GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.040.875 arrest van de vierde kamer van 17 april 2012 in de zaak van [Appellant], wonende te [woonplaats], appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. R.E. Wannink, tegen: [Geintimeerde], (weduwe van [echtgenoot]), wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. W.B. Kroon, op het bij exploot van dagvaarding van 27 april 2009 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Breda gewezen vonnissen van 21 februari 2005, 4 juli 2007, 19 september 2007 en 28 januari 2009 tussen principaal appellant - [appellant] - als eiser en principaal geïntimeerde - [geintimeerde] - als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 99350/HA ZA 01-1492) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep voor zover de vorderingen van [appellant] niet (geheel) zijn toegewezen en, kort gezegd, tot algehele toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden. Voorts heeft [geintimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin vier grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot vernietiging van de vonnissen van de rechtbank Breda van 21 februari 2005, 4 juli 2007, 19 september 2007 en 28 januari 2009 voor zover daarin de vorderingen van [appellant] geheel of gedeeltelijk zijn toegewezen en tot veroordeling van [appellant] tot betaling van € 104.893,75, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met rente, alsmede tot veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties. Zij heeft daarbij acht producties overgelegd. 2.3. [appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord. 2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories. 4. De beoordeling in principaal en incidenteel appel De vaststaande feiten 4.1. De rechtbank heeft in het vonnis van 21 december 2005 in r.o. 3.1. een opsomming van de feiten gegeven. Hiertegen zijn geen grieven gericht. Het hof neemt deze feiten, aangevuld met enige andere relevante feiten, eveneens tot uitgangspunt. 4.1.1 Het gaat in dit geding om het volgende. a. Op 24 december 1985 hebben [geintimeerde] en haar (inmiddels overleden) echtgenoot [echtgenoot] de eigendom verkregen van een boerderij met berging, schuur, erf en tuin, gelegen aan de [perceel A.] te [vestigingsplaats] (verder: de boerderij). b. In augustus 1990 is door Ingenieursbureau ‘Oranjewoud’ B.V. (hierna: Oranjewoud) in opdracht van de provincie Noord-Brabant een rapport uitgebracht, genaamd “Oriënterend bodemonderzoek autowrakken [autowrakken]”. Het rapport vermeldt - onder meer - dat het perceel van de boerderij sinds 1986 wordt gebruikt voor autosloopactiviteiten, en ook daarvóór, sinds 1983 door een andere sloper voor sloopactiviteiten is gebruikt. Oranjewoud heeft verspreid over het terrein zestien boringen verricht waarbij, behalve glas en puin, in één boring zintuiglijk geen verontreinigingen zijn waargenomen en in de grond(water)monsters geen noemenswaardige verontreinigingen zijn vastgesteld. In het rapport wordt geconcludeerd dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. c. Op 14 juli 1997 heeft [makelaar] Makelaardij B.V. (hierna ook : [makelaar]) van wijlen [echtgenoot] opdracht gekregen de boerderij te verkopen. In januari 1998 is met tussenkomst van [makelaar] een koopovereenkomst tot stand gekomen met [koper sub 1.] en [koper sub 2.], welke overeenkomst later is ontbonden nadat de kopers in februari 1998 door Oranjewoud een bodemonderzoek hadden laten uitvoeren naar de aanwezigheid van asbest en de kwaliteit van de bovengrond in de omgeving van het woonhuis met het oog op het aanleggen van een sier- en moestuin. Het rapport van 24 februari 1998, waarin ook melding is gemaakt van het aantreffen van glas en/of veel puin bij een vijftal boringen en het waarnemen van een teergeur bij één boring, concludeert dat met name rondom de schuur asbesthoudend materiaal aanwezig is en dat verspreid over het terrein sprake is van begraven asbesthoudend materiaal. d. In opdracht van wijlen [echtgenoot] heeft Ascor Analyse B.V. (hierna: Ascor) ter plaatse een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbest in de bodem. Op 29 april 1998 heeft Ascor- onder meer - gerapporteerd dat bij vijf van de acht gegraven sleuven asbesthoudend materiaal is aangetroffen. e. Na bemiddeling door [makelaar] heeft [appellant] op 15 maart 1999 de boerderij gekocht voor een bedrag van f 530.000,-. In de koopovereenkomst hebben partijen - onder meer - de volgende bepalingen opgenomen: “5.3. De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn. Koper is voornemens de onroerende zaak te gebruiken als: woonboerderij, berging en schuur. (…) 5.4.3. Aan de koper is bekend dat in de onroerende zaak asbest is verwerkt. In de onroerende zaak kunnen asbesthoudende stoffen aanwezig zijn. (…) Kopers zijn volledig op de hoogte gebracht van de (asbest) bodemverontreiniging en kunnen nimmer de verkoper dan wel diens makelaar hierop aanspreken. Partijen e.e.a. voldoende bekend.” “Artikel 16 De woonboerderij en de berging dienen op datum transport in huidige staat te worden opgeleverd. Het perceel wordt eveneens in deze huidige hoedanigheid opgeleverd met o.a. de toiletwagen, alle aanwezige autobanden, de bovengrondse olietank en alle andere “zwervende” zaken. Kopers zijn volledig op de hoogte gebracht van de (asbest) bodemverontreiniging en kunnen nimmer de verkoper danwel diens makelaar hierop aanspreken. Partijen e.e.a. voldoende bekend.” f. In de op 29 april 1999 verleden akte tot levering van de boerderij is in artikel 7 - onder meer - het volgende bepaald: “1. Koper is volledig op de hoogte van de in het verkochte bevindende asbestverontreiniging. Het risico ter zake deze verontreiniging is geheel voor rekening van koper. (…) “ g. Bij de renovatiewerkzaamheden heeft [appellant] op het terrein behalve asbest ook puin, vaten met kalk en teerresten achter en in een afgesloten kelder onder de schuur aangetroffen. h. Bij brief van 10 november 1999 van [appellant] aan [geintimeerde] heeft [appellant] geschreven over zijn bevindingen en [geintimeerde] aansprakelijk gesteld. Bij brieven van 18 april 2000 en 18 september 2000 heeft [appellant] de aansprakelijkheidstelling herhaald, waarna deze op 29 september 2000 door [geintimeerde] van de hand is gewezen. i. P&J Milieuservices B.V. (hierna: P&J) heeft in opdracht van [appellant] een verkennend bodemonderzoek verricht. In haar rapport van maart 2002 meldt P&J bij boringen puin en asbest aangetroffen te hebben en bij een aantal boringen een lichte tot uiterst sterke teergeur te hebben waargenomen. P&J concludeert dat de op plaatsen aangetroffen uiterst puinhoudende bovengrond sterk verhoogde gehalten koper, zink en PAK bevat. In haar brief van 20 september 2004 bericht P&J dat uit de analyseresultaten blijkt dat de puinhoudende grond ernstig is verontreinigd met vooral PAK en minerale olie, zodanig dat sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De eerste aanleg 4.2.1. [appellant] heeft - samengevat weergegeven - in eerste aanleg na wijziging en vermeerdering van eis gevorderd [geintimeerde] te veroordelen tot: - betaling van € 67.002,57, vermeerderd met rente, wegens kosten van afvoeren van verontreinigde grond, - betaling van € 68.709,89, vermeerderd met rente, wegens afvoeren en verwerken van de teer uit de kelder van de schuur, - betaling van buitengerechtelijke kosten van € 951,74, vermeerderd met rente, - vergoeding van schade die [appellant] lijdt door het laten verwijderen van de overige verontreiniging van het perceel, de onderzoekskosten daarbij inbegrepen, nader vast te stellen in een schadestaatprocedure, - betaling van een voorschot van € 10.000,- voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek naar bodemsanering, - veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten. [appellant] heeft aan zijn vordering - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat sprake is van non-conformiteit dan wel onrechtmatig handelen door [geintimeerde], door informatie over de verontreiniging (glas, puin, teer, vaten kalk), het gebruik als autosloperij en de uitgebrachte rapporten achter te houden. 4.2.2. [geintimeerde] heeft verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat [appellant] niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek had ontdekt bij [geintimeerde] heeft geklaagd. Voorts heeft zij gesteld dat zij niet in gebreke is gesteld, zodat van verzuim geen sprake kan zijn. Zij heeft betwist dat de boerderij niet de eigenschappen bezat die [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Zij heeft gesteld dat hij door [makelaar] is geïnformeerd over de toestand van het perceel en dat de rapporten van de uitgevoerde bodemonderzoeken aan [appellant] zijn toegestuurd, dat [appellant] is aangeraden zelf een bodemonderzoek te doen uitvoeren, dat ook als de rapporten van Oranjewoud [appellant] niet zouden zijn toegestuurd, hij voldoende geïnformeerd is door het rapport Ascor, de uiterlijke toestand van het terrein, de inhoud van de koopovereenkomst en de adviezen van [makelaar]. 4.2.3. De rechtbank heeft in het vonnis van 21 december 2005 geoordeeld dat van verval van rechten door het niet in acht nemen van de klachttermijn geen sprake is; dat de brief van 18 april 2000 van [appellant] aan [geintimeerde] een ingebrekestelling inhoudt, dat op [geintimeerde] als verkoper de verplichting rustte om gebreken waarvan zij op de hoogte was aan [appellant] mee te delen en dat daar in ieder geval toebehoorde dat [geintimeerde] het rapport van Oranjewoud van 1998 aan [appellant] ter hand had moeten stellen. De rechtbank heeft [geintimeerde] opgedragen te bewijzen: - dat aan eiser voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst het rapport van Oranjewoud uit 1998 ter hand is gesteld; - dat voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst op het perceel aanwijzingen zichtbaar waren die wezen op jarenlang gebruik daarvan ten behoeve van een autosloperij en/of dat eiser informatie heeft gekregen omtrent die historie van het perceel. 4.2.4. Door de rechtbank zijn zijdens [geintimeerde] als getuigen gehoord: [geintimeerde] zelf, de zoon van [geintimeerde] en makelaar [makelaar]. Zijdens [appellant] zijn gehoord: [appellant] zelf, zijn echtgenote, [koper sub 1.] (een eerdere koper van het terrein) en [loonwerker], loonwerker. 4.2.5. De rechtbank heeft in het vonnis van 4 juli 2007 geoordeeld dat [geintimeerde] het haar opgedragen bewijs niet heeft geleverd. De rechtbank heeft overwogen dat nu zij niet geslaagd is in het bewijs dat aan de mededelingsplicht ter zake het rapport van Oranjewoud uit 1998 is voldaan en zij niet aan [appellant] kan tegenwerpen dat voldoende aanwijzingen voorhanden waren die noopten tot het doen van nader onderzoek, moet worden vastgesteld dat [geintimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst en dat zij de daaruit voor [appellant] gevolgde schade dient te vergoeden (r.o. 2.11). De rechtbank heeft voorts overwogen dat [appellant] de aanwezigheid van puinhoudende bovengrond met sterk verhoogde gehalten koper, zink en PAK, de vaten kalk en de teerresten in de schuur niet hoefde te verwachten, zodat de kosten van verwijdering daarvan niet voor zijn rekening komen (r.o. 2.13). De rechtbank heeft - op voorstel van [geintimeerde] en met instemming van [appellant] - gesteld een deskundige te zullen benoemen om te onderzoeken of sanering noodzakelijk was, of de omvang van de in dit verband gemaakte kosten redelijk zijn en in hoeverre deze kosten zijn toe te rekenen aan de verwijdering van de asbestverontreiniging. 4.2.6. Bij het vonnis van 19 september 2007 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen. De benoemde deskundige ing. H.J. Verheul, adviseur bodembeheer bij Royal Haskoning, heeft op 19 juni 2008 zijn rapport uitgebracht. 4.2.7. Bij vonnis van 28 januari 2009 heeft de rechtbank overwogen dat het rapport helder en naar behoren is gemotiveerd en dat de rechtbank de conclusies van de deskundige overneemt en tot de hare maakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de kosten gemaakt voor onderzoek met betrekking tot de verontreiniging van puinhoudende bovengrond met sterk vergrote gehalten aan koper, zink en PAK, de vaten kalk in de grond en de teerresten in schuur en bodem in redelijkheid gemaakte kosten zijn, evenals de kosten gemaakt voor de sanering van de teerkelder. De kosten tot sanering van de zogenoemde overige verontreiniging worden wegens het ontbreken van voldoende gegevens niet als in redelijkheid gemaakte kosten aangemerkt. De rechtbank heeft [geintimeerde] veroordeeld tot betaling van € 66.114,90 (op grond van het deskundigenrapport), te vermeerderen met rente, tot betaling van € 951,74 (buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met rente en tot betaling van proceskosten, inclusief de kosten van de deskundige, van € 15.737,89. Behandeling van de aangevoerde grieven 4.3.1. Zowel [appellant] als [geintimeerde] hebben grieven aangevoerd tegen de in eerste aanleg gewezen vonnissen. [appellant] heeft in de dagvaarding gesteld in hoger beroep te komen van onder meer het vonnis van 21 februari 2005. [geintimeerde] spreekt in haar memorie van antwoord tevens incidenteel appel eveneens van een vonnis van 21 februari 2005. Ook wordt als datum 31 december 2005 en 20 april 2005 genoemd. Het hof ziet hierin misslagen. Kennelijk is steeds bedoeld, wanneer een vonnis uit 2005 wordt genoemd, het hiervoor vermelde vonnis van 21 december 2005. 4.3.2. De grieven van [appellant] zijn enkel gericht tegen het eindvonnis van 28 januari 2009. Derhalve is [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep van de vonnissen van 21 december 2005, 4 juli 2007 en 19 september 2007. 4.3.3. De grieven van [appellant] stellen - hier kort aangeduid - het volgende aan de orde: Grief 1: het deskundigenrapport gaat er ten onrechte van uit dat puin en asbest, metaal- en olieresten waarneembaar zouden kunnen zijn geweest en dat [appellant] op grond van de toestand van de bebouwing een bodemonderzoek had moeten laten uitvoeren. Grief 2: de conclusie in het rapport dat er geen noodzaak was tot sanering van de zogenoemde overige verontreinigingen, met uitzondering van de teerkelder, is ongefundeerd. De uitgebrachte rapportages laten anders zien. Grief 3: ten onrechte is niet de totale vordering van [appellant] toegewezen. 4.3.4. De grieven van [geintimeerde] stellen - eveneens kort aangeduid - het volgende aan de orde: Grief I, gericht tegen het vonnis van 21 december 2005: er is sprake van verval van rechten (artikel 7:23 lid1 BW) omdat [appellant] niet tijdig heeft geklaagd. Grief II, gericht tegen het vonnis van 21 december 2005: een ingebrekestelling is niet uitgegaan en [geintimeerde] is dus niet in verzuim. Grief III, gericht tegen r.o. 2.11 van het vonnis van 28 januari 2009: ten onrechte is - in afwijking van het deskundigenrapport - gedeeltelijke non-conformiteit aangenomen en is uitgegaan van aan [geintimeerde] toe te rekenen tekortkomingen; de buitengerechtelijk kosten zijn ten onrechte toegewezen. Grief IV, gericht tegen het vonnis van 28 januari 2009: uit de bevindingen van de deskundige had de conclusie moeten worden getrokken dat op [appellant] een onderzoeksplicht rustte. Uit de toelichting op de grieven III en IV volgt dat [geintimeerde] zich op het standpunt stelt dat, gezien het deskundigenrapport, de rechtbank had moeten terugkomen op haar oordeel (in het vonnis van 4 juli 2007) dat [geintimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst. 4.4.1. Het hof zal de (incidentele) grieven I en II, als meest vérstrekkend, het eerst behandelen. 4.4.2. Grief I van [geintimeerde] komt op tegen het oordeel van de rechtbank in de r.o. 3.3 t/m 3.5 van het vonnis van 21 december 2005 dat van een verval van rechten als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW geen sprake is. Zij voert aan dat zij bij nadere bestudering van de in haar bezit zijnde stukken de brieven van 10 november 1999 en 18 april 2000 niet heeft aangetroffen. Zij heeft pas kennis van deze brieven gekregen in de onderhavige procedure. Zij betwist de brieven te hebben ontvangen. Uit de door [appellant] overgelegde brieven, en met name de brief van 10 november 1999, is af te leiden dat [appellant] in de zomer van 1999 al aanwijzingen had dat er mogelijk een gebrek kleefde aan het terrein. De klachtbrief van 18 september 2000 was dan te laat, aldus [geintimeerde]. 4.4.3. [appellant] heeft gesteld [geintimeerde] op 10 november 1999 aansprakelijk te hebben gesteld voor het geval het vermoeden van verontreiniging bewaarheid zou worden en dat hij (althans zijn juridisch adviseur), toen reactie uitbleef, bij brief van 18 april 2000 heeft gerappelleerd en dat ten slotte de brief van 18 september 2000 met de concept-dagvaarding is gezonden. In laatst genoemde brief wordt verwezen naar de brieven van 10 november 1999 en 18 april 2000. [geintimeerde] heeft op de brief van 18 september 2000 gereageerd met een brief van 29 september 2000. In de brief heeft zij onder meer vermeld: “Door langdurige ziekte en overlijden van mijn man ben ik nu pas in staat om te reageren.”. [appellant] heeft vermelde, van hem afkomstige brieven, overgelegd bij repliek. [geintimeerde] heeft bij dupliek gesteld dat zij niet meer precies weet wanneer de aansprakelijkheidsstelling haar heeft bereikt, maar dat, als dat kort na 10 november 1999 is geweest, het te laat was, daar [appellant] al ruim vóór 10 augustus 1999 wist dat er op het terrein puin lag, vaten kalk en teerresten. 4.4.4. Het hof stelt vast dat [geintimeerde] in haar brief van 28 september 2000 niet heeft vermeld de brieven van 10 november 1999 en 18 april 2000 niet te hebben ontvangen. Ook in de conclusie van dupliek wordt niet gesteld dat de brieven niet zijn ontvangen. De brieven van 10 november 1999, 18 april 2000 en 18 september 2000 zijn alle geschreven door, en op briefpapier, van de juridisch adviseur van [appellant] en steeds gericht aan hetzelfde adres. Onder deze omstandigheden acht het hof de stelling van [geintimeerde] dat zij de brieven van 10 november 1999 en 18 april 2000 niet heeft ontvangen, onvoldoende onderbouwd. [geintimeerde] kan geen beroep doen op een verval van rechten. Grief I faalt derhalve. 4.4.5. Grief II voert aan dat de rechtbank in r.o. 3.6 van het vonnis van 21 december 2005 ten onrechte heeft geoordeeld dat de brief van 18 april 2000 een ingebrekestelling inhoudt. 4.4.6. [appellant] heeft zijn vordering gebaseerd op non-conformiteit, derhalve op een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij onvoldoende is geïnformeerd over de toestand van het perceel. Dit leent zich niet voor herstel en maakt in zoverre nakoming blijvend onmogelijk. Voor deze vordering is een ingebrekestelling niet nodig om [geintimeerde] in verzuim te doen zijn (artikel 83 aanhef en sub b BW jo. artikel 74 lid 1 BW). Overigens acht het hof, evenals de rechtbank, de brief van 18 april 2000 een voldoende ingebrekestelling. Grief II faalt dan ook. 4.5.1. De grieven 1 en 2 van [appellant] en grief III (ten dele) en grief IV van [geintimeerde] hebben betrekking op het deskundigenbericht. Bij de behandeling van deze grieven stelt het hof voorop dat geen grieven zijn gericht tegen de bewijsopdrachten aan [geintimeerde] verstrekt in het vonnis van 21 december 2005. Ook zijn geen - directe - grieven gericht tegen het vonnis van 4 juli 2007, waarin de rechtbank heeft geoordeeld, na te hebben vastgesteld dat [geintimeerde] het haar opgedragen bewijs niet heeft geleverd, dat [geintimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst en dat zij de daaruit voor [appellant] gevolgde schade dient te vergoeden (r.o. 2.11). In r.o. 2.13 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] op grond van de inhoud van de overeenkomst de aanwezigheid van een puinhoudende bovengrond met sterk verhoogde gehalten koper, zink en PAK niet hoefde te verwachten, zodat de kosten van verwijdering daarvan niet voor zijn rekening komen. 4.5.2. In r.o. 2.14. van het vonnis van 4 juli 2007 is overwogen dat [appellant] het voorstel van [geintimeerde] om een deskundige te benoemen teneinde te onderzoeken of sanering noodzakelijk was, of de omvang de omvang van de gemaakte kosten in dit verband redelijk zijn en in hoeverre deze kosten zijn toe te rekenen aan de verwijdering van de asbestverontreiniging, ondersteunt, en dat de rechtbank een deskundigenonderzoek zal bevelen. De rechtbank doet tevens een voorstel voor de aan de deskundige voor te leggen vragen. De definitieve vraagstelling is verwoord in het vonnis van 19 september 2007. 4.5.3. Bij de bespreking van genoemde grieven neemt het hof tevens het volgende tot uitgangspunt. Uit het rapport en uit de overige stukken in het dossier blijkt dat op het perceel in de loop van de tijd de volgende verontreinigingen zijn aangetroffen: 1. asbestverontreiniging 2. ingegraven vaten kalk 3. een oude gierkelder, geheel gevuld met PAK's (teer) en daarna afgedekt; 4. teerverontreiniging achter (dit is: ten oosten van) de schuur 5. puinverontreiniging ten noorden van het woonhuis 6. ondergrondse tank 7. verspreide verontreiniging Ad 1: De verontreiniging met asbest die aanleiding vormde tot de eerste onderzoeken speelt geen rol meer; naar vroegere maatstaven zou het om een vrij ernstige, doch naar huidige maatstaven om een lichtere verontreiniging zijn gegaan; deze verontreiniging is door [appellant] in eigen beheer verwijderd. Ad 6: deze speelt geen rol in de procedure. In hoeverre de verontreinigingen als bedoeld sub 5 en 7 nog een rol spelen, is onduidelijk. Het geschil concentreert zich rondom verontreinigingen sub 3 en 4. De vordering met betrekking tot de verontreiniging sub 2 is getalsmatig van ondergeschikt belang. Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] vergoeding gevorderd van schade, op te maken bij staat; met bijlagen specificeerde hij de volgende kosten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.