GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.098.329 arrest van de vierde kamer van 1 mei 2012 in de zaak van [Appellant], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. H.C.M. Schaeken, tegen: [wettelijk vertegenwoordiger], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. S.G. Rissik, op het bij exploot van dagvaarding van 25 november 2011 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis in kort geding van 31 oktober 2011 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde en geïntimeerde - [geintimeerde] - als eiser. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 236599/KG ZA 11-668) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende, tot afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen van [geintimeerde], met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, voor zoveel wettelijk toegelaten uitvoerbaar bij voorraad. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] een productie overgelegd en de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. De voorzieningenrechter heeft in r.o. 2.1 t/m 2.10 de feiten vastgesteld waarvan in dit geding moet worden uitgegaan. Deze feiten, die niet zijn betwist, zijn ook in dit hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staat nog een aantal feiten vast. Hierna volgt omwille van de leesbaarheid van dit arrest een overzicht van de relevante feiten. 4.2. Het gaat in deze zaak om het volgende. 4.2.1. [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 1994, is de minderjarige zoon van [geintimeerde]. [minderjarige] is rolstoelgebonden. [minderjarige] is lid van de Vereniging [vereniging] en speelt [sport] (ook genaamd: ‘[sportsoort]’). 4.2.2. [minderjarige] heeft deel uitgemaakt van het Nederlands team [sport]. In november 2010 heeft [minderjarige]in die hoedanigheid deelgenomen aan het wereldkampioenschap [sport] in [land] (hierna: het WK), waar het Nederlandse team tweede is geworden. 4.2.3. [appellant] is onder meer coach/begeleider van een van de teams van de [vestigingsnaam] [sport]vereniging [sportnaam]. Tijdens genoemd WK maakte hij deel uit van het begeleidingsteam van het Nederlandse team. 4.2.4. Op de terugreis van het WK heeft het Nederlandse team in [plaatsnaam A.] overnacht. [minderjarige] sliep alleen op een hotelkamer. 4.2.5. Op 8 november 2010 is [appellant] ’s avonds de hotelkamer van [minderjarige] binnengekomen. [minderjarige] zat op dat moment nagenoeg zonder kleding aan (alleen met boxershort) op zijn bed. [appellant] is toen naast hem op bed komen zitten en heeft [minderjarige] aangeraakt. De volgende ochtend is [appellant] nog twee maal onaangekondigd de kamer van [minderjarige] binnengekomen. 4.2.6. [minderjarige]heeft zich door het genoemde optreden van [appellant] geïntimideerd gevoeld. Hij heeft zich daarover de volgende ochtend bij een andere begeleider over beklaagd. [geintimeerde] heeft tegen [appellant] een klacht ingediend bij de tuchtcommissie van de [Bondsnaam] (hierna: [sportbond]). De tuchtcommissie heeft de klacht in behandeling genomen en daarbij zijn beide partijen gehoord. 4.2.7. Bij uitspraak van 17 februari 2011 (zaaksnummer [zaaksnummer]) heeft de tuchtcommissie [appellant] voor onbepaalde tijd een verbod opgelegd om een functie (al dan niet op vrijwillige basis) in de [sportbond], alsmede in een lid van de [sportbond], uit te oefenen. 4.2.8. [appellant] is van deze uitspraak in beroep gegaan. Bij uitspraak van 18 april 2011 heeft de commissie van beroep het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaard en de uitspraak van de Tuchtcommissie van 17 februari 2011 ingetrokken. Daarbij heeft de commissie van beroep, kort samengevat, overwogen dat het tuchtrecht op [appellant] niet toepassing is, omdat [appellant] geen lid is van de [sportbond] en dat om die reden de uitspraak van de tuchtcommissie wegens onbevoegdheid dient te worden vernietigd. 4.2.9. Bij brief van 18 mei 2011 heeft [minderjarige] via zijn advocaat [appellant] op in die brief nader aangegeven gronden verzocht om op 18 juni 2011 niet aanwezig te zijn bij de [rangnummer] nationale competitieronde [competitieronde] [sportsoort]. De advocaat van [appellant] heeft op deze brief gereageerd bij brief van 25 mei 2011. Hierin schrijft deze onder meer als volgt. “(…) De heer [appellant] acht verder uw sommatie om niet aanwezig te zijn bij de competitieronde te [plaatsnaam B.] zonder juridische grond. (…) Desalniettemin bevestig ik u namens de heer [appellant] dat hij niet aanwezig zal zijn bij het evenement op 18 juni te [plaatsnaam B.]. (…)” 4.2.10. Bij brief van 10 juni 2011 heeft de advocaat van [geintimeerde] [appellant] op de in die brief aangegeven gronden verzocht om niet aanwezig te zijn bij de landelijke finale [sportsoort] in [plaatsnaam C.] op 25 juni 2011. Daarop heeft de advocaat van [appellant] bij brief van 16 juni 2011 als volgt geantwoord: “(…) De heer [appellant] zal mogelijk niet aanwezig zijn bij de landelijke finale [sportsoort] te [plaatsnaam C.] op 25 juni, echter om redenen die niets van doen hebben met uw verzoek c.q. sommatie. (…) Dit betekent niet dat de heer [appellant] wegblijft bij evenementen die hij graag bezoekt. (…) U hoeft dergelijke verzoeken niet meer te doen. Ik kan u nu al melden dat de heer [appellant] zijn beslissing om al dan niet te gaan niet laat afhangen van deze verzoeken. (…)” 4.2.11. Op 17 september 2011 was de eerste competitiedag van de [klasse] voor het seizoen 2011/2012 in [plaatsnaam D.]. Daar was [appellant] niet aanwezig. Op 24 september 2011 heeft wederom een [sportsoort] evenement plaatsgevonden (het [tournooi] in [plaatsnaam E.]). Daar was [appellant] evenals [minderjarige] aanwezig. 4.2.12. Bij beschikking van 25 oktober 2011 heeft de kantonrechter te Groningen aan de ouders van [minderjarige] machtiging verleend tot het voeren van een gerechtelijke procedure (in eerste aanleg) en bij beschikking van 20 december 2011 tot het voeren van een gerechtelijke procedure in hoger beroep. 4.3.1. Bij dagvaarding van 26 september 2011 heeft [geintimeerde] [appellant] in kort geding gedagvaard en gevorderd [appellant] gedurende een periode van twaalf maanden, na betekening van het te wijzen vonnis, te verbieden zich op te houden op zogenaamde evenementdagen van [sport], waaronder de datum van 26 november 2011 in [plaatsnaam F.], alsmede [appellant] te verbieden op wat voor wijze dan ook contact te leggen met [minderjarige], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per keer dat [appellant] zich daar niet aan houdt alsmede om naleving van het vonnis zonodig met de sterke arm te doen uitvoeren, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. [geintimeerde] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] op de avond van 8 november 2010 zonder vooraf op de deur te kloppen de hotelkamer van [minderjarige] is binnengekomen en [minderjarige], die toen naakt was, daar onzedelijk heeft betast door hem over zijn rug, bilnaad en billen te aaien en hem daarbij heeft aangesproken met woorden in de trant van “wat ben jij toch een grote beer”. In de ochtend van 9 november 2010 heeft [appellant] opnieuw twee maal zonder kloppen de kamer van [minderjarige] betreden. [minderjarige] heeft deze gedragingen van [appellant] als zeer onprettig en bedreigend ervaren en stelt dat [appellant] grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond. Daarnaast heeft [geintimeerde] bij pleidooi nog aangegeven dat [appellant] [minderjarige] reeds eerder op intimiderende wijze heeft benaderd en dat [minderjarige] toen te kennen heeft gegeven daarvan niet gediend te zijn. [minderjarige] voelt zich hierdoor in de omgeving van zijn sport niet meer veilig als [appellant] aanwezig is en dreigt in zijn persoonlijke ontwikkeling, vrijheid en integriteit te worden aangetast. [minderjarige] ondervindt rechtstreeks psychische schade door de enkele aanwezigheid van [appellant] in zijn directe nabijheid. [minderjarige] wenst in de toekomst onbevreesd en onbezorgd naar de [sport]-evenementen te kunnen gaan en heeft in dat verband [appellant] meermalen verzocht om niet langer aanwezig te zijn bij deze evenementen, maar [appellant] heeft te kennen gegeven daartoe niet bereid te zijn. [minderjarige] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering omdat hij vanwege zijn fysieke gesteldheid wellicht over een jaar niet meer kan deelnemen aan dit soort evenementen en elk moment waarop dit nog wel kan van grote waarde voor hem is. 4.3.2. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In dat verband heeft hij aangevoerd dat hij op de bewuste avond naar de hotelkamer van [minderjarige] is gegaan om te zien of met hem alles in orde was. Toen [appellant] de hotelkamer van [minderjarige] binnenkwam - hij had daartoe bij de receptie een extra sleutel gehaald - zag hij dat [minderjarige] schrok. [appellant] betwist dat hij [minderjarige] onzedelijk heeft betast en op onbehoorlijke wijze heeft aangesproken. Ook betwist hij dat hij de volgende ochtend twee maal de kamer van [minderjarige] op ongepaste wijze heeft betreden. [appellant] stelt dat hij [minderjarige] down en moe vond, dat hij ’s avonds op de rand van het bed van [minderjarige], die een ontbloot bovenlijf had en een boxershort droeg, is gaan zitten en om hem te troosten een vriendschappelijke arm om zijn schouder heeft geslagen en met hem een gesprekje heeft gevoerd. De volgende ochtend heeft hij [minderjarige]gewekt en voor zijn bagage gezorgd. Met het leggen van een arm om de schouder van [minderjarige] kan bezwaarlijk worden gesproken van een inbreuk op diens persoonlijke integriteit. [appellant] hoefde er dan ook niet op bedacht te zijn dat [minderjarige]zijn gedrag als ongewenst zou beschouwen. [appellant] betwist voorts dat hij [minderjarige] reeds eerder intimiderend heeft benaderd. Hij acht zich niet gehouden te voldoen aan de sommaties van [geintimeerde] om weg te blijven bij de [sportsoort]-evenementen. Het belang van [minderjarige] om ‘geen hinder te ondervinden’ of ‘iets vervelend te vinden’ weegt niet op tegen het belang van [appellant] om geen beperking te hoeven dulden in zijn persoonlijke bewegingsvrijheid en in de uitoefening van zijn functie als vrijwilliger (trainer en coach) bij [sportnaam] of het vorm geven van zijn belangstelling voor het [sport] in brede zin. [appellant] heeft op de competitiedagen waarop zowel [minderjarige] als hij aanwezig waren op geen enkele wijze contact gelegd met [minderjarige] en is ook niet voornemens dit te doen. [minderjarige] stelt ook niet dat [appellant] met hem contact heeft gelegd, zodat [minderjarige] bij dit deel van de vordering geen belang heeft. 4.3.3. De voorzieningenrechter heeft in het beroepen vonnis, kort samengevat, het volgende overwogen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.