GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.087.289 arrest van de vierde kamer van 3 april 2012 in de zaak van [X.], wonende te [woonplaats], appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, hierna: “[appellant]”, advocaat: mr. W. Nass, tegen: ENDINET REGIO EINDHOVEN B.V. voorheen: NRE NETWERK B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, hierna: “Endinet”, advocaat: mr. G.D. Bosman, op het bij exploot van dagvaarding van 24 november 2010 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sectie kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnisssen van 22 april 2010 en 26 augustus 2010 tussen [appellant] als gedaagde en (de rechtsvoorgangster van) Endinet als eiseres. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 653627 09/10925) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van een productie twaalf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van Endinet, met veroordeling van Endinet in de kosten van beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft Endinet vijf producties overgelegd en de grieven bestreden. Voorts heeft Endinet incidenteel appel ingesteld, daarin een grief aangevoerd en geconcludeerd tot, kort gezegd, gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van 26 augustus 2010 en veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [appellant] tot betaling van de wettelijke rente over het reeds toegewezen bedrag met ingang van 9 mei 2006, althans 20 augustus 2009, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties en het nasalaris, met wettelijke rente vanaf veertien dagen na arrest. 2.3. [appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord. 2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories. 4. De beoordeling in principaal en incidenteel appel 4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 4.1.1.Op 9 mei 2006 heeft Endinet in aanwezigheid van de politie een hennepkwekerij aangetroffen in een pand aan de [perceel] in [plaatsnaam]. [appellant] was toen huurder van dit pand. 4.1.2.De in de hennepkwekerij gebruikte stroom liep niet via de meter maar werd illegaal betrokken. De zegels van de huisaansluitkast waren vernield en er was een zegel platgeknepen teruggeplaatst. Boven de originele zekeringen in de huisaansluitkast was een illegale aansluiting aangebracht die de hennepkwekerij buiten de meter om voorzag van electriciteit. 4.1.3.Endinet heeft op 12 mei 2006 bij de politie aangifte gedaan van diefstal van electriciteit. 4.1.4.[appellant] is op 12 mei 2006 als verdachte door de politie gehoord. Blijkens een op die datum op ambtseed opgemaakt proces-verbaal (PL2209/06-055610) heeft [appellant] daarbij onder meer verklaard: “(… ) De hoofdgebruiker van het pand ben ik zelf. (…) Ik huur de loods van (…) De kwekerij is opgezet met 180 planten (…) De benodigde goederen zijn gekocht door mijzelf. (…) De hennepkwekerij is aangelegd door mijzelf. (…) De elektriciteit voor de hennepkwekerij is aangelegd door mijzelf. (…) Ik ben op de hoogte van het feit dat ik hierdoor diefstal van elektriciteit pleegde. De hennepkwekerij is aangelegd omstreeks de maand februari van het jaar 2006. (…)” [appellant] heeft deze verklaring ondertekend. 4.1.5.[appellant] is in verband met deze hennepkwekerij (onder parketnummer 01/826709-06) strafrechtelijk vervolgd. Aan hem werd, kort gezegd, opzettelijke hennepteelt (feit 1) en diefstal van electriciteit (feit 2) in een loods aan de [perceel] te [plaatsnaam] in de periode 1 februari 2006 tot en met 9 mei 2006 ten laste gelegd. 4.1.6. Een extract vonnis (parketnr 01/826709-06) vermeldt: “Uitspraak van de politierechter (…) van 25 augustus 2006, in de zaak tegen de verdachte naam: [naam appellant] voornamen: [voornamen appellant] (…) Tegenspraak KWALIFICATIE: T.a.v. feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod T.a.v. feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen GEPLEEGD: T.a.v. feit 1, feit 2: in de periode van 01 februari 2006 tot en met 09 mei 2006 (…) BESLISSING: T.a.v. feit 1, feit 2: Werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis T.a.v. feit 1, feit 2: Geldboete van EUR 5000,00 subsidiair 100 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren Afstand van rechtsmiddelen door de verdachte en door de officier van justitie.” 4.1.7.Bij brief van 15 juni 2006 heeft Endinet [appellant] aansprakelijk gesteld en [appellant] gesommeerd de schade, een boete en kosten te betalen. Bij brief van 6 augustus 2009 heeft de raadsman van Endinet de sommatie herhaald en tevens aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten. 4.1.8. [appellant] heeft niet aan de sommatie voldaan. 4.2.1. Endinet heeft [appellant] gedagvaard en, na vermindering van eis, gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.769,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 mei 2006, althans vanaf 20 augustus 2009, althans vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten ad € 714,-- en de proceskosten, beide vermeerderd met wettelijke rente. Aan haar vordering legde Endinet ten grondslag dat [appellant] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door illegaal stroom af te nemen. Het gevorderde schadebedrag bestaat uit geschat verbruik ter waarde van € 2.442,45 en een bedrag van € 1.326,55 aan gemaakte kosten om de zaak te onderzoeken, te beoordelen en te herstellen, aldus Endinet. 4.2.2.De kantonrechter heeft bij het bestreden tussenvonnis van 22 april 2010 geoordeeld dat de diefstal van de elektriciteit vaststaat en [appellant] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat deze diefstal hem kan worden toegerekend. Bij het bestreden eindvonnis van 26 augustus 2010 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] niet in het tegenbewijs is geslaagd. De kantonrechter heeft de hoofdvordering ad € 3.769,-- toegewezen met wettelijke rente vanaf 29 september 2009 (datum inleidende dagvaarding). De wettelijke rente vanaf eerdere data, alsmede de buitengerechtelijke kosten werden afgewezen. Daartoe oordeelde de kantonrechter, samengevat, dat het extract van het strafvonnis als volledig bewijs heeft te gelden, dat [appellant] hiertegen te weinig heeft aangevoerd, dat voor een rentevergoeding tegen een eerdere datum geen grond bestaat, omdat geen rente is aangezegd en dat van incassowerkzaamheden anders dan ter voorbereiding van de procedure niet is gebleken. 4.3.[appellant] heeft tijdig tegen deze vonnissen hoger beroep ingesteld. Zijn grieven komen er in de kern op neer dat de kantonrechter ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van energie. In het incidentele appel heeft Endinet bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter dat omdat geen wettelijke rente was aangezegd, die rente niet eerder dan vanaf de dag van de inleidende dagvaarding was verschuldigd. Tegen de afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten is geen grief gericht, zodat dat onderdeel geen deel meer uitmaakt van de rechtsstrijd in hoger beroep. In principaal appel 4.4.1.De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. [appellant] heeft betoogd dat hij wel degelijk in eerste aanleg wat heeft gesteld dat, indien bewezen, de bewijskracht van het extract vonnis zou ontkrachten, dat aan een extract vonnis niet dezelfde bewijskracht toekomt als aan het vonnis zelf, dat zijn verweer dat hij van diefstal van energie is vrijgesproken ten onrechte is verworpen en dat de kantonrechter ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat het bewijs in de strafzaak op onrechtmatige wijze is verkregen. 4.4.2.In de randnummers 25 t/m 27 van de memorie van antwoord heeft Endinet aangevoerd dat zij in de inleidende dagvaarding heeft gesteld dat [appellant] op 15 juni 2006 Endinet heeft bezocht en dat tijdens dat bezoek tussen partijen is afgesproken dat Endinet aan [appellant] haar schade op basis van de aangetroffen kweek in rekening zou brengen en [appellant] het schadebedrag in vier maandelijkse termijnen zou betalen, waarmee [appellant] de vorderingen van Endinet heeft erkend, al welke stellingen [appellant], aldus Endinet, niet heeft bestreden. 4.4.3.[appellant] heeft inderdaad in eerste aanleg aangevoerd dat hij geen verstand heeft van hennepkwekerijen, dat hij niet wist hoe de installatie was aangesloten en niet wist dat er elektriciteit buiten de meter om werd betrokken. Als dit zou zijn komen vast te staan, zou dit de bewijskracht van het in r.o. 4.1.6 genoemde strafvonnis hebben kunnen ontkrachten. Wat dat betreft heeft [appellant] (met zijn eerste grief) terecht bezwaar gemaakt tegen de overweging van de kantonrechter (3.3 vonnis d.d. 22 april 2010) dat [appellant] niets heeft gesteld wat, indien bewezen, het strafvonnis zou ontkrachten. Dit kan echter niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden, omdat [appellant], indien hij tegenbewijs had willen leveren, met genoemde stellingen de feiten waartegen hij dat tegenbewijs zou willen leveren onvoldoende heeft betwist. Daartoe overweegt het hof het navolgende. 4.4.4.Anders dan [appellant] in zijn grieven lijkt aan te nemen, heeft de kantonrechter niet aan het extract vonnis dezelfde bewijskracht toegekend als de aan een strafvonnis zelf toe te kennen bewijskracht. Doch wat daar ook van zij, een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse rechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dwingend bewijs op van dat feit (art. 161 Rv.). Blijkens het in r.o. 4.1.6 aangehaalde extract is in casu van een dergelijk vonnis sprake. Aan het extract zelf komt dus geen dwingende bewijskracht toe, maar met dat extract is naar het oordeel van het hof in beginsel komen vast te staan, dat er een op tegenspraak gewezen vonnis van een Nederlandse rechter is, dat kracht van gewijsde heeft gekregen, en waarbij (onder meer) bewezen is verklaard dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van energie in het pand en in de periode waar het hier om gaat. 4.4.5.Dat dat extract geen bewezenverklaring bevat (grieven 3 en 8) maakt het vorenstaande niet anders. Uit dat extract, meer in het bijzonder uit de daarin opgenomen kwalificatie (vgl. r.o. 4.1.6), blijkt immers dat, anders dan [appellant] betoogt, hij voor zowel de hennepteelt als de diefstel van energie is veroordeeld, dus dat die beide feiten bewezen zijn verklaard. Dat betekent ook dat het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening van elektriciteit (grief 2) bewezen is verklaard. Voorts leidt het feit dat in het extract de opgelegde straf wordt gerelateerd aan beide feiten (grieven 5 en 6) niet tot een ander oordeel. Dat de politierechter - in overeenstemming met het voorschrift van artikel 57 Sr - één straf heeft opgelegd voor beide feiten betekent immers niet dat onduidelijk is of beide feiten bewezen zijn verklaard. 4.4.6.Gelet op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.