GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht Uitspraak: 12 april 2012 Zaaknummer: HV 200.090.640/01 Zaaknummer eerste aanleg: 218984/FA RK 10-5546 in de zaak in hoger beroep van: [Appellant], feitelijk verblijvende te [verblijfplaats], appellant in principaal appel, verweerder in incidenteel appel, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. V.J. Nijenhof-van der Donk, tegen [Geintimeerde], wonende te [woonplaats], verweerster in principaal appel, appellante in incidenteel appel, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A.M.B. Snoeks.
(2006). Het hof houdt rekening met de helft van de woonlasten, omdat de nieuwe partner van de man hierin voor de helft dient bij te dragen. Het hof is evenals de vrouw van oordeel dat de door de man gestelde extra huur in 2006 voor rekening van de camping dient te komen, althans dat deze op grond van een door de camping afgesloten schadeverzekering aan de man - als huurder - zal worden vergoed. Ziektekosten Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten: € 19,= aan premie ziektekosten; € 163,= aan inkomensafhankelijke premie ZVW. De man stelt circa € 1.600,= per jaar te voldoen aan premie voor de ziektekostenverzekering voor het hele gezin. Nu de man in het geheel geen inzicht heeft verstrekt in de opbouw van de premie gaat het hof er vanuit dat ieder gezinslid evenveel premie dient te voldoen en houdt het hof voor de man rekening met een premie van € 19,= per maand. De man heeft zijn stelling dat hij extra ziektekosten heeft gemaakt, bij betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat. Kosten omgangsregeling Het hof houdt rekening met de reis- en verblijfkosten verbonden aan de omgangsregeling. De man stelt dat hij reiskosten heeft die zijn verbonden aan de omgangsregeling nu hij in de betreffende periode in Frankrijk woonachtig was en [zoon 1.] en [dochter 1.] in Nederland. Op grond van het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen houdt het hof terzake van reiskosten rekening met een bedrag van € 0,125 per kilometer. Het hof gaat uit van drie omgangsmomenten per jaar waarbij er per keer 2 x 2000 = 4000 km moet worden afgelegd van en naar Frankrijk. Het hof houdt derhalve rekening met een bedrag van € 1.500,= per jaar, ofwel € 125,= per maand. Het hof houdt evenals de man in het jaar 2009 rekening met reiskosten verbonden aan de omgangsregeling voor 2000 km ofwel € 21,= per maand. Schoolopvang, schoolkosten en schoolverzekering Het hof houdt conform het advies van de Werkgroep Alimentatienormen geen rekening met de door de man gestelde kosten voor schoolopvang, maaltijden, extra’s, vervoer en verzekering, nog daargelaten dat de man geen bewijs heeft geleverd van de door hem genoemde kosten. Wellicht ten overvloede overweegt het hof dat de Werkgroep slechts adviseert een correctie voor bijzondere posten toe te passen in geval sprake is van extra hoge schoolgelden, hetgeen hier gesteld noch gebleken is. Levensverzekering Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde premie levensverzekering van € 20,= per maand nu deze verzekering op naam van de nieuwe partner van de man is gesteld en het hof niet is gebleken dat de man deze verzekering is aangegaan. Aanvullende verzekering in 2008 en 2009 (levensverzekering) Het hof overweegt dat ten aanzien van de premies van de aanvullende levensverzekering (in totaal € 1.358,24 in 2008 en € 1.450,12 in 2009) sprake is van beoogde vermogensopbouw en dat het de keuze van de man is om de, niet voor [zoon 1.] en [dochter 1.], maar voor hem bestemde, polis voort te zetten. Naar het oordeel van het hof dienen deze premies dan ook niet te prevaleren boven de onderhoudsverplichting jegens [zoon 1.] en [dochter 1.]. Het hof zal dan ook geen rekening houden met de betaling van gemelde premies. Advocaatkosten in 2009 Het hof houdt conform het advies van de werkgroep Alimentatienormen geen rekening met door de man opgevoerde advocaatkosten in 2009, omdat dit geen noodzakelijke lasten zijn die voorrang behoren te hebben op de onderhoudsbijdrage jegens [zoon 1.] en [dochter 1.]. Aanvullende kosten vanwege de brand Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde aanvullende kosten vanwege de brand ad € 759,64 in 2006 nu de man deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw dat deze kosten voor rekening van de camping moeten komen, althans via de verzekering van de camping zullen worden vergoed. Vaststelling van de alimentatie 3.
- Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 3.188,= per maand, waarbij rekening is gehouden met de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen. 3.
- Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 2.040,= per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage, te weten € 1.224,= per maand. 3.
- Nu de man eveneens onderhoudsplichtig is jegens de kinderen die zijn geboren uit zijn huidige relatie, zal het hof de beschikbare draagkrachtruimte van de man verdelen over alle zeven kinderen waarvoor hij onderhoudsplichtig is. Naast [zoon 1.] en [dochter 1.] is de man onderhoudsplichtig jegens de volgende kinderen die zijn geboren uit zijn relatie met zijn nieuwe partner: - [Kind 3.] (hierna: [zoon 2.]), geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] (Frankrijk); - [Kind 4.] (hierna: [zoon 3.]), geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (Frankrijk);’ - [Kind 5.] (hierna: [zoon 4.]), geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats]; - [Kind 6.] (hierna: [dochter 2.]), geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (Frankrijk); - [Kind 7.] (hierna: [dochter 3.]), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] (Frankrijk). 3.
- Het hof zal de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de zeven kinderen verdelen nu er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat tussen enerzijds [zoon 1.] en [dochter 1.] en anderzijds [zoon 2.], [zoon 3.], [zoon 4.], [dochter 2.] en [dochter 3.]. Behoefte van de kinderen van de man en zijn nieuwe partner 3.
- Het hof zoekt voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen van de man en zijn nieuwe partner aansluiting bij de ‘tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ als gehanteerd door de Werkgroep Alimentatienormen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met het door de man onder punt 9 van zijn inleidend verzoekschrift genoemde netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en zijn partner in het jaar 2006, van € 21.600,= netto ofwel € 1.800,= netto per maand. 3.
- Met inachtneming van de voor het jaar 2006 geldende ‘tabel eigen aandeel kosten kinderen’ en de leeftijd van [zoon 2.], [zoon 3.], [zoon 4.], [dochter 2.] en [dochter 3.] in 2006 kan de totale behoefte van gemelde minderjarigen in 2006 worden vastgesteld op circa € 575,= per maand ofwel € 115,= per kind per maand. Verdeling draagkracht man over alle kinderen 3.
- Het hof overweegt dat, zoals hiervoor reeds is uiteengezet, de behoefte van [zoon 1.] en [dochter 1.] van de in 1996 vastgestelde kinderbijdrage tussen partijen niet in geschil is. Per 1 januari 2006 bedraagt de krachtens artikel 1:402a lid 1 BW geïndexeerde behoefte van [zoon 1.] en [dochter 1.] € 176,04 per maand. 3.
- Gelet op de door het hof becijferde beschikbare draagkrachtruimte van de man acht het hof de man in staat te voldoen in de hiervoor vermelde behoefte van de zeven kinderen, die het hof in totaal berekent op een bedrag van € 927,08 per maand in
- 3.
- Nu de lasten waarmee het hof rekening houdt in de jaren 2007 t/m 2009 ten opzichte van het jaar 2006 niet of nauwelijks hoger zijn en het hof zowel de behoefte van de zeven kinderen als de draagkracht van de man zal indexeren, oordeelt het hof dat de man in staat moet zijn tot 2 april 2008 de bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 januari 1996 opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [zoon 1.] en [dochter 1.] te voldoen en daarna tot 24 april 2009 de bij laatstgemelde beschikking opgelegde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [dochter 1.] te voldoen. Verzoek van de man tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor [zoon 1.] en [dochter 1.] Ingangsdatum 3.
- De ingangsdatum van de door de man verzochte onderhoudsbijdrage ten behoeve van [zoon 1.] en [dochter 1.], zijnde 2 april 2008 respectievelijk 24 april 2009, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen. 3.
- Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de vrouw met ingang van 5 september 2011 - de dag dat [dochter 1.] weer bij de vrouw woonachtig is - de kosten ten behoeve van [dochter 1.] voldoet en de man de kosten ten behoeve van [zoon 1.]. De man heeft ter zitting van het hof derhalve zijn verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor [zoon 1.] met ingang van 5 september 2011 ingetrokken. Het hof overweegt dienaangaande dat de man geen belang heeft bij gemelde intrekking per die datum, omdat [zoon 1.] reeds op 2 december 2010 meerderjarig is geworden en [zoon 1.] niet zelfstandig een verzoek in hoger beroep heeft ingediend tegen de bestreden beschikking. De door de man overlegde volmacht van [zoon 1.] doet daaraan niet af. Het hof oordeelt ten aanzien van de onderhoudsbijdrage voor [zoon 1.] derhalve slechts over de periode van 2 april 2008 tot 2 december
- Behoefte kinderen 3.
- De behoefte van [zoon 1.] en [dochter 1.] aan de verzochte onderhoudsbijdrage ad € 195,= per kind per maand is in hoger beroep niet in geschil. Draagkracht van de vrouw 3.
- De man stelt dat de draagkracht, althans de verdiencapaciteit van de vrouw toereikend is om de verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 195,= per kind per maand te voldoen. 3.
- Met betrekking tot de financiële situatie van de vrouw gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel. A. Inkomen van de vrouw Inkomsten uit arbeid De vrouw heeft inkomsten uit twee dienstbetrekkingen. Tussen partijen staan de volgende bruto jaarinkomens uit 2009 van de vrouw vast: - [dienstbetrekking A.] € 9.913,= - [dienstbetrekking B.] € 1.646,= totaal: € 11.559,= Uit de jaaropgave 2010 van [dienstbetrekking A.] blijkt dat de vrouw in 2010 een inkomen had van € 9.051,=. Uit de conceptberekening belastbaar inkomen 2010 blijkt dat de vrouw in 2010 bij [dienstbetrekking B.] een inkomen had van € 852,=. Uit de door de vrouw overgelegde inkomensspecificaties van november 2011 blijkt dat het inkomen van de vrouw bij [dienstbetrekking A.] en [dienstbetrekking B.] ongeveer gelijk is gebleven aan het inkomen in het jaar
- De vrouw neemt bij [dienstbetrekking A.] deel aan een spaarloonregeling. Met de inhouding vanwege het spaarloon houdt het hof geen rekening vanwege het vrijwillige karakter van een dergelijke voorziening. De man is van mening dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij haar werkzaamheden uitbreidt. De man stelt dat de vrouw in staat is om meer uren te werken waardoor zij spoedig, althans op redelijke termijn haar werkzaamheden zou kunnen uitbreiden, eventueel bij een andere werkgever. De man stelt dat de vrouw in staat moet worden geacht om 28 uren per week te werken in tegenstelling tot haar huidige 13 uren, te weten acht uren bij [dienstbetrekking A.] en vijf uren bij [dienstbetrekking B.]. De vrouw stelt dat haar kansen op de arbeidsmarkt, als 46-jarige vrouw, zeer klein zijn. De vrouw is werkzaam in twee dienstbetrekkingen en in haar eigen nagelstudio. Daarbij doet zij het huishouden, omdat haar nieuwe partner dit vanwege hartproblemen niet kan. De vrouw stelt door [dienstbetrekking B.] minder te worden opgeroepen vanwege onvoldoende werk aldaar, maar dat zij, wanneer zij wordt opgeroepen, altijd gaat werken. De vrouw stelt uitermate beperkt beschikbare tijd te hebben om een vierde baan te accepteren. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, dat van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij haar werkzaamheden uitbreidt. Aanvullend acht het hof van belang dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat zij alleen zorg draagt voor het huishouden nu haar nieuwe partner dit vanwege hartproblemen niet kan. Het hof zal dan ook uitgaan van de door de vrouw werkelijk genoten inkomsten uit arbeid. Inkomsten uit onderneming De vrouw heeft een eenmanszaak, Nagelstudio [nagelstudio]. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, gaat het hof bij de berekening van het inkomen van de vrouw uit van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2007 t/m 2009, derhalve € 1.333,= per jaar. Voor de volledigheid overweegt het hof dat uit de “conceptberekening belastbaar inkomen” 2010 blijkt dat de winst uit onderneming van de vrouw in 2010 is verlaagd tot € 556,= per jaar. De vrouw heeft recht op de volgende heffingskortingen: - de algemene heffingskorting; - de arbeidskorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing. 3.
- Op grond van het vorenstaande oordeelt het hof dat de totale inkomsten van de vrouw in de van belang zijnde jaren ongeveer gelijk zijn aan de bijstandsnorm. Nu de vrouw ook nog woonlasten en ziektekosten heeft, heeft zij in gemelde periode naar het oordeel van het hof geen draagkracht om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1.] en [dochter 1.] te voldoen. 3.
- De man stelt zich op het standpunt dat een draagkrachtvergelijking moet worden gemaakt voor alle onderhoudsplichtigen. Het hof is van oordeel dat een draagkrachtvergelijking pas aan de orde komt indien beide partijen gezamenlijk in de volledige behoefte van de kinderen kunnen voorzien. Dit is hier echter niet het geval aangezien de vrouw geen draagkracht heeft om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1.] en [dochter 1.] te voldoen. Kosten tenuitvoerlegging 3.
- Het hof zal het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de kosten van de tenuitvoerlegging van de op te leggen onderhoudsbijdragen ten behoeve van [zoon 1.] en [dochter 1.] afwijzen, omdat de vrouw geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon 1.] en [dochter 1.] te voldoen. Gezag 3.35.
- Ingevolge artikel 1:253o BW kunnen beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechter worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 3.35.
- De vrouw heeft het hof verzocht het bij beschikking van 2 februari 2010 vastgestelde eenhoofdig gezag van de man over [dochter 1.] te wijzigen in het eenhoofdig gezag van de vrouw over [dochter 1.] met ingang van 5 september 2011, omdat [dochter 1.] op gemelde datum bij de vrouw is gaan wonen. 3.35.
- Het hof overweegt dat het verzoek van de vrouw een zelfstandig verzoek betreft dat ingevolge artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet mogelijk is in hoger beroep. Desalniettemin zal het hof het verzoek toewijzen, nu de man instemt met het verzoek van de vrouw en partijen het hof vanwege proceseconomische redenen hebben verzocht dit in de beschikking vast te leggen. Hoofdverblijfplaats 3.36.
- Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 3.36.
- De vrouw heeft het hof verzocht de bij beschikking van 2 februari 2010 geoordeelde hoofdverblijfplaats van [dochter 1.] bij de man te wijzigen in die zin dat [dochter 1.] met ingang van 5 september 2011 haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben, omdat [dochter 1.] met ingang van gemelde datum bij de vrouw woonachtig is. 3.36.
- Het hof overweegt evenals hiervoor in rechtsoverweging 3.35.
- dat gemeld verzoek van de vrouw een zelfstandig verzoek betreft dat niet mogelijk is in hoger beroep. Nu de vrouw met het gezag over [dochter 1.] wordt belast, behoeft er geen beslissing meer te worden genomen over de hoofdverblijfplaats van [dochter 1.], omdat deze de gezaghebbende ouder volgt. 3.
- De beschikking waarvan beroep dient dus te worden bekrachtigd. Proceskosten 3.38.
- De vrouw verzoekt de man te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. De vrouw stelt dat de man haar door de onderhavige procedure moedwillig op kosten heeft gejaagd. Het onderhavige verzoek van de man is volgens de vrouw nagenoeg gelijkluidend aan het verzoek van de man in
- Verder stelt de vrouw dat de man het onderhavige verzoek reeds in de in 2009 aanhangig zijnde wijzigingsprocedure had moeten meenemen. 3.38.
- Het hof ziet geen reden de man te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep nu blijkt dat de man terecht - het hof verwijst naar rechtsoverweging 3.
- - een wijzigingsverzoek heeft ingediend. De omstandigheden dat de man het wijzigingsverzoek wellicht eerder aanhangig had kunnen maken en dat het onderhavige verzoek wordt afgewezen, is naar het oordeel van het hof onvoldoende grond om af te wijken van de hoofdregel dat, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de proceskosten worden gecompenseerd.
- De beslissing Het hof: Op het principaal en incidenteel appel: wijzigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 februari 2010 voor zover het betreft de beëindiging van het gezag van de vrouw over [dochter 1.] en de bepaling dat het gezag over [dochter 1.] voortaan aan de man alleen toekomt; bepaalt dat het ouderlijk gezag over [dochter 1.], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] aan de vrouw alleen toekomt; verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank 's-Hertogenbosch; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 april 2011; compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, W.Th.M. Raab en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2012.