GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.076.123 arrest van de zevende kamer van 24 april 2012 in de zaak van [Appellante sub 1.] en [appellant sub 2.], beiden wonende te [woonplaats], appellanten, advocaat: mr. J.A.J. Dappers, tegen: [Geintimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. M.H. Kroon, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 december 2010 in het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, onder nummer 645350/09-8481 gewezen vonnissen van 28 januari 2010, 27 mei 2010 en 1 juli 2010. 5. Het tussenarrest van 14 december 2010 Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden. 6. Het verdere verloop van de procedure 6.1.De comparitie heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011. De geplande voortzetting van de comparitie op 18 april 2011 heeft niet plaatsgevonden. Partijen zijn niet tot een regeling gekomen en de zaak is naar de rol verwezen voor memorie van grieven. 6.2. Bij memorie van grieven hebben appellanten acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van hun vordering in eerste aanleg, met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties. 6.3.Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven bestreden. Zij heeft gevorderd ten laste van appellanten een bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten vast te stellen van primair minimaal € 5.396,- op de voet van artikel 7:275 lid 3 en lid 4 BW, subsidiair van een door het hof te bepalen bedrag. 6.4.Partijen hebben ieder nog een akte genomen, waarbij zij producties hebben overgelegd. Vervolgens hebben zij de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 7. De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 8. De verdere beoordeling 8.1. In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan: i. Appellanten hebben op 28 april 2006 de woning aan de [perceel] te [plaatsnaam], geleverd gekregen. Zij hebben de woning gekocht van de ouders van [appellante sub 1.]. ii. De benedenverdieping van de woning wordt sinds 1990 aanvankelijk aan geïntimeerde en haar echtgenoot, na het overlijden van haar echtgenoot alleen aan geïntimeerde verhuurd. iii. Geïntimeerde is bij brief van 27 april 2006 geïnformeerd over de eigendomsoverdracht. iv. Bij schrijven van 25 juni 2009 hebben appellanten de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2009. v. Geïntimeerde heeft niet toegestemd in de beëindiging van de huurovereenkomst. 8.2.Appellanten hebben de huurovereenkomst opgezegd, stellende dat zij de woning zelf dringend voor eigen gebruik nodig hebben. Zij hebben in eerste aanleg gevorderd – kort gezegd – dat de rechter het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen en het gehuurde ontruimd dient te zijn. 8.3.In eerste aanleg heeft het geschil zich toegespitst op de vraag of geïntimeerde andere passende woonruimte kan verkrijgen. Die vraag is door de kantonrechter ontkennend beantwoord. De vordering van appellanten is in eerste aanleg afgewezen en appellanten zijn veroordeeld in de proceskosten. 8.4.Appellanten zijn hiervan in hoger beroep gekomen en hebben twee grieven tegen het tussenvonnis van 28 januari 2010 en zes grieven tegen het eindvonnis van 1 juli 2010 geformuleerd. Zij vorderen in hoger beroep toewijzing van hun vordering in eerste aanleg en veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties. 8.5.Aangezien appellanten geen grieven hebben geformuleerd tegen het tussenvonnis van 27 mei 2010, zijn zij in zoverre niet-ontvankelijk in hun hoger beroep. 8.6.Geïntimeerde heeft verweer gevoerd, onder meer stellende dat appellanten geen belang meer hebben bij hun hoger beroep, aangezien zij de woning al verlaten heeft. Voorts heeft geïntimeerde gevorderd ten laste van appellanten een bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten vast te stellen. 8.7.Gelet op de vergaande strekking ervan zal het hof eerst het verweer van geïntimeerde beoordelen dat appellanten geen belang meer hebben bij hun vordering. Hierbij stelt het hof het volgende voorop. Vaste rechtspraak is dat een proceskostenveroordeling voldoende belang oplevert voor het aanwenden van een rechtsmiddel. Dit heeft tot gevolg dat de hogere rechter, ook al bestaat geen belang meer bij toewijzing van de vordering, niettemin zal hebben te onderzoeken of de vordering in de lagere instantie al dan niet terecht is afgewezen, omdat hiervan het oordeel afhankelijk is wie de kosten van het geding zal hebben te dragen. Dit belang kan komen te ontbreken wanneer een proceskostenveroordeling uit de aard der zaak niet aan de orde kan komen of indien een toezegging is gedaan af te zien van inning van de in de lagere instantie uitgesproken proceskostenveroordeling. 8.8.Appellanten zijn in eerste aanleg veroordeeld in de proceskosten en hebben daartegen een grief gericht. Naar het oordeel van het hof hebben zij dan ook belang bij het hoger beroep. Niet gebleken is van omstandigheden waardoor het belang is komen te ontbreken. 8.9.Nu het verweer van geïntimeerde niet kan worden aanvaard, heeft het hof te onderzoeken of de kantonrechter de vordering van appellanten terecht heeft afgewezen. Daarbij dient het hof te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing. 8.10.De grieven van appellanten zijn alle gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat geïntimeerde geen andere passende woonruimte kan verkrijgen. Onder meer hebben appellanten aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte uitsluitend woonruimte in een straal van vier à vijf kilometer van het gehuurde als passend heeft aangemerkt en zij hebben daartoe gewezen op het ontbreken van huurwoningen en van verzorging- en verpleeghuizen in [plaatsnaam A.] en [plaatsnaam B.] en op het halfjaarlijks verblijf van geïntimeerde op een tien kilometer van [plaatsnaam A.] gelegen camping. 8.11. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Naar geïntimeerde onweersproken heeft gesteld, heeft zij in juli 2011 passende andere woonruimte aangeboden gekregen en heeft zij het aanbod aanvaard. Overigens is het hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte uitsluitend woonruimte in een straal van vier à vijf kilometer als passend heeft aangemerkt. Appellanten hebben naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat het voor geïntimeerde mogelijk moet zijn geweest om in een ruimer gebied (waartoe ook [plaatsnaam B.], [plaatsnaam C.] en [plaatsnaam D.] behoren) tijdig andere passende woonruimte te verkrijgen. In zoverre is de beslissing in eerste aanleg dan ook onjuist; de daartegen gerichte grieven van appellanten slagen. De vordering van appellanten kan echter niet toegewezen worden zonder alle relevante in eerste aanleg niet behandelde of behandelde maar verworpen verweren opnieuw te bezien, tenzij die verweren in hoger beroep zijn prijsgegeven. 8.12. In eerste aanleg heeft geïntimeerde – zakelijk weergegeven – de volgende verweren gevoerd:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.