ECLI:NL:GHSHE:2012:BV2016
GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.075.876 arrest van de zevende kamer van 24 januari 2012 in de zaak van [Appellant], wonende te [woonplaats], appellant, hierna aan te duiden als de man, advocaat: mr. M.M. Setiaman, tegen: [Geintimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als de vrouw advocaat: mr. Q.J. van Riet, op het bij exploot van dagvaarding van 20 oktober 2010 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Roermond van 28 juli 2010, gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.
2.2. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw vier producties overgelegd, de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis.
2.3. De partijen hebben hun standpunten door hun advocaten doen bepleiten ter zitting van 30 november 2011. De advocaten hebben gebruik gemaakt van door hen overgelegde pleitnota’s.
2.4.Na afloop van het pleidooi hebben de partijen uitspraak gevraagd. Zij hebben ermee ingestemd dat het hof uitspraak doet op de voorafgaand aan het pleidooi toegezonden kopieën van de processtukken. Bij deze kopieën ontbreekt het tussenvonnis 14 april 2010.
Door deze afstand wordt (…) zij ontheven van de aansprakelijkheid en de draagplicht voor schulden der gemeenschap waarvoor (…) zij voor de ontbinding der gemeenschap niet aansprakelijk was, dit betekent privéschulden van de ander. (…) Dit betekent, en ik wees U er nadrukkelijk op, dat mevrouw niet meer dan alleen haar bed met bijbehorend beddengoed en de kleding die zij voor haar persoonlijk gebruik nodig heeft mag meenemen uit de boedel. (…). Immers de echtgenoot die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan heeft weggemaakt of verduisterd, kan geen afstand meer doen. Teneinde deze afstand te kunnen doen dient mevrouw binnen drie maanden na de ontbinding van de gemeenschap, dat wil dus zeggen binnen drie maanden na de echtscheiding, een akte van afstand te doen inschrijven in het huwelijksgoederenregister. Ik zal hiervoor namens mevrouw zorgdragen.”
Artikel 2. Gezagsvoorziening, omgangsregeling en alimentatie kind (…) Artikel 3. Afstand gemeenschap 3.1. De vrouw zal na ontbinding van het huwelijk afstand van de gemeenschap doen in de zin van artikel 1:103 e.v. BW. (…) Artikel 7. Slotbepaling De partijen verbinden zich deze overeenkomst noch geheel, noch gedeeltelijk te zullen (laten) ontbinden op grond van enigerlei tekortkoming in de nakoming daarvan. Nakoming zal steeds gevorderd kunnen worden, al dan niet met schadevergoeding.”
4.2.1. In de onderhavige procedure vordert de man vaststelling van de verdeling zoals omschreven in de onderdelen 5 en 6 van de inleidende dagvaarding met veroordeling van de vrouw om aan de man wegens overbedeling € 43.806,42 te betalen.
4.2.2.Aan deze vordering heeft de man, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.
4.2.3.De vrouw heeft als verweer onder meer aangevoerd dat het in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich op de werking van artikel 1:107 BW beroept.
4.3.1.In het tussenvonnis van 14 april 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 8 juli 2010.
4.3.2.In het eindvonnis van 28 juli 2010 heeft de rechtbank het hiervoor onder 4.2.3 weergegeven verweer van de vrouw gehonoreerd. De rechtbank heeft op grond daarvan de vordering van de man afgewezen en de man in de proceskosten veroordeeld.
4.4.1.Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de man op de werking van artikel 1:107 BW in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4.4.2.Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop.
Ingevolge artikel 1:103 lid 1 BW heeft ieder der echtgenoten het recht om van de gemeenschap van goederen afstand te doen (binnen drie maanden na de ontbinding van de gemeenschap, art. 1:104 lid 1 BW).
Volgens artikel 1:103 lid 4 BW wordt de echtgenoot door deze afstand ontheven van de aansprakelijkheid en draagplicht voor de schulden van de gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding van de gemeenschap niet aansprakelijk was (zoals in dit geval: de voorhuwelijkse schulden van de man).
In artikel 1:103 lid 3 BW is (voor zover thans van belang) bepaald dat de echtgenoot die afstand heeft gedaan, uit de gemeenschap niets kan terugvorderen dan alleen zijn bed met bijbehorend beddengoed en de kleren die hij voor zijn persoonlijk gebruik nodig heeft.
In artikel 1:107 lid 1 BW is bepaald dat de echtgenoot die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan heeft weggemaakt of verduisterd, geen afstand meer kan doen.
In artikel 1:107 lid 2 BW is bepaald dat hij die na gedane afstand goederen der gemeenschap wegmaakt of verduistert, de bevoegdheid verliest om artikel 1:103 lid 4 BW (ontheffing van draagplicht voor schulden) in te roepen.
4.4.3.In het onderhavige geval is de afstand van de gemeenschap door de vrouw gedaan op 20 augustus 2003. Het vertrek van de vrouw uit de woning met medeneming van enkele inboedelgoederen heeft daarvóór plaatsgevonden, namelijk in juli 2003. Dit brengt mee dat artikel 1:107 lid 2 BW in het onderhavige geval niet van toepassing is.
4.4.4.Van een zich aantrekken van de goederen der gemeenschap als bedoeld in artikel 1:107 lid 1 BW kan uitsluitend sprake zijn indien de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden. Daarvan was in dit geval sprake, nu de echtscheidingsbeschikking op 21 mei 2003 is ingeschreven in de registers van burgerlijke stand en de vrouw daarna enkele inboedelgoederen heeft meegenomen naar haar huurwoning. In zoverre valt het handelen van de vrouw dus onder het bepaalde in 1:107 lid 1 BW.
4.4.5.Tussen partijen is in geschil of het voorgaande meebrengt dat de vrouw geen beroep op de akte van afstand kan doen. Het oordeel van de rechtbank houdt in dat het beroep van de man op 1:107 lid 1 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Tegen dat oordeel is grief 1 gericht.
4.4.6.Het hof is van oordeel dat grief 1 faalt. Het hof acht het beroep van de man op het bepaalde in artikel 1:107 lid 1 BW, evenals de rechtbank, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het hof acht daarbij met name de volgende twee omstandigheden van belang:
A. De man heeft niet betwist dat de omstandigheid dat hij in 2003 vrijwel alle schulden voor zijn rekening nam, voor hem als voordeel had dat de gemeente geen verhaal op hem zou nemen voor de door de gemeente aan de vrouw verstrekte bijstandsuitkering. Hierdoor konden de schulden sneller worden afgelost dan anders het geval zou zijn geweest, hetgeen mede in het belang van de man was nu de man destijds inkomsten uit arbeid had en de vrouw aangewezen was op een bijstandsuitkering.
B. De man heeft niet betwist dat de vrouw, indien de man al in 2003 de afstand van de gemeenschap zou hebben aangevochten, een beroep had kunnen doen op de schuldsaneringsregeling, hetgeen voor haar weinig gevolgen zou hebben gehad omdat zij toch al van een uitkering op bijstandsniveau moest rondkomen. Indien de schuldsaneringsregeling van toepassing zou zijn verklaard op de vrouw had omstreeks 2006 aan haar een schone lei kunnen zijn verleend, waardoor zij nu schuldenvrij zou zijn geweest.
4.4.7. Gelet op deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de vrouw op een onaanvaardbare wijze zou worden benadeeld indien zij thans, vele jaren na de echtscheiding en terwijl zij thans een inkomen uit arbeid heeft, aan de man ter zake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap alsnog € 43.806,42 zou moeten voldoen. De vrouw zou hierdoor aanzienlijk slechter af zijn dan in de situatie waarin zij destijds niet, mede ten behoeve van de man, afstand van de gemeenschap zou hebben gedaan.
Evenzeer volgt uit deze omstandigheden dat de man een ongerechtvaardigd voordeel in de schoot geworpen zou krijgen, indien hij thans een vordering op de vrouw ten bedrage van € 43.806,42 geldend zou kunnen maken. De man heeft immers niet betwist dat hij reeds het voordeel heeft genoten dat op hem geen bijstandsverhaal heeft plaatsgevonden althans dat hij geen partneralimentatie heeft hoeven te voldoen omdat hij de schulden voor zijn rekening nam.
4.4.8.Bij het voorgaande legt ook gewicht in de schaal dat de man niet gemotiveerd heeft betwist dat de schulden die hij voor zijn rekening heeft genomen, in ieder geval in relevante mate voorhuwelijkse schulden van hemzelf waren, zoals ook expliciet tot uitdrukking is gebracht in de brief van mr. Van der Pluijm van 20 augustus 2002.
4.4.9.De omstandigheid dat de vrouw zich wellicht niet aan de voorwaarden voor afstand van de gemeenschap heeft gehouden door voorafgaand aan het doen van de afstand enkele inboedelgoederen mee te nemen naar haar huurwoning doet er niet aan af dat het door de man daaraan verbonden gevolg, dat de vrouw nu alsnog de helft van de schuldenlast zou moeten vergoeden aan de man, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vrouw heeft gemotiveerd gesteld dat zij slechts enkele onbeduidende inboedelgoederen met een beperkte waarde heeft meegenomen. Op de man rust de bewijslast van zijn stelling dat de vrouw meer goederen heeft meegenomen. De man heeft dienaangaande niet een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Er is dus niet komen vast te staan dat de vrouw meer heeft meegenomen dan enkele onbeduidende spullen met een beperkte waarde. In het licht hiervan acht het hof het door de man daaraan verbonden rechtsgevolg, dat hij thans een vordering van ruim € 43.000,-- op de vrouw zou kunnen geldend maken, gelet op de bovengenoemde omstandigheden onaanvaardbaar.
Dat is overigens ook het geval indien de vrouw al de inboedelgoederen zou hebben meegenomen die zijn genoemd op de door de man bij memorie van grieven overgelegde lijst. Er is niet gebleken dat de man in de eerste periode om teruggave van die goederen heeft gevraagd. De onderhavige procedure lijkt door de man met name te zijn gestart als reactie op het feit dat de vrouw aanspraak heeft gemaakt op betaling van kinderalimentatie. Dat kan de vrouw echter niet kwalijk worden genomen, zoals blijkt uit het navolgende.
4.4.10.Uit de artikelen 1 en 2 van het echtscheidingsconvenant is uitsluitend af te leiden dat de vrouw geen aanspraak zou maken op partneralimentatie. Uit deze artikelen blijkt niet dat de vrouw geen aanspraak zou mogen maken op kinderalimentatie (een dergelijke afspraak zou overigens ook nietig zijn geweest). Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de vrouw zich “niet aan de afspraken heeft gehouden” door kinderalimentatie te vorderen toen de man voor de betaling van kinderalimentatie voldoende draagkracht bleek te hebben.
4.4.11.Om al deze redenen deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat de man thans een vordering van € 43.806,42 op de vrouw geldend zou kunnen maken ter zake de verdeling van de gemeenschap. Grief 1 faalt daarom.
4.5.1.Bovendien overweegt het hof nog het volgende.
De man en de vrouw hebben, ter uitvoering van de afspraken die zij bij mr. Van der Pluijm hebben gemaakt en aansluitend bij hetgeen daarover in de brief van mr. Van der Pluijm van 1 november 2002 is neergelegd, in hun echtscheidingsconvenant afgesproken dat de vrouw afstand van de gemeenschap zou doen. Deze afspraak kan naar het oordeel van het hof, mede gelet op de voorafgaande besprekingen en hetgeen daarover in genoemde brief van mr. Van der Pluijm is vastgelegd, niet anders worden opgevat dan als een meerzijdige rechtshandeling, inhoudende verdeling van de gemeenschap, in die zin dat vrijwel alle schulden aan de man werden toebedeeld (behalve enkele kleine persoonlijke schulden van de vrouw) waartegenover de man ook (vrijwel) alle activa van de gemeenschap zou ontvangen. De man heeft dienovereenkomstig in zijn inleidende dagvaarding zelf ook gesteld dat partijen feitelijk al tot verdeling zijn overgegaan. Indien de vrouw al op grond van het bepaalde in artikel 1:107 lid 1 BW jegens derden (schuldeisers van de gemeenschap) geen beroep zou kunnen doen op de door haar gedane afstand, laat dat onverlet dat zij op grond van de in het convenant neergelegde afspraak c.q. overeenkomst de man wel aan de in het convenant neergelegde overeengekomen verdeling kan houden.
4.5.2.De man heeft geen vernietiging van het convenant gevorderd. Ten tijde van de inleidende dagvaarding was de betreffende rechtsvordering reeds vervallen op grond van het bepaalde in artikel 3:200 BW (een vervaltermijn zodat de vraag of enige verjaring gestuit is niet aan de orde is).
4.5.3.De man heeft ook geen ontbinding van het convenant gevorderd, hetgeen gelet op het bepaalde in artikel 7 van het convenant overigens ook niet mogelijk zou zijn geweest.
4.5.4.Ook om deze reden is de vordering die de man in de onderhavige procedure heeft ingesteld niet toewijsbaar. Hooguit zou de man teruggave kunnen vorderen van door de vrouw ten onrechte meegenomen inboedelgoederen maar een dergelijke vordering heeft de man niet ingesteld.
4.6.Nu niet is komen vast te staan dat de man meer bij de vrouw heeft achtergelaten dan enkele onbeduidende spullen waar hij zelf kennelijk geen prijs meer op stelde, kan bovendien niet worden gezegd dat de vrouw zich goederen van de gemeenschap heeft aangetrokken zoals bedoeld in artikel 1:107 BW. Waar het goederen betrof waar de man kennelijk geen prijs meer op stelde, behoorden die goederen niet meer tot de gemeenschap en kan ook niet worden gezegd dat de vrouw zich goederen der gemeenschap heeft toegeëigend. Ook om deze reden is de vordering van de man niet toewijsbaar.
4.7. Het voorgaande voert tot de conclusie dat grief 1 om meerdere zelfstandige redenen niet kan leiden tot toewijzing van de vordering van de man. Het beroepen vonnis wordt daarom bekrachtigd, voor zover daarbij de vordering van de man is afgewezen.
4.8.Grief 2 is gericht tegen de veroordeling van de man in de kosten van het geding in eerste aanleg. Deze grief is terecht voorgedragen. Sprake is van een geschil tussen voormalige levensgezellen. In dergelijke geschillen worden proceskosten in beginsel op de voet van artikel 237 Rv tussen partijen gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen kosten dient te dragen. De enkele omstandigheid dat een partij in het ongelijk gesteld is, is onvoldoende voor een kostenveroordeling. Het hof acht in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig die, in afwijking van genoemd uitgangspunt, een kostenveroordeling rechtvaardigen. Het hof zal het beroepen vonnis daarom vernietigen voor zover het de kostenveroordeling betreft. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, de kosten van het geding in eerste aanleg tussen de partijen compenseren, aldus dat elke partij de eigen kosten dient te dragen.
4.9.Nu partijen voormalige levensgezellen zijn, zal het hof de kosten van het hoger beroep tussen hen compenseren, aldus dat elke partij de eigen kosten dient te dragen.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, I.B.N. Keizer en J.H.H. Theuws en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 januari 2012.