bezwaarfase 2.7.1. Door belanghebbende zijn de volgende pro-forma bezwaarschriften ingediend: - Bezwaar d.d. 18 december 2002 tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990; - Bezwaar d.d. 18 december 2002 tegen de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991; - Bezwaar d.d. 23 mei 2003 tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 tot en met 1996 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1992 tot en met 1997; - Bezwaar d.d. 5 juni 2003 tegen de (navorderings)aanslagen vermogensbelasting 1998 tot en met 2000; - Bezwaar d.d. 26 juni 2003 tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997; - Bezwaar d.d. 18 november 2003 tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998; - Bezwaar d.d. 4 februari 2004 tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 en 2000. 2.7.2. Bij brief van 22 mei 2003 schrijft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende: "Op grond van artikel 25, lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) is de termijn voor de afdoening van een bezwaar een jaar na ontvangst van het bezwaar. Er zal voorlopig nog geen uitspraak worden gedaan op uw eventueel in te dienen bezwaarschriften. De reden hiervoor is dat zal worden gewacht op de uitkomsten van de procedures welke gevoerd zullen worden over een aantal belangrijke, en voor uw bezwaar relevante, rechtsvragen welke spelen binnen het rekeningenproject. Voor de volledigheid merk ik op dat de termijn van 1 jaar eventueel nog verlengd kan worden." 2.7.3. Bij brief van 23 april 2004 heeft de Staatssecretaris van Financiën aan de Inspecteur op grond van artikel 25, tweede lid, van de AWR toestemming verleend om de uitspraken op de bezwaarschriften van belanghebbende te verdagen tot 2 jaar na datum van ontvangst van de bezwaarschriften. 2.7.4. In de op 17 mei 2004 door de Inspecteur verzonden bevestigingen van de ontvangst van de op 23 mei 2003, 5 juni 2003 en 26 juni 2003 ingediende bezwaarschriften, schrijft de Inspecteur onder meer het volgende: "In mijn brief van 20 juni 2003 [Hof: respectievelijk 10 juni 2003 en 2 juli 2003] heb ik u medegedeeld dat ik op dat moment nog geen uitspraak zou doen op uw bezwaar. Op grond van art. 25 lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) dient de inspecteur binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak te doen. Deze termijn kan volgen het tweede lid met schriftelijke toestemming van Onze Minister met ten hoogste een jaar worden verdaagd. De Belastingdienst is zich bewust van het bestaan van een aantal verschillen van inzicht tussen inspecteur en belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject. In de meeste gevallen gaat het daarbij om vragen over de volgende fiscaal juridische onderwerpen; - de (on)rechtmatigheid van het gebruik van informatie door de inspecteur; - het al dan niet handelen door de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; - het recht van de inspecteur om een boete op te leggen en de hoogte van die boete; - de toepasselijkheid van de inkeerbepaling. Momenteel voeren Belastingdienst en NautaDutilh N.V. Advocaten Notarissen Belastingadviseurs vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter. Voor meer informatie met betrekking tot dat overleg en die procedures kunt u terecht op de volgende websites: [...]. Ik verzoek u mij te berichten of u instemt met het aanhouden van uw bezwaar totdat op deze procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. Indien u instemt met het aanhouden van uw bezwaar zal ik u na het onherroepelijk worden van de uitspraken van voornoemde procedures in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. In dat kader kunt u dan uw bezwaar nader toelichten. [...] Ik verzoek u om mij binnen twee weken na dagtekening van deze brief uw reactie op het bovenstaande te laten weten." 2.7.5. Op 28 mei 2004 heeft de Inspecteur een brief aan belanghebbende en zijn gemachtigde gezonden waarin onder meer het volgende is opgenomen: "Ik heb van u namens uw cliënt [...] bezwaarschriften ontvangen gericht tegen (navorderings)aanslagen die voortkomen uit het zogenoemde Rekeningenproject. Die (navorderings)aanslagen zijn opgelegd omdat uw cliënt volgens mij beschikt(
- e)over tegoeden in het buitenland. Uw cliënt heeft het bestaan van onder meer een Luxemburgse bankrekening op 12 april 2002 mondeling bevestigd maar weigerde daarover informatie te verstrekken ondanks mijn herhaalde verzoeken daartoe. Het Gerechtshof Amsterdam (2 maart 2004, voorzieningenrechter, kenmerk 04/00393) heeft inmiddels als volgt geoordeeld: 'De inspecteur heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij aanleiding had om verzoeker vragen te stellen over mogelijke tegoeden bij een buitenlandse bank. Nu verzoeker niet inhoudelijk op die vragen heeft gereageerd, handelt de inspecteur niet willekeurig of onredelijk door bij het opleggen van (navorderings)aanslagen uit te gaan van geschatte bedragen aan verzwegen inkomsten en die geschatte bedragen te berekenen op de wijze als kort uiteengezet onder 3.3. hierboven.' De rechter geeft hiermee aan dat de gegevens die de inspecteur in zijn bezit heeft (o.a. de identificatie) recht en reden geven om aan de bewuste belastingplichtigen vragen te stellen over de buitenlandse bankrekeningen. Ik ben voornemens om de bezwaarschriften af te handelen. De bezwaarschriften zijn echter tot op heden niet gemotiveerd. Ik verzoek u daarom de bezwaarschriften alsnog te motiveren binnen drie weken na dagtekening van deze brief. Alvorens de bezwaarschriften af te handelen stel ik u, in uw hoedanigheid als gemachtigde ex artikel 41 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), en uw cliënt hierbij voor de laatste keer in de gelegenheid om mij alsnog de door mij gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Ik verzoek u daartoe binnen drie weken na dagtekening van deze brief de in de bijlage bij deze brief opgenomen vragen te beantwoorden cq de gevraagde gegevens te verstrekken. Indien uw cliënt nu alsnog volledig en juist voldoet aan zijn informatieplicht wordt hij in de gelegenheid gesteld ervoor te kiezen dat de bezwaarschriften worden aangehouden in afwachting van de afronding van de beroepsprocedure die op basis van een protocol wordt gevoerd door NautaDutilh en de Belastingdienst. Door nu alsnog mee te werken door te voldoen aan de informatieverplichting bewerkstelligt uw cliënt tevens dat de opgelegde vergrijpboeten van 100% worden gematigd en worden vastgesteld op 75%. Voor het geval uw cliënt overweegt wederom niet te voldoen aan de informatieverplichting wijs ik u en uw cliënt er weer op dat hij op grond van artikel 47, lid 1, letter a AWR verplicht is de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn. Indien uw cliënt niet of niet volledig aan deze verplichtingen voldoet is op grond van artikel 25, lid 6, letter b en artikel 27e, letter b AWR omkering van de bewijslast van toepassing. Door het niet voldoen aan de informatieplicht voorafgaande aan het opleggen van de (navorderings)aanslagen geldt voor uw cliënt in de bezwaarfase reeds de omkering van de bewijslast. Hij moet in de bezwaarfase en in een latere beroepsprocedure overtuigend aantonen dat, en in hoeverre een hierop betrekking hebbende (navorderings)aanslag onjuist is. Indien uw cliënt wederom niet voldoet aan de informatieverplichting zal ik overgaan tot het afhandelen van zijn bezwaarschriften. Uitgaande van de mij nu beschikbare gegevens zullen de (navorderings)aanslagen en de opgelegde boeten worden gehandhaafd. Het verleende uitstel vervalt van rechtswege. Indien uw cliënt in beroep gaat bij het Gerechtshof en weer uitstel van betaling vraagt kan de ontvanger zekerheid vragen. Voorafgaand aan het doen van uitspraak op het bezwaarschrift/de bezwaarschriften worden u en uw cliënt nog in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Tot nu toe heeft uw cliënt op de door mij gedane verzoeken om informatie te verschaffen, geweigerd dat te doen. Uw cliënt heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een strafbaar feit als omschreven in de artikelen 68 en 69 van de AWR. Met het Openbaar Ministerie zijn hierover afspraken gemaakt die inhouden dat van strafvervolging zal worden afgezien indien uw cliënt alsnog de gevraagde informatie (e.e.a. naar genoegen van de Belastingdienst) verstrekt door middel van het beantwoorden van dit laatste verzoek om informatie. Weigeren u en uw cliënt echter ook informatie te verschaffen naar aanleiding van dit laatste verzoek, dan zal ik zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de hieronder genoemde reactietermijn in beginsel het proces-verbaal worden opgemaakt en worden ingestuurd naar het Openbaar Ministerie. Ik verzoek u en uw cliënt de gevraagde gegevens en inlichtingen in te vullen op de bijlage bij deze brief, de bijlage vervolgens te ondertekenen en te retourneren binnen drie weken na dagtekening van deze brief." In de bijlage bij deze brief wordt belanghebbende om de volgende verklaring gevraagd: "Hierbij verklaart [...] [Hof: naam etc. in te vullen] ná 1 januari 1990 houder te zijn (geweest) van de volgende in het buitenland aangehouden bankrekeningen [...] [Hof: volgt rekeningnummer, naam bank, land van vestiging en jaar opening rekening]. Ik heb na 1 januari 1990 geen andere bankrekeningen in het buitenland aangehouden dan de bankrekeningen die ik hierboven heb vermeld. Deze gegevens zijn juist en volledig, duidelijk, stellig en zonder voorbehoud verstrekt." Verder worden in de bijlage de volgende vragen gesteld: 1. "Wat voor soort rekeningen hebben u en/of uw partner (gehad) en in welke valuta? 2. Door wie is deze rekening/zijn deze rekeningen geopend? 3. Op welke wijze is deze rekening/zijn deze rekeningen geopend (waar, hoe gelegitimeerd, in geval van een 'en/of-rekening': waren de 2e en/of 3e rekeninghouder ook daarbij aanwezig)? 4. Wie zijn of waren tekeningsbevoegd voor de bankrekening(en)? 5. Kregen u en/of uw partner de rekeningafschriften naar het woonadres in Nederland toegestuurd of kon op een andere wijze over de rekeningafschriften worden beschikt? 6. Kunt u de rekeningafschriften verstrekken vanaf de datum van opening van de rekening(
- en)tot heden? (Indien niet op korte termijn, wanneer dan wel?) 7. Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen gestort of laten storten, dan wel overgemaakt of laten overmaken op deze bankrekening(
- en)(in de ruimste zin van het woord)? 8. Wat is de herkomst van de gestorte en/of overgemaakte bedragen? 9. Op welke wijze hebben u en/of uw partner bedragen opgenomen of laten opnemen, dan wel overgeboekt of laten overboeken van deze bankrekening(
- en)(in de ruimste zin van het woord)? 10. Wat waren de bestedingsdoelen van deze opnamen of overboekingen? 11. Hebben u en/of uw partner het saldo en/of de opbrengsten van deze banktegoeden vermeld op de aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting?" In de bijlage is ten slotte verzocht om verstrekking van de volgende bescheiden: - "het afschrift van het openingsformulier van de bankrekening; - de afschriften van de banktegoeden op 31 december van ieder jaar; - een specificatie van de ontvangen rente per jaar (vermeld hierbij ook het soort rente, bijvoorbeeld spaarrekeningen, obligaties etc.); - een specificatie van de opbrengst van effecten per jaar. Vermeld hierin ook de te verrekenen dividendbelasting en buitenlandse bronbelasting; - een specificatie van de beleggingsfondsen per 31 december van ieder jaar. Vermeld hierin ook de naam van de fondsen." 2.7.6. Bij brieven van 4 juni 2004 en 17 juni 2004 nodigt de Inspecteur belanghebbende en zijn gemachtigde uit om te worden gehoord. 2.7.7. Op 16 juni 2004 stuurt de gemachtigde van belanghebbende de gronden van de bezwaren aan de Inspecteur. 2.7.8. Op 7 juli 2004 is door de Inspecteur in één geschrift uitspraak gedaan op de ingediende bezwaarschriften. De aanslagen, de boeten en de vastgestelde bedragen aan heffingsrente zijn daarbij gehandhaafd. 2.8. Persoonlijke omstandigheden Belanghebbende is geboren op d.d. en gehuwd met XX, geboren op d.d.. Belanghebbendes echtgenote was ondernemer, zij had een naaiatelier. Belanghebbende zelf was als inkoper in loondienst. 2.9. De zaak André in 1995 Op 30 januari 1995 meldt zich onaangekondigd een persoon, zichzelf noemende André, bij de FIOD. Hij heeft een envelop achtergelaten inhoudende een notitie en een fotokopie van bankgegevens van X. De heer F van de FIOD heeft André op 6 februari 1995 ontvangen. In dat gesprek deelt André mee dat hij van drie verschillende banken in Luxemburg informatie kan verstrekken. Hij noemt de namen van KB-Lux en Norske Bank Luxemburg. Om aan te geven wat de inhoud van zijn informatie is, heeft hij van een drietal personen bankgegevens verstrekt. André heeft om een provisie gevraagd. Het Ministerie van Financiën besloot niet in te gaan op het voorstel. Nadat dit aan André was meegedeeld is niets meer van hem vernomen. In 1998 of 1999 is F in Luxemburg gehoord in een strafzaak over diefstal van bankgegevens. Daar bleek hem dat André in werkelijkheid Costa heette, zijnde een ex-werknemer van KB-Lux en Norske Bank Luxemburg. 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de aanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. Het geschil heeft betrekking op de volgende vragen: 3.1.0. Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur overgelegd? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.1. Mag gebruik worden gemaakt van het renseignement voor de onderbouwing van de aanslagen en de boeten? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.2. Was belanghebbende op 31 januari 1994 houder van een bankrekening bij KB-Lux met een saldo van ƒ 97.723? Deze vraag wordt door de Inspecteur bevestigend beantwoord, belanghebbende ontkent dit. Deze vraag leidt tot twee subvragen: 3.1.2.1. Wordt met ' X-XX' in het renseignement belanghebbende bedoeld? Is met andere woorden de identificatie juist? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.2.2. Is het renseignement betrouwbaar, in die zin dat bij een juiste identificatie daaruit volgt dat belanghebbende op 31 januari 1994 de beschikking had over een rekening bij KB-Lux met een saldo van ƒ 97.723? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.3. Gesteld dat de in 3.1.2 gestelde vraag bevestigend wordt beantwoord, kan daaruit worden afgeleid dat belanghebbende gedurende de gehele periode gerechtigd was tot een of meer buitenlandse bankrekeningen waaruit inkomsten zijn getrokken? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend. 3.1.4. Dient voor ieder van de in geschil zijnde aanslagen de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende is de omgekeerde mening toegedaan. 3.1.5. Zijn de aanslagen gebaseerd op redelijke schattingen? De Inspecteur meent dat de schattingen redelijk zijn, met dien verstande dat de factor 1,5 moet komen te vervallen. Belanghebbende meent dat de schattingen niet redelijk zijn. 3.1.6. Heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de inkomsten genoten uit de rekening(
- en)bij KB-Lux en de saldi van die rekeningen, niet door belanghebbende zijn aangegeven? De Inspecteur is van mening dat hij dit voor alle jaren aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende is de tegenovergestelde mening toegedaan. 3.1.7. Mogen navorderingsaanslagen worden opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van artikel 16, vierde lid, van de AWR? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. Belanghebbende is van mening dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is. 3.1.8. Zijn terecht boeten opgelegd? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende is van mening dat geen boeten kunnen worden opgelegd. Deze vraag leidt tot twee subvragen: 3.1.8.1. Is het recht van belanghebbende om zich niet zelf te belasten geschonden? Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. 3.1.8.2. Is sprake van opzet of grove schuld? Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.1.9. Mogen de boeten op 100% van de grondslag worden gesteld? De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend. Belanghebbende stelt dat de boeten op een lager percentage dan 100 moeten worden gesteld. 3.1.10. Zijn de boeten passend en geboden? Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. 3.1.11. Is het recht van belanghebbende op berechting binnen een redelijke termijn, voortvloeiend uit artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundametele vrijheden (hierna: EVRM), geschonden? Zowel belanghebbende als de Inspecteur menen dat dit het geval is. 3.1.12. Is de heffingsrente juist vastgesteld? Zowel belanghebbende als de Inspecteur stellen dat een vernietiging of vermindering van aanslagen dient te leiden tot een dienovereenkomstige verlaging van de heffingsrente. Belanghebbende meent dat de heffingsrente verder dient te worden verlaagd. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan. 3.2. Conclusies van partijen Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak op bezwaar, tot vernietiging van de aanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente, subsidiair tot verlaging van de aanslagen, de boeten en de heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover het de toepassing van de factor 1,5 betreft en tot vermindering van de boeten als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. 3.3. Standpunten van partijen Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt, en hetgeen door hen bij de inlichtingencomparitie en op de zittingen daaraan is toegevoegd, waarvoor wordt verwezen naar de van deze inlichtingencomparitie en zittingen opgemaakte processen-verbaal. Partijen hebben ter ondersteuning van hun standpunten in hoofdzaak het volgende aangevoerd: 3.3.0. Met betrekking tot de vraag of alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur zijn overgelegd Belanghebbende Belanghebbende verzoekt om overlegging van de volgende stukken:
(1)De integrale/ongeschoonde versie van het Draaiboek en de Nieuwsbrieven;
(2)De ongeschoonde versie van het informatiesetje inclusief de ongeschoonde, belanghebbende betreffende, kopie van het microfiche;
(3)Een kopie van de door de toenmalige FIOD-Internationaal van de Belgische fiscus ontvangen set, al dan niet van de namen geschoonde, kopieën van de microfiches (ongeveer 800 pagina's);
(4)De gegevens met betrekking tot vijf foutieve identificaties;
(5)Alle interne memo's;
(6)Alle primitieve aanslagen alsmede overige stukken zoals verslagen en dergelijke die betrekking hebben op de boeten. Als toelichting waarom hij deze stukken wenst in te zien heeft belanghebbende het volgende meegedeeld. Hij wil de ongeschoonde kopieën van de microfiches zien om de juistheid van de identificatie beter te kunnen weerspreken. Belanghebbende wil de geschoonde versie zien om te kunnen beoordelen of daar verslagen of beschrijvingen in staan, bijvoorbeeld van besprekingen die zijn gevoerd. Ook wil hij beoordelen of het om 800 pagina´s gaat. Belanghebbende stelt dat hij het verzoek moeilijk kan toelichten als hij de inhoud van de stukken niet kent. De Inspecteur merkt met betrekking tot onderdeel
(3)op dat de pagina's die niet op belanghebbende betrekking hebben, geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Rekeningnummers en saldi zijn bovendien zeer privacygevoelig. Het is voorts praktisch vrijwel onmogelijk om alle 800 pagina's te schonen van de namen. De Inspecteur merkt met betrekking tot onderdeel
(5)op dat hij niet weet welke stukken door belanghebbende worden bedoeld. De Inspecteur is van mening, dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingebracht. 3.3.
- Met betrekking tot de vraag of voor de onderbouwing van de aanslagen en de boeten gebruik mag worden gemaakt van het renseignement Belanghebbende Uit de bevindingen van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten neergelegd in het rapport van 27 juli 1999 'Verslag van het toezichtsonderzoek naar de wijzen waarop door politieambtenaren gehandeld werd bij het ontvangen en het gebruik van de informatie aangaande KB-Lux' (hierna: Verslag Comité P) blijkt op zijn minst twijfel over de rechtmatigheid van de verkrijging van de gegevens door de Belgische overheid. Belanghebbende beroept zich verder op de uitspraak van de Correctionele Rechtbank Brussel van 8 december 2009 (Bevestigd door Hof Brussel, 2 december 2010, en Hof van Cassatie 31 mei 2011). Belanghebbende ziet deze uitspraak als bewijs van de stelling dat de Belgische autoriteiten de microfiches en de hieraan verbonden informatie wederrechtelijk heeft verkregen. De microfiches zijn in België boven water gekomen naar aanleiding van een tip van een toen al op de zwarte lijst geplaatste informant van de Belgische politie, G, bij een in 1994 in scene gezette huiszoeking bij de vriendin van genoemde G. Het ging om twee kisten met fotokopieën (waaronder microfiches) van documenten die afkomstig zijn van KB-Lux. Van deze huiszoeking werd geen proces-verbaal opgemaakt. De documenten zijn vervolgens zoek geraakt en kwamen weer tevoorschijn toen G ze in 1995 aan de politie overhandigde. Uit de uitspraak blijkt dat er stukken zijn zoekgeraakt. In het vonnis heeft de Rechtbank het verkregen bewijs tot onrechtmatig verkregen bewijs bestempeld. Belanghebbende geeft in zijn brief aan het Hof van 8 november 2010 een uitgebreid overzicht van de bevindingen van Rechtbank Brussel. Voor de vraag of belanghebbende een eerlijk proces heeft in de zin van artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (hierna: IVBPR), dient te worden nagegaan of zich in het buitenland al dan niet onregelmatigheden hebben voorgedaan. Het is daarbij zonder belang of de microfiches zijn verkregen op een wijze die al dan niet onrechtmatig is tegenover belanghebbende zelf. Belanghebbende verzoekt het Hof met gebruikmaking van artikel 8:33 van de Awb in combinatie met artikel 173 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een Belgische rechter te verzoeken om de volgende getuigen te horen: H, officier van de gerechtelijke politie, I, hoofdinspecteur van de gerechtelijke politie, J, lid van de Dienst onderzoeken Comité P en mevrouw K. Belanghebbende stelt dat deze personen niet bereid zijn om vrijwillig te getuigen. Belanghebbende heeft dit verzoek als volgt toegelicht. Uit het onderzoek door Rechtbank Brussel blijkt dat H en I een bedenkelijke rol hebben gespeeld bij de verkrijging van het bewijsmateriaal. Om vast te stellen of er werkelijk sprake is van zaken die nog als eerlijk bestempeld kunnen worden, is het nodig de genoemde vier personen te horen. H en I moeten worden gehoord, omdat zij de opsporingsambtenaren zijn geweest die het bewijsmateriaal hebben verkregen. I via de zogenaamde huiszoeking, H via de overhandiging op 16 maart 1995 van het bewijsmateriaal door G. Mevrouw K kan verklaren hoe het bewijsmateriaal in haar woning is terecht gekomen. Uit het vonnis van de Rechtbank blijkt bovendien dat zij op 22 juni 1995 brieven heeft geschreven waardoor de zogenaamde huiszoeking door I aan het licht is gekomen. De verklaring van J is nodig in het kader van de controle van de verklaringen van, in het bijzonder, I en H. Voor de vaststelling van de rechtmatigheid van het bewijs is het nodig dat de Nederlandse rechter dient te kunnen nagaan of handelingen in een buitenlandse fase zodanig onder controle van de buitenlandse autoriteiten zijn geschied, dat voldaan is aan de in Nederland geldende maatstaven. Belanghebbende stelt dat er ten tijde van de verkrijging van de informatie uit België bij de Nederlandse fiscus wetenschap bestond over een mogelijk niet geheel correcte verkrijging uit het buitenland. In de eerste plaats was er de bekendheid van de Nederlandse fiscus met het Luxemburgse bankgeheim. Daarnaast waren er de contacten met de tipgever 'André'. De wetenschap dat ongeregeldheden hebben plaatsgevonden had voor de Nederlandse belastingdienst reden moeten zijn voor een eigen onderzoek. Het internationaal vertrouwensbeginsel kan niet leiden tot een stilzitten van de Nederlandse overheid. De conclusie uit de affaire 'André' is, dat het Ministerie al in 1995 op de hoogte was van gegevens met betrekking tot KB-Lux. Het is de vraag of de gegevens uit België spontaan zijn ontvangen, of dat de spontane verstrekking op verzoek van Nederland heeft plaatsgevonden. In dat laatste geval is de conclusie van belanghebbende dat Nederland heeft gehandeld op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van deze gegevens onder alle omstandigheden, zowel strafrechtelijk als fiscaal, ontoelaatbaar is. Belanghebbende stelt dat de Nederlandse overheid, zeker op het moment dat de aanslagen werden opgelegd, al aanwijzingen had dat er aan de verkrijging van de microfiches in België onregelmatigheden kleefden. Hij was bekend met het onderzoek door het Comité P. De Nederlandse overheid had nadien wetenschap daarover kunnen verkrijgen door vragen te stellen aan L en/of de Luxemburgse onderzoeksrechter en Officier van Justitie. De Nederlandse overheid heeft dit nagelaten. Door desondanks de uit België verkregen informatie te gebruiken heeft de Inspecteur gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Door zich af te sluiten van informatie die nadelig voor hem zou kunnen uitpakken, heeft de Inspecteur tevens het fair play beginsel geschonden. De Inspecteur heeft zijn taak met vooringenomenheid uitgevoerd. Hij had zelf de rechtmatigheid van de verkrijging door de Belgische overheid moeten onderzoeken. Door dit niet te doen druist het handelen van de Nederlandse overheid zozeer in tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat de microfiches niet als bewijs mogen worden gebruikt. Hierdoor is ook het verdedigingsbeginsel geschonden. De handelwijze van de Inspecteur levert een schending op van het in artikel 6 van het EVRM en artikel 14 IVBPR vervatte recht op een eerlijk proces. Belanghebbende stelt dat bij de overdracht van de informatie door België aan Nederland de Bijstandsrichtlijn (EG-Richtlijn 19 december 1977, nummer 77/799EEG, hierna: de Richtlijn) is geschonden, zowel door de Belgische als door de Nederlandse autoriteiten. De startinformatie is afkomstig uit Luxemburg. Die startinformatie is door de Belgische autoriteiten echter niet conform de Bijstandsrichtlijn van de bevoegde autoriteit in Luxemburg verkregen. Belanghebbende wijst op de preambule van de Bijstandsrichtlijn waarin het volgende is opgenomen: "Overwegende [...] dat het tevens noodzakelijk is dat deze staten aan deze inlichtingen hetzelfde vertrouwelijke karakter geven als zij hadden in de Lid-Staat waaruit zij afkomstig zijn; Overwegende dat aan een Lid-Staat het recht moet worden toegekend het instellen van een onderzoek of het verstreken van inlichtingen te weigeren wanneer de wetgeving of de administratieve praktijk van de Lid-Staat die de inlichtingen zou moeten verstrekken, de belastingadministratie van deze Staat niet toestaan voor eigen doeleinden een zodanig onderzoek in te stellen of zodanige inlichtingen in te winnen [...]" Belanghebbende wijst verder op artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn toentertijd luidende: "De bepalingen van deze richtlijn verplichten niet tot het instellen van een onderzoek of het verstrekken van inlichtingen wanneer de wetgeving of de administratieve praktijk van de Lid-Staat die de inlichtingen zou moeten verstrekken de bevoegde autoriteiten niet toestaat voor eigen doeleinden een zodanig onderzoek in te stellen of zodanige inlichtingen in te winnen of te gebruiken". Belanghebbende meent dat deze beperking van de inlichtingenplicht tot doel heeft de soevereine beslissingsmacht van de individuele lidstaten te waarborgen. De Belgische staat heeft de bankgegevens niet op de in de Bijstandsrichtlijn voorgeschreven wijze verkregen. De Luxemburgse autoriteiten zijn daarom niet in staat geweest de aan Luxemburg toekomende souvereiniteitsrechten uit te oefenen. Zij hebben niet kunnen toetsen of de van KB-Lux afkomstige informatie, gelet op de nationale wetgeving van Luxemburg en de administratieve praktijk aldaar, wel aan de Belgische staat verstrekt hadden kunnen worden en zo ja of daaraan nog nadere voorwaarden verbonden zouden moeten worden. Belanghebbende stelt dat Luxemburg, met een beroep op artikel 8 van de Bijstandsrichtlijn, weigert eventuele onder het Luxemburgse bankgeheim vallende informatie aan andere lidstaten te verstrekken. De Belgische overheid heeft de souvereiniteitsrechten van Luxemburg verder geschonden door de spontane verstrekking van gegevens over Nederlandse ingezetenen aan de Nederlandse overheid. Op grond van de Bijstandsrichtlijn zouden deze gegevens alleen door de Luxemburgse overheid aan Nederland kunnen worden verstrekt. De Nederlandse overheid kon uit de omstandigheid dat de gegevens betrekking hadden op Nederlandse ingezetenen, afleiden dat deze gegevens niet door de Luxemburgse autoriteiten op basis van de Bijstandsrichtlijn aan België konden zijn verstrekt. Het onrechtmatig handelen van de Nederlandse en de Belgische staat bestaat volgens belanghebbende niet alleen uit een schending van de in de Bijstandsrichtlijn gegeven regeling maar vormt ook een schending van de soevereiniteit van Luxemburg en de tussen staten geldende goede trouw. Luxemburg mag erop vertrouwen dat de Belgische en Nederlandse staat de Europese verdragen nakomen. Belanghebbende is verder van mening dat onder de in artikel 4 van de Bijstandsrichtlijn genoemde 'inlichtingen' niet inlichtingen vallen die op (strafbaar) onrechtmatige wijze zijn verkregen. Belanghebbende is primair van mening dat de schending van de Bijstandsrichtlijn door de Nederlandse staat dermate ernstig is dat het niet is toegestaan de verkregen informatie te gebruiken voor belastingheffing en beboeting. Belanghebbende verzoekt het Hof om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: Belanghebbende suggereert, verkort weergegeven, om de volgende vragen te stellen: - Handelt een lidstaat in strijd met de Bijstandsrichtlijn indien hij informatie afkomstig uit een andere lidstaat, verkregen heeft door onrechtmatige tussenkomst van derden, en de informatie die betrekking heeft op andere landen aan andere lidstaten verstrekt, zonder voorafgaande toestemming van de lidstaat waaruit de informatie afkomstig is? - Handelt de 'andere lidstaat' in strijd met de Bijstandsrichtlijn door de verkregen informatie voor fiscale of andere doeleinden te gebruiken, zonder voorafgaande toestemming van de lidstaat waaruit de informatie afkomstig is? - Dient het woord 'inlichtingen' in artikel 4 van de Richtlijn zo te worden uitgelegd dat daaronder mede inlichtingen worden verstaan die op (strafrechtelijk) onrechtmatige wijze door de inlichtingen verstrekkende staat zijn verkregen. Belanghebbende wijst op een artikel in het dagblad Trouw van 8 augustus 1996 over een onderzoek door de Belgische justitie naar ongeveer 300 niet aangemelde bankrekeningen van Belgen bij KB-Lux. In dat artikel wordt een woordvoerder van 'de Nederlandse belastingdienst' als volgt geciteerd: "De Nederlandse belastingdienst beweert dat, wanneer hem illegaal gegevens zouden worden aangeboden over bankrekeningen van Nederlanders in het buitenland, hij daar niet direct gebruik van zou maken. Volgens een woordvoerder zou de belastingdienst de informatie als 'tip' opvatten, maar eerst onderzoeken van wie de gegevens afkomstig zijn. Wanneer die gegevens onrechtmatig zijn verkregen, zou de fiscus die informatie naar eigen zeggen niet gebruiken". Belanghebbende meent hieraan het vertrouwen te kunnen ontlenen dat de ontvangen informatie niet gebruikt zal worden voor het opleggen van de aanslag. De Inspecteur De microfiches zijn onrechtmatig verkregen door de ex-werknemers. Onderzocht is of deze onrechtmatige verkrijging het gebruik van de verkregen informatie in Nederland ten behoeve van de belastingheffing en de oplegging van administratieve boeten in de weg stond. Dit is gebeurd in de Nota rechtmatigheid. De verkrijging in Luxemburg is niet onrechtmatig jegens belanghebbende. De Inspecteur mag deze informatie gebruiken op grond van de zogenoemde 'silver platter doctrine'. Ten tijde van de verkrijging van de informatie van de Belgische overheid had de Nederlandse overheid geen wetenschap over de verkrijging van de microfiches door de Belgische overheid. Op grond van het internationaal vertrouwensbeginsel was een onderzoek naar de rechtmatigheid van die verkrijging niet nodig. Het staat niet vast dat de verkrijging van de microfiches die ten grondslag lagen aan het renseignement naar Belgische maatstaven onrechtmatig was. Naar Nederlands recht is relevant of het gaat om niet herstelbare vormverzuimen die gemaakt zijn in het voorbereidend onderzoek met betrekking tot de feiten die ten laste zijn gelegd. Bovendien moeten die fouten zijn gemaakt in het vooronderzoek jegens de belanghebbende zelf. Belanghebbende verwijst naar de uitspraak van Rechtbank Brussel. Deze uitspraak betreft echter een strafzaak en geen fiscale zaak. Vanuit de Nederlandse context bezien is het bewijs, als het al onrechtmatig is verkregen, toch fiscaal bruikbaar, tenzij het gebruik ervan zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarnaast ziet de procedure van Rechtbank Brussel niet op de verkrijging van microfiches, maar op de verkrijging van een aantal andere documenten. De Inspecteur is van mening dat de Hoge Raad zowel in een strafzaak als in een fiscale zaak reeds heeft beslist over de rechtmatigheid van het verkregen bewijs. De Inspecteur verwijst hiervoor naar de arresten van de Hoge Raad van 14 november 2006, nr. 02324/05, LJN: AX7471 en van 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN: BA
- De Hoge Raad heeft geoordeeld dat, uitgaande van de veronderstelling dat de verkrijging in België onrechtmatig was, het verkregen bewijs in Nederland desondanks zowel strafrechtelijk als fiscaalrechtelijk bruikbaar is. De Inspecteur geeft aan dat hij pas in 2004/2005 kennis heeft gekregen van de mogelijke onrechtmatigheden bij de verkrijging in België. In de Nota rechtmatigheid is slechts de situatie in Luxemburg onderzocht, omdat op dat moment bij de Belastingdienst niet het vermoeden bestond dat de verkrijging in België onrechtmatig zou zijn. Het Verslag Comité P is door de Inspecteur niet vanuit België ontvangen, maar via advocaten van belanghebbenden. Volgens de Inspecteur is het Verslag Comité P door de Belastingdienst pas in 2004 of 2005 ontvangen, dus ten tijde van het opleggen van de aanslagen had de Inspecteur geen idee van de eventuele onrechtmatige verkrijging in België. De Bijstandsrichtlijn is niet geschonden. De door belanghebbende aangehaalde passages uit de preambule hebben geen betrekking op de onderhavige situatie. Een particulier kan geen rechten aan de richtlijn ontlenen. Het gebruik van de informatie is niet in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en druist ook niet in tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Er is geen reden om prejudiciële vragen te stellen. 3.3.
- Is belanghebbende op 31 januari 1994 houder van een bankrekening bij KB-Lux met een saldo van ƒ 97.723? 3.3.2.
- Met betrekking tot de identificatie De Inspecteur De Inspecteur wijst op het identificatieproces zoals in onderdeel 2.4 beschreven. De Inspecteur verwijst verder naar het proces-verbaal van ambtshandeling. Dit proces-verbaal, dat is opgemaakt door een rechercheur van de FIOD op ambtseed, toont volgens de Inspecteur aan dat belanghebbende houder is van de genoemde rekening. De wijze van identificatie heeft geleid tot een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de juistheid daarvan. De combinatie van de voornaam met de achternaam X gehuwd met mevrouw XX is zo specifiek, dat de mogelijkheid dat belanghebbende geen rekening had, niet reëel is. Uit de informatie van de meewerkers blijkt, aldus de Inspecteur, dat de naamgeving in KB-Lux informatie betrouwbaar is. Volgens de Inspecteur was op 14 december 2004 maar één geval geconstateerd waarbij een geïdentificeerde rekeninghouder geen rekening bezat bij KB-Lux. In dat geval was de tenaamstelling van KB-Lux niet goed. Het tussenvoegsel 'van' was weggevallen bij de tenaamstelling. De Inspecteur erkent dat bij het identificatieproces ook in andere gevallen fouten zijn gemaakt. Ooit is door een FIOD-ambtenaar het getal van 38 onjuiste identificaties genoemd. Daarvan zijn er zeker 10 onjuist, in de overige 28 is het onderzoek gestopt. De 10 zeker onjuiste identificaties zijn aan het licht gekomen doordat alsnog de juiste rekeninghouder werd gevonden. Er zijn inmiddels uitspraken gepubliceerd waarin ook de rechter de identificatie in twijfel heeft getrokken. In alle gevallen ging het niet om een onjuiste identificatie maar om twijfel. De uitspraak van Hof Amsterdam van 31 augustus 2006 heeft betrekking op een geval waarbij de rekening stond op naam van een man (vader) en een vrouw die reeds vele jaren gescheiden waren. Grootvader, vader en zoon hadden dezelfde voor- en achternaam. De Inspecteur stelt dat de landencode welke gehanteerd wordt in de uit België verkregen informatie, betrekking heeft op 'rekeninghouders' die in Nederland woonachtig zijn. De Inspecteur verwijst in dit verband op de brief van de Belgische belastingadministratie van 27 oktober 2000 waar op verschillende plaatsen staat dat het gaat om 'inlichtingen over inwoners van uw land'. Verder wijst de Inspecteur op een onderzoek van de Belastingdienst in een andere zaak, uit welk onderzoek zou zijn gebleken dat de landencode Nederland ook werd toegekend aan in Nederland wonende personen met een niet-Nederlandse nationaliteit en op het proces-verbaal van ambtshandeling van de heer A van 10 januari 2003 waarin staat: "De vermelding van de overzichten van het land geeft volgens de BBI het woonland aan van de rekeninghouder". Belanghebbende Zoals de Inspecteur aangeeft, staan op de microfiches een aantal rekeninghouders van wie alleen de naam en voorletters bekend zijn. Dit houdt in dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat belanghebbenden die op de microfiche lijst voorkomen rekeninghouder zijn, of zijn geweest, bij KB-Lux. Niet kan worden uitgesloten dat meerdere gelijksoortige namen voorkomen met één of meer gelijke voorletters, zowel nationaal als internationaal. Voor de identificatie dienen meer persoonsgebonden gegevens aanwezig te zijn zoals geboortedatum, geboorteplaats en dergelijke. De Inspecteur geeft zelf aan dat er 38 personen verkeerd zijn geïdentificeerd. De geruchten doen de ronde dat dit aantal met enkele tientallen is toegenomen. De methoden die de Inspecteur heeft gebruikt om tot identificatie te komen kan ik niet herleiden. De Inspecteur kan niet toelichten hoe de identificatie exact is uitgevoerd. In het proces-verbaal van identificatie staat niet genoeg informatie. Tevens verwijst belanghebbende naar de uitspraken van Hof Amsterdam van 14 januari 2010, nr. 04/02814, LJN: BL1439 en BL1441, waarin drie familieleden in het BVR-bestand onder dezelfde naam stonden vermeld en zij volgens de Hoge Raad in beginsel alle drie in aanmerking kwamen als zijnde mogelijk rechthebbende ten aanzien van de betreffende rekening. Belanghebbende verzoekt de Inspecteur om overlegging van de in de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 23 december 2010, nummers AWB 07/1315 en 07/3480, genoemde gegevens met betrekking tot vijf foutieve identificaties alsmede de aard daarvan. 3.3.2.
- Met betrekking tot de vraag of uit het renseignement kan worden afgeleid dat belanghebbende op 31 januari 1994 een rekening bezat bij KB-Lux met het in het renseignement genoemde saldo De Inspecteur De Inspecteur voert aan dat op verschillende manieren is gebleken dat de microfiches gegevens van bankrekeningen bij KB-Lux betroffen:
(1)door de Belgische autoriteiten is meegedeeld dat de rekeningen werden aangehouden bij KB-Lux;
(2)de valutacodes op de microfiches komen overeen met de valutacodes van KB-Lux;
(3)uit een pilot is gebleken dat het microfiches waren van KB-Lux;
(4)tevens is uit de database gebleken dat alle geïdentificeerde microfiches van belastingplichtigen die wel informatie verschaften, afkomstig waren van KB-Lux. Belanghebbende heeft geen getuigenverhoor nodig om de vraag te beantwoorden of belanghebbende de rekening ook in de jaren voor en na 1994 zou hebben aangehouden. Dat kan hij zelf bij KB-Lux navragen. Zelfs indien de gegevens niet meer over alle jaren bij KB-Lux aanwezig zijn, dan beschikt de bank altijd nog over de data waarop de rekening is geopend en gesloten. Ten aanzien van de getuigen uit Luxemburg die belanghebbende wenst te horen, valt niet te verwachten dat deze mensen over de rekening bij KB-Lux zullen getuigen, omdat zij daarmee het bankgeheim zullen schenden. Belanghebbende Naar de mening van belanghebbende is de uit België verkregen informatie niet betrouwbaar. Hij beroept zich daarbij op de uitspraak van de Rechtbank in eerste aanleg te Brussel van 28 juni 2002, de uitspraak van het Hof van beroep te Luik van 19 mei 2004 en de uitspraak van de Correctionele Rechtbank Brussel van 8 december 2009. Belanghebbende betwist de authenticiteit van de microfiches. Nergens blijkt uit de microfiches en het procesdossier dat zij afkomstig zijn uit de interne boekhouding van KB-Lux. Nergens is op de lijst een verwijzing naar welke bank dan ook te vinden. Ieder logo ontbreekt. De afdrukken staan niet op papier van de bank. KB-Lux heeft niet de authenticiteit van de lijst bevestigd. De lijst met afdrukken kan simpelweg door iedereen met een personal computer of een kopieerapparaat in elkaar worden geknutseld. Het microfiche zal uit ongeveer 10.000 pagina's bestaan. Het is niet zo dat alle Nederlanders op dezelfde pagina staan en dat alle Belgen ook op dezelfde pagina staan. Op de pagina's waarover 'wij' beschikken staan slechts Nederlanders, geen Belgen of andere nationaliteiten (De Inspecteur merkt hierover op dat het landennummer bovenaan de pagina is gegeven). De gemachtigde van belanghebbende heeft in Brussel het strafdossier ingezien van Rechtbank Brussel inzake de uitspraak van december 2009. In dat dossier zijn geen stukken aangetroffen die gelijkluidend zijn aan de kopieën die de Nederlandse belastingdienst heeft ontvangen van de Belgische belastingadministratie. De heer A heeft in het verleden verklaard dat, voordat hij met het dossier aan de slag ging, andere medewerkers van de FIOD het dossier doorgenomen hebben. Deze medewerkers hebben toen verklaard niets met het dossier te kunnen doen. Toen de heer A het dossier in handen kreeg, kon er opeens wel wat mee gedaan worden en werden er belastingplichtigen aangeschreven. Ik zeg niet dat de Belastingdienst het dossier gemanipuleerd heeft, maar ik vind dit wel vreemd. Belanghebbende verzoekt het Hof op de voet van artikel 8:33 van de Awb in combinatie met artikel 176 van de Rv de bevoegde autoriteit in Luxemburg te verzoeken de volgende werknemers van KB-Lux te verhoren: M, N, O, Q, R. Belanghebbende stelt dat deze personen niet bereid zijn om vrijwillig te getuigen. Belanghebbende heeft dit verzoek als volgt toegelicht: Het bewijs of de personen genoemd op de microfiches, ook op andere tijdstippen dan 31 januari 1994 al dan niet rekeninghouder zijn geweest, kan alleen door het horen van deze werknemers van KB-Lux worden geleverd. Zij kunnen verklaren wat het saldoverloop in de loop der jaren is geweest. Zij kunnen ook verklaren dat uit de afschriften van de microfiches niet de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende meerdere rekeningen heeft aangehouden bij KB-Lux, dat de gegevens die op de microfiches voorkomen een andere betekenis hebben dan tot nu toe door de Inspecteur is gesteld en dat de namen die op de microfiches voorkomen niet per sé van de hoofdrekeninghouder behoeven te zijn, dan wel de daadwerkelijk gerechtigde. Deze getuigen kunnen verder verklaren of de microfiches daadwerkelijk afkomstig zijn van KB-Lux en of deze werknemers de kopieën van de microfiches die de Nederlandse belastingdienst bezit, herkennen. Belanghebbende gaat ervan uit dat het microfiche waarover de Belastingdienst beschikt, niet afkomstig is van KB-Lux. In het door de gemachtigde van belanghebbende ingeziene strafdossier in de rechtzaak waarin Rechtbank Brussel uitspraak heeft gedaan, zijn niet de microfiches aangetroffen waarvan de Inspecteur stelt fotokopieën te hebben. 3.3.2.3. Belanghebbende stelt dat het hem niet mogelijk is om tegenbewijs te leveren Belanghebbende Belanghebbende heeft, nadat hij door de Belastingdienst is benaderd en op de hoogte is gesteld dat het om een rekening gaat in Luxemburg van KB-Lux, de bank benaderd met het verzoek of zij konden bevestigen of hij daar een rekening heeft met nummer zoals door de Belastingdienst opgegeven. Belanghebbende heeft op zijn verzoek geen antwoord ontvangen. Vervolgens heeft belanghebbende een brief naar KB-Lux geschreven met het verzoek of zij aan belanghebbende kunnen bevestigen dat hij daar een rekening heeft. Ook hierop heeft belanghebbende geen reactie ontvangen. Na een rappelbrief van de gemachtigde van belanghebbende deelt de bank telefonisch aan de gemachtigde van belanghebbende mede dat zij grondwettelijk, gelet op het bankgeheim, geen mededelingen mogen doen. De Inspecteur Wanneer belanghebbende aan KB-Lux meedeelt rekeninghouder te zijn (geweest) bij KB-Lux, dan zal KB-Lux de rekeningafschriften aan belanghebbende verstrekken. De gemachtigde van belanghebbende heeft in alle antwoorden op de aan door hem vertegenwoordigde belanghebbenden gestelde vraag over de contacten met KB-Lux, hetzelfde antwoord gegeven. Het is dus de vraag of dit een juiste weergave is van hetgeen is gebeurd. 3.3.3. Met betrekking tot de vraag of belanghebbende gedurende de gehele in geschil zijnde periode houder was van een of meer buitenlandse bankrekeningen waaruit inkomsten zijn getrokken De Inspecteur De Inspecteur stelt dat van 2.320 bekennende houders van een bankrekening bij KB-Lux op 31 januari 1994, 97,6% deze rekening ook bezat voor 1 januari 2004. Voor de daaraan voorafgaande jaren luiden deze percentages: 95,7% voor 1 januari 1993; 77,2% voor 1 januari 1992; 58,3% voor 1 januari 1991; 39,1% voor 1 januari 1990. Voor de daaropvolgende jaren: 97,8% na 1 januari 1995; 86% na 1 januari 1996; 81% na 1 januari 1997; 76% na 1 januari 1998; 73% na 1 januari 1999; 71% na 1 januari 2000. De Inspecteur acht op grond van deze percentages aannemelijk dat belanghebbende gedurende de gehele in geding zijnde periode heeft beschikt over een of meer bankrekeningen bij KB-Lux, althans een of meer bankrekeningen bij een buitenlandse bank. Aanvullend stelt hij dat voor beboetingsdoeleinden bij een percentage van boven de 50 nog sprake is van een ervaringsregel op basis waarvan een gerechtvaardigd vermoeden omtrent de aanwezigheid van een rekening bestaat. De Inspecteur gaat daarbij voor de jaren vóór 1994 uit van de percentages geldend voor 1 januari van het betreffende jaar. Als voorbeeld 1992: 77,2%. Voor de jaren na 1994 gaat de Inspecteur uit van het percentage na 1 januari van het betreffende jaar. Als voorbeeld 1996: 86%. De door de Inspecteur genoemde gegevens zijn ontleend aan de 'applicatie correcties' (zie onderdeel 3.3.5.1 van deze uitspraak). In deze applicatie zijn echter niet opgenomen de tijdstippen van opening en sluiting van een rekening. Bij de berekening van genoemde percentages is aangenomen dat een rekening is geopend met ingang van het jaar waarin voor het eerst een correctie is opgenomen en gesloten met ingang van het jaar waarin geen correctie meer is opgenomen. Dit percentage zal dus eerder te laag dan te hoog zijn. Het feit dat men een bankrekening opent en aanhoudt op grote afstand van de woonplaats en de bankrekening naast de zichtrekening ook een termijndeposito kent, rechtvaardigt naar de mening van de Inspecteur het vermoeden, dat aangenomen mag worden dat dit deposito, dan wel een vergelijkbare beleggings- of spaarvorm in de in geschil zijnde jaren werd aangehouden. Een termijndeposito wijst er op dat een rekeninghouder voor een langere periode geld wil wegzetten. De saldi op de termijndeposito´s wijzen op herbelegging van het rendement; er staan namelijk gebroken bedragen op. Daarnaast heeft belanghebbende toegegeven dat hij een rekening in België heeft aangehouden die niet is verantwoord. De Inspecteur wijst er in dat verband op dat uit de gegevens van meewerkers is gebleken, dat het totale bij KB-Lux aangehouden tegoed in veel gevallen hoger was dan het tegoed volgens de microfiches. Het is aannemelijk dat er achter de bekende rekeningen meer zit. Belanghebbende doet niet voor niets zoveel moeite om naar Luxemburg te gaan. Belanghebbende Voor zover de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende op 31 januari 1994 rekeninghouder is geweest, rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat belanghebbende vóór of na die datum rekeninghouder is geweest. Bij gebrek aan wetenschap betwist belanghebbende de door de Inspecteur genoemde percentages betreffende het bestaan van de rekening vóór en na 1994. Belanghebbende betwist bij gebrek aan wetenschap de ervaring van de Inspecteur dat het aangehouden tegoed in veel gevallen hoger is dan het tegoed volgens de microfiches. 3.3.4. Met betrekking tot de vraag of voor ieder van de in geschil zijnde jaren de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard De Inspecteur De Inspecteur past de omkering en verzwaring van de bewijslast toe, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in artikel 47 van de AWR en niet de vereiste aangiften heeft gedaan. De Inspecteur voert voor de omkering en verzwaring van de bewijslast de volgende argumenten aan waarbij hij tot uitgangspunt neemt dat hij heeft bewezen dat belanghebbende op 31 januari 1994 een rekening aanhield bij KB-Lux met een saldo van ƒ 97.723. Door te ontkennen dat hij een rekening aanhield bij KB-Lux heeft belanghebbende opzettelijk onjuiste informatie verstrekt. Het opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie moet, gelet ook op het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2002, nr. 36 063, BNB 2002/136, op één lijn worden gesteld met een weigering de gevraagde gegevens te verstrekken. Hij is daarmee gelijk te stellen met een belastingplichtige die geen informatie verstrekt. Belanghebbende heeft niet voldaan aan zijn informatieplicht. De Inspecteur wijst op de in onderdeel 3.3.3 van deze uitspraak genoemde percentages van bekennende rekeninghouders die de rekening ook in eerdere en latere jaren aanhielden. Mede op grond hiervan acht de Inspecteur aannemelijk dat voor ieder van de in geschil zijnde aanslagen onjuiste informatie is verstrekt. Hetgeen belanghebbende stelt over het Nauta-protocol is niet ter zake doende. Dit protocol heeft betrekking op het structureren van procedures over een aantal rechtsvragen, welke van belang kunnen zijn voor alle belastingplichtigen in het Rekeningenproject. Dit protocol heeft geen betrekking op feitelijke vragen noch op het vaststellen van de feiten omtrent de rekening van een individuele belastingplichtige. De inlichtingenverplichting blijft onverkort in stand. Door gegevens te vragen over de rekening heeft de Inspecteur geen enkel beginsel van behoorlijk bestuur geschonden. Belanghebbende heeft zich niet aangesloten bij het Nauta-protocol zodat hem reeds daarom geen beroep op dit protocol toekomt. Belanghebbende Voor de informatieverplichting van artikel 47 van de AWR is vereist dat de Inspecteur beschikt over een concrete aanwijzing. De Inspecteur beschikte in dit geval niet over concrete gegevens die aanleiding zouden kunnen geven tot het stellen van nadere vragen. Belanghebbende wijst ook op de onbetrouwbaarheid van het renseignement. Er is sprake van een 'fishing expedition'. Belanghebbende heeft niet geweigerd informatie te verstrekken. Hij heeft aangegeven dat hij geen rekeninghouder is bij KB-Lux. Belanghebbende leidt uit artikel 6 van het EVRM het volgende af. Als door de Belastingdienst gegevens worden gevraagd met een dubbel doel, namelijk zowel met het oog op een op te leggen boete, als met het oog op de belastingheffing, dan behoeven deze niet te worden verstrekt. Worden toch gegevens verstrekt, in dit geval betreft dit alleen de ontkenning van belanghebbende dat hij over een rekening beschikte, dan mogen deze gegevens niet worden gebruikt voor de beboeting en evenmin voor de belastingheffing. In ieder geval mag dit niet leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Door belanghebbende te wijzen op de gevolgen voor de belastingheffing, de boeten en de strafrechtelijke sancties, in het geval hij niet zou voldoen aan zijn informatieverplichting, heeft de Inspecteur ongeoorloofde druk op belanghebbende uitgeoefend. Er zijn brieven gestuurd waarin om informatie is gevraagd, maar deze brieven zijn achterhaald door het met NautaDuthil overeengekomen protocol. In dat kader zou het ingediende - pro-forma - bezwaarschrift worden aangehouden. Dit impliceert dat belanghebbende vooralsnog niet hoefde over te gaan tot het motiveren van dit bezwaarschrift. Het omkeren van de bewijslast onder vermelding van het feit dat er niet is voldaan aan het verstrekken van informatie, terwijl op initiatief van de Belastingdienst wordt besloten alle procedures en activiteiten aan te houden in afwachting van de beantwoording van een aantal rechtsvragen in proefprocedures, is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met name is hier sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, het beginsel dat een belastingplichtige aan door de Belastingdienst opgewekt vertrouwen een recht mag ontlenen. In casu is dat recht, het recht dat nu alle procedures worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van rechtsvragen, dit de belastingplichtige die zich daarin schikt later niet in een voor hem ongunstiger positie kan brengen. Doordat de Belastingdienst heeft besloten alle procedures aan te houden, is haar eerder verzoek tot het verstrekken van nadere informatie niet langer geldig, althans men kan van de belastingplichtige niet verlangen dat waar de Belastingdienst alle procedures stil legt, de belastingplichtige gewoon voortgaat met het leveren van stukken, opgevraagde bankbescheiden en zo meer. Zolang niet vaststaat dat aan belanghebbende een aangifte is uitgereikt en in deze aangifte geen melding is gemaakt van een buitenlands tegoed, kan niet worden gezegd dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Zolang dat niet vaststaat moet de omkering van de bewijslast ongedaan worden gemaakt en zal de Inspecteur moeten bewijzen dan wel aannemelijk maken dat belanghebbende met opzet niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Voor wat betreft de jaren waarvan geen aangifte in het dossier aanwezig is, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat hij ook niet is uitgenodigd om een aangifte te doen. De Inspecteur moet bewijzen dat aan belanghebbende een aangiftebiljet is uitgereikt. Belanghebbende bepleit het achterwege laten van de omkering en verzwaring van de bewijslast als compensatie voor het feit dat aanslagen met toepassing van de verlengde termijn van navordering c.q. aan het einde van de vijfjaarstermijn van navordering worden opgelegd. 3.3.5. Met betrekking tot de vraag of de aanslagen zijn gebaseerd op een redelijke schatting 3.3.5.1. Standpunt Inspecteur De databank 'applicatie correcties' In oktober 2002 moest worden bepaald hoe hoog de correcties dienden te zijn bij diegenen die niet meewerkten of ontkenden. Daarvoor is de 'applicatie correcties' ontwikkeld. De bedoeling van deze applicatie was om informatie te verkrijgen waarop redelijke aanslagen gebaseerd konden worden voor belastingplichtigen die ontkenden een bankrekening te hebben dan wel die in het geheel geen informatie verstrekten. De gegevens voor de 'applicatie correcties' zijn aangeleverd door de aanslagregelende ambtenaren. In deze databank zijn de gegevens verwerkt van belastingplichtigen die in het kader van het Rekeningenproject meewerkten, in die zin dat zij alle gevraagde informatie verstrekten. Voorts zijn de gegevens verwerkt van belastingplichtigen die buiten het Rekeningenproject om zich met een beroep op de werking van artikel 67n van de AWR en/of artikel 69a van de AWR gemeld hebben bij de Inspecteur in verband met het aanhouden van tegoeden ('inkeerders'). In de 'applicatie correcties' zijn de volgende gegevens ingevoerd: (
- i)Het saldo van het renseignement. Bij de inkeerders is geen saldo opgenomen omdat daar uiteraard een renseignement ontbreekt. (
- ii)Betreft het een ondernemer of een particulier? Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens waarover de Belastingdienst beschikt. Grootaandeelhouders worden tot de ondernemers gerekend. (iii) De correctiebedragen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990 tot en met 2000 en vermogensbelasting 1991 tot en met 2000. De hoogte van de ingevulde correctiebedragen betreft de belastbare bedragen na verwerking van vrijstellingen en heffingsvrije bedragen en inclusief eventuele nevencorrecties (bijvoorbeeld wijziging drempel buitengewone lasten). Verder diende ingevuld te worden of er zogenaamde broncorrecties waren. Dat zijn correcties die zijn opgelegd naar aanleiding van het belasten van de vergaring van het vermogen. (
- iv)Ten behoeve van de beoordeling van de hardheid van de cijfers is een vraag opgenomen over de kwaliteit van de cijfers. Daartoe diende de aanslagregelend ambtenaar te onderscheiden naar de volgende keuzes: - vaststellingsovereenkomst gesloten; - getekende afspraak over omvang correcties; - geen getekende afspraak maar overeenstemming over omvang correcties; - geen overeenstemming maar harde correcties volgens Inspecteur; - geen overeenstemming, correcties onzeker. De data van openen en sluiten van de rekening zijn niet opgenomen. De gegevens van de categorie 'geen overeenstemming, correcties onzeker' zijn niet in de 'applicatie correcties' opgenomen. Tabellen ten behoeve van de redelijke schatting Ten behoeve van de redelijke schatting is aan de hand van de gegevens in de 'applicatie correcties' een viertal tabellen opgesteld. Daarbij zijn de gegevens gebruikt van de 'applicatie correcties' naar de stand per oktober 2002. Op dat moment moest worden overgegaan tot het opleggen van aanslagen. In de tabellen zijn niet opgenomen 601 posten zonder heffingsbelang. De reden daarvan is volgens de Inspecteur dat aangenomen mag worden dat rekeninghouders zonder heffingsbelang antwoord zullen geven. Zij hebben immers niets te verliezen. Dit ligt anders voor de ontkenners/weigeraars waarvan aangenomen mag worden dat deze wel iets te verliezen hebben. Beide groepen zijn daarom niet te vergelijken. Wel zijn in de tabellen opgenomen de posten met een fichesaldo van meer dan ƒ 500.000. Van de volgende aantallen meewerkers en inkeerders zijn de gegevens opgenomen in deze tabellen: Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen: particulieren 829 ondernemers 434 1.263 Vermogensbelasting: particulieren 338 ondernemers 264 602 In de tabellen is in totaal bij ondernemers een bedrag aan broncorrecties opgenomen groot ƒ 3.839.305 en bij particulieren een bedrag groot ƒ 428.809. De totale correctiebedragen over de periode 1990 tot en met 2000 zijn verwerkt in vier tabellen: - inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ondernemers, 434 posten, tabel 3; - inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen particulieren, 829 posten, tabel 4; - vermogensbelasting ondernemers, 264 posten, tabel 5; - vermogensbelasting particulieren, 338 posten, tabel 6. De tabellen zijn opgesteld in volgorde van de hoogte van de totale correctiebedragen, beginnend bij 1 voor de hoogste correctie. In de tabellen 7 en 8 zijn de gemiddelde correcties per jaar berekend gesplitst naar belastingmiddel en ondernemers/ particulieren. Die bedragen zijn per jaar vertaald in een percentage, per doelgroep en belastingmiddel, van het totaal aan correcties over de jaren. In de tabellen 1 en 2 is een verband gelegd tussen de correctiebedragen welke zijn opgenomen in de tabellen 3 tot en met 6 en de hoogte van de saldi van de renseignementen. De saldi zijn daartoe samengevoegd in groepen met een interval van ƒ 50.000. Per groep is de gemiddelde correctie berekend. Deze opstellingen zijn afzonderlijk gemaakt voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting. In deze tabellen zijn de gegevens van ondernemers en particulieren samengevoegd aangezien de afzonderlijke uitkomsten niet veel verschilden. Negatieve saldi zijn niet in de tabellen 1 en 2 opgenomen. Ook de gegevens van inkeerders zonder KB-Luxrekening zijn niet in deze tabellen verwerkt. De redelijke schatting Uitgangspunt voor de redelijke schatting is het totale correctiebedrag dat zich bevindt op 5% van het totale aantal posten, te rekenen vanaf de hoogste correctie, en dus op 95% van de post met de laagste correctie. Voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ondernemers is bepalend de post die ligt op 5% van 434 posten, zijnde post nummer 21 met een correctiebedrag van ƒ 294.608. Voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen particulieren is bepalend de post die ligt op 5% van 829 posten, zijnde post nummer 41 met een correctiebedrag van ƒ 150.088. Voor de vermogensbelasting ondernemers is bepalend de post die ligt op 5% van 264 posten, zijnde post nummer 13 met een correctiebedrag van ƒ 5.195.000. Voor de vermogensbelasting particulieren is bepalend de post die ligt op 5% van 338 posten, zijnde post nummer 16 met een correctiebedrag van ƒ 3.923.000. De aldus gevonden bedragen worden vervolgens vermenigvuldigd met 1,5 en afgerond. Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ondernemers 1,5 x 294.608 = 441.912, afgerond ƒ 440.000. Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen particulieren 1,5 x 150.088 = 225.132, afgerond ƒ 225.000. Vermogensbelasting ondernemers 1,5 x 5.195.000 = 7.792.500, afgerond ƒ 7.800.000. Vermogensbelasting particulieren 1,5 x 3.923.000 = 5.884.500, afgerond ƒ 6.000.000. Deze totale correcties zijn vervolgens verdeeld over de diverse aanslagjaren op basis van de percentages uit de tabellen 8 en 9. Hierbij wordt dus aangenomen dat de rekening de totale periode heeft bestaan. Dit leidt tot de volgende lijst van correcties die worden toegepast voor alle personen die niet hebben meegewerkt met een saldo van minder dan ƒ 500.000: Jaar IB IB VB VB ondernemer particulier ondernemer particulier 1990 44.132 25.695 1991 41.052 24.210 624.000 471.600 1992 40.832 23.333 639.600 478.800 1993 40.480 20.633 640.380 507.600 1994 29.348 17.235 694.980 527.400 1995 30.976 17.100 687.960 531.600 1996 35.948 17.190 715.260 611.400 1997 38.500 18.360 808.080 619.200 1998 36.212 19.013 966.420 715.800 1999 53.284 20.025 1.073.280 724.800 2000 49.236 22.208 950.040 811.800 -------- -------- ---------- ---------- 440.000 225.002 7.800.000 6.000.000 Algemene motivering van de Inspecteur Belanghebbende is bij de schatting behandeld als ondernemer. De Inspecteur beschikt in het geval van een ontkenner/weigeraar over de volgende informatie: - het saldo van het renseignement dat de stand van de rekening aangeeft op 31 januari 2004; - de gegevens van meewerkers welke zijn verwerkt in de 'applicatie correcties'. Het saldo dat is vermeld op het renseignement behoeft niet het totale vermogen te zijn dat werd aangehouden bij KB-Lux. Het renseignement vermeldt alleen de saldi van de rekening-courant en depositorekeningen. In een groot aantal gevallen van bekenners is gebleken dat naast deze rekeningen ook andere rekeningen worden aangehouden, in het bijzonder effectenrekeningen en effectendepots. Rente en dividenden worden bijgeschreven op de rekening-courant. Dit betekent dat het saldo dat vermeld staat op het renseignement geen inzicht geeft in het vermogen dat op de gezamenlijke rekeningen staat en evenmin een indicatie geeft over de daadwerkelijke omvang van de genoten inkomsten. Op individueel niveau bleek er geen correlatie te zijn tussen het saldo van het renseignement en de daadwerkelijke correctie. (Hierna worden onder 'bankrekening' bij KB-Lux naast de op het renseignement vermelde rekening ook wel begrepen de - vermeende - overige rekeningen bij KB-Lux.) Uitgaande van een in beginsel onvolledig saldo op het renseignement is dit saldo niet geschikt om als uitgangspunt te dienen voor de in een individuele zaak toe te passen correctie. Daarbij is een uitzondering gemaakt voor saldi boven ƒ 500.000. Uitgaande van een in beginsel onvolledig saldo, acht de Inspecteur de kans dat het saldo van het renseignement gelijk is aan het werkelijke saldo groter naarmate dit saldo hoger is. Voor de groep boven de ƒ 500.000 is daarom een afwijkende methode gehanteerd waarbij de schatting is gebaseerd op een verondersteld rendement over het saldo van het renseignement. De correcties bij belastingplichtigen met een saldo boven ƒ 500.000 zijn hoger dan die bij belastingplichtigen met een saldo beneden ƒ 500.000. De bekenners waarvan de correcties zijn opgenomen in de 'applicatie correcties' vormen een representatieve groep. Omdat de correcties bij deze bekenners, naast het saldo van de rekening, het enige gegeven is dat de Inspecteur ter beschikking staat, is de schatting voor saldi van ƒ 500.000 en lager daarop gebaseerd. Daarbij ontstaat de vraag of de schatting zich moet baseren op de hoogste, het gemiddelde, of de laagste correctie. Uitgaande van de waarschijnlijkheid dat de hogere bedragen niet worden toegegeven is uitgegaan van een zodanige correctie dat 95% van alle correcties bij meewerkers kleiner is. Dit betekent dat de 5% hoogste correcties bij meewerkers is geëlimineerd. Ook bij meewerkers kan sprake zijn van uitschieters die belanghebbende dan zouden benadelen. Motivering door de Inspecteur van de schatting voor de gehele periode 1990 tot en met 2000 Het renseignement geeft een saldo per 31 januari 1994. Het is voor de Inspecteur niet te herleiden in welk jaar de rekening is geopend, daarvoor is de medewerking van de belanghebbende vereist die deze weigert te verlenen. Ook is niet na te gaan of de rekening na 31 januari 1994 is gesloten. Bij gebrek aan deze medewerking kan de schatting alleen worden gebaseerd op de gegevens opgenomen in de 'applicatie correcties'. Uit de gegevens van deze database blijkt dat in een groot deel van de gevallen de rekening al in de periode vanaf 1990 aanwezig was. In 1990 was 39% van de rekeninghouders al in het bezit van een buitenlandse bankrekening. Voor de jaren 1991 tot en met 1993 stijgt dit percentage fors. Uit dezelfde database blijkt dat het overgrote deel van de rekeninghouders die wel informatie verstrekken ook in de jaren na 1994 nog beschikte over een buitenlandse rekening. Het saldo op het renseignement betekent in ieder geval dat er een vermogen ter hoogte van dit bedrag aanwezig is op 31 januari 1994. Het saldo dat op het renseignement staat is waarschijnlijk veel lager dan datgene wat in werkelijkheid uitstond bij KB-Lux. Het saldo moet in de loop der jaren zijn opgebouwd. Nu belanghebbende niet wil vertellen of en in hoeverre het saldo na 31 januari 1994 is gewijzigd mag er van worden uitgegaan dat het toen aanwezige vermogen in stand is gebleven. De factor 1,5 In zijn brief van 10 oktober 2011 heeft de Inspecteur meegedeeld dat hij op grond van de arresten van de Hoge Raad van 15 april 2011, nrs. 09/03075 en 09/05192, LJN: BN6324 en BN6350, heeft besloten voor alle nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen, in het kader van de schatting de factor 1,5 niet langer te hanteren. Door de Inspecteur zijn belasting, boeten en rente herrekend waarbij de factor 1,5 achterwege is gelaten. Overige opmerkingen Het is niet mogelijk om bepaalde onderdelen uit de schatting te verwijderen, omdat alle onderdelen van deze schatting met elkaar samenhangen. Alle onderdelen gezamenlijk hebben geleid tot de uiteindelijke correcties. Daarnaast hoeft de Inspecteur de redelijkheid van de schatting niet te bewijzen. Een redelijke schatting moet gebaseerd zijn op bepaalde gegevens en uitgangspunten en daar is aan voldaan. Uit de jurisprudentie blijkt dat de Inspecteur veel vrijheid geniet bij de benadering van de gegevens om tot een redelijke schatting te komen. Daarnaast wordt de schatting slechts marginaal getoetst. Ook de bewijspositie van partijen speelt een rol. De Inspecteur verkeert hier in bewijsnood, omdat hij slechts over een saldo op 31 januari 1994 beschikt. Belanghebbende daarentegen kan alle benodigde gegevens verstrekken. Het feit dat bij cliënten van de gemachtigde van belanghebbende is gebleken dat de schatting te hoog is, wil niet zeggen dat dit voor alle belastingplichtigen geldt. De geschatte correcties zijn netto-correcties na verwerking van vrijstellingen, heffingsvrije bedragen en secundaire correcties. Zij zijn afgeleid uit de netto-correcties van meewerkers. Op deze wijze is reeds met eventuele vrijstellingen, in het bijzonder de rente- en dividendvrijstelling, rekening gehouden. De in aanmerking genomen 'basisinkomens' en 'basisvermogens' zijn overeenkomstig de definitieve aanslagen vastgesteld dan wel in redelijkheid geschat. Voor de jaren inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990 tot en met 1993 heeft een schatting plaatsgevonden van de zonder de correcties 'buitenl