GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.068.722 arrest van de zevende kamer van 10 april 2012 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats], appellante, advocaat: mr. G.C.L. van de Corput, tegen: GEMEENTE BREDA, zetelend te Breda, geïntimeerde, advocaat: mr. J.P.F.W. van Eijck, op het bij exploot van dagvaarding van 11 juni 2010 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda gewezen vonnis in kort geding van 20 mei 2010 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - de Gemeente - als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 218637/KG ZA 10-257) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.1 [appellante] is tijdig van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [appellante] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van haar vorderingen. 2.2 Bij memorie van antwoord heeft de Gemeente onder overlegging van 22 producties de grieven bestreden. 2.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In beide procesdossiers ontbreekt de pleitnota van [appellante] in eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 3.1 is niet bestreden zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. 4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. [appellante] heeft dwangsommen verbeurd door handelen in strijd met een last onder dwangsom van 18 maart 2002 wegens illegale exploitatie van een prostitutiebedrijf. De Gemeente heeft met het oog op de invordering van de verbeurde dwangsommen op 13 juli 2004 en 16 augustus 2005 dwangbevelen tegen [appellante] uitgevaardigd tot een bedrag van € 70.000,=, te vermeerderen met rente en kosten. Het verzet van [appellante] tegen de dwangbevelen heeft de rechtbank Breda bij vonnissen van 8 juni 2005 en 21 juni 2005 (behoudens de hoogte van door de Gemeente gevorderde incassokosten) ongegrond verklaard. Deze vonnissen zijn bij arrest van dit hof van 22 januari 2008 bekrachtigd. De Gemeente heeft op 19 september 2006 conservatoir beslag doen leggen op panden van [appellante] in [plaats], aan de [adres 1], de [adres 2] en de [adres 3], en conservatoir derdenbeslag doen leggen onder drie schuldenaars van [appellante]. Voor het pand aan de [adres 2] is inmiddels een koper gevonden. 4.3 [appellante] stelt dat de Gemeente niet (langer) het recht heeft om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan, primair omdat het dwangsombesluit van 18 maart 2002 nietig is en subsidiair omdat de dwangsommen zijn verjaard. Door desondanks de executie voort te zetten maakt de Gemeente misbruik van haar executiebevoegdheid, aldus [appellante]. Op grond daarvan vordert zij een verbod op verdere invordering en opheffing van de gelegde executoriale beslagen. De Gemeente heeft een en ander bestreden. De voorzieningenrechter heeft zowel de primaire als de subsidiaire stelling van [appellante] verworpen en de gevraagde voorzieningen geweigerd. 4.4 De voorzieningenrechter heeft in het beroepen vonnis de volgende maatstaf aangegeven (r.o. 3.3). In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een executoriale titel slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de tenuitvoerlegging zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren dwangbevelen klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berusten of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de uitvaardiging van de dwangbevelen voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. 4.5 Met grief I betoogt [appellante] dat de voorzieningenrechter hiermee een onjuiste maatstaf aanlegt. Volgens haar kunnen op grond van artikel 438 lid 2 Rv en HR 22 april 1983, NJ 1984, 145 (LJN AG4575) geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak aangevoerd worden behoudens die welke nopen tot het oordeel dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. [appellante] verwijst hierbij naar de niet limitatieve opsomming in artikel 3:13 BW van gevallen waarin in ieder geval sprake is van misbruik van bevoegdheid. Deze grief faalt. De voorzieningenrechter heeft de voor executiegeschillen als het onderhavige volgens vaste rechtspraak toepasselijke maatstaf gehanteerd. Wanneer aan die maatstaf is voldaan, betekent dat vanzelfsprekend dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. In zoverre is deze grief niet meer dan een woordenspel. 4.6 Met grief II betoogt [appellante] dat de dwangbevelen een uitvloeisel zijn van het handhavingsbesluit van 18 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.