Parketnummer : 20-001612-10 Uitspraak : 24 mei 2012 TEGENSPRAAK PROMIS Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 april 2010 (LJN BM1166) in de strafzaak met parketnummer 01-889036-08 tegen: [de verdachte M jr.], geboren te [geboorteplaats] op [1985], wonende te ([postcode]) 's-Hertogenbosch, [adres], bij welk vonnis: - het onder 1 ten laste gelegde bewezen werd verklaard en als “opzetheling, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en witwassen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” werd gekwalificeerd; - het onder 2 ten laste gelegde bewezen werd verklaard en als “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” werd gekwalificeerd; - de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden en 2 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht; - de benadeelde partij ‘het Frans Hals Museum’ in haar vordering niet-ontvankelijk werd verklaard; - de in beslag genomen voorwerpen, onder 4, 5 en 7 tot en met 11 op de beslaglijst vermeld, aan het verkeer werden onttrokken; - het in beslag genomen voorwerpen, onder 12 en 13 op de beslaglijst vermeld, aan de verdachte werd teruggegeven. A. Hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. B. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 4 juli 2011, 10 november 2011, 22 november 2011, 9 februari 2012, 19 april 2012, 23 april 2012 en 15 mei 2012, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 15 december 2008, 1 april 2009, 24 november 2009, 6 januari 2010, 10 maart 2010 en 31 maart 2010. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van advocaat-generaal mr. H.E.G. Peters en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.C.J. Teurlings naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren, de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden en daarbij de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis zal bevelen. Zijn vordering behelst voorts dat de vordering van de benadeelde partij volledig zal worden toegewezen, dat de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd en dat met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen overeenkomstig de rechtbank zal worden beslist. De raadsman heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie in de strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard, subsidiair dat de verdachte integraal van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken en meer subsidiair een gevangenisstraf zal opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest, al dan niet gecombineerd met een werkstraf of voorwaardelijke straf. De raadsman heeft voorts bepleit dat de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis zal worden afgewezen en dat de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. C. Vonnis waarvan beroep Het hof kan zich op onderdelen niet verenigen met het vonnis waarvan beroep. Naast het feit dat het hof tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie van het ten laste gelegde zal komen, verdient opmerking dat ook de promis bewijsvoering van de rechtbank niet in stand kan blijven. Daarbij wijst het hof er in het bijzonder op dat in meerdere vastgestelde feiten en omstandigheden conclusies van de rechtbank zijn verweven zonder deze als zodanig te benoemen. Het vonnis waarvan beroep zal daarom worden vernietigd. D. Tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat: 1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 maart 2002 tot en met 13 september 2008 te 's-Hertogenbosch en/of Haarlem en/of Boxtel en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, en/of te Neerpelt (België), in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) één of meer schilderij(en), te weten: "De kwakzalver" en/of "De tevreden drinker" van Adriaen van Ostade en/of "De kwakzalver" van Jan Steen en/of "Drinkgelag" van Cornelis Dusart en/of "De straatmuzikanten" van Cornelis Bega, in ieder geval een of meer schilderij(
- en)en/of een of meer geldbedrag(en), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(
- s)ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat schilderij(
- en)en/of die/dat geldbedrag(en), (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; en/of hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 maart 2002 tot en met 13 september 2008 te 's-Hertogenbosch en/of Haarlem en/of Boxtel en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, en/of te Neerpelt (België), in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van een of meer voorwerp(en), te weten één of meer schilderij(en), te weten: "De kwakzalver" en/of "De tevreden drinker" van Adriaen van Ostade en/of "De kwakzalver" van Jan Steen en/of "Drinkgelag" van Cornelis Dusart en/of "De straatmuzikanten" van Cornelis Bega, in ieder geval een of meer schilderij(
- en)en/of een of meer geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een of meer van die voorwerp(
- en)was of wie bovenomschreven voorwerp(
- en)voorhanden had, en/of een of meer van die voorwerp(
- en)heeft verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of voorhanden heeft gehad en/of van een of meer van die voorwerp(
- en)gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(
- en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; 2. hij op of omstreeks 13 september 2008 te 's-Hertogenbosch, een of meer wapen(
- s)van categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten een dubbelloops hagelgeweer (merknaam Bayard) en/of een grendelhagelgeweer (merk Perfex) en/of een pistool (merknaam Para Ordnance), en/of munitie van de categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie, te weten 161, althans een aantal, patronen (van verschillende kalibers), voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. E. Verkorte aanduiding In de navolgende overwegingen zal het hof omwille van de leesbaarheid de verdachte [M jr.] veelal aanduiden met [M] junior (jr.) en de medeverdachten [M sr.] en [V] met respectievelijk [M] senior (sr.) en [V]. F. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie • 1. De maatstaf: het Zwolsman- en het Karman-criterium 1.1 De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de beginselen van de goede procesorde en het recht op een eerlijk proces dusdanig ernstig zijn geschonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Het hof verstaat het betoog van de raadsman aldus, dat vanwege het fundamentele karakter van de vormverzuimen niet steeds een belang moet worden gehecht aan de vraag of de verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad en dat derhalve tevens een beroep is gedaan op het zogenaamde Karman-criterium (HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567). De advocaat-generaal heeft daarentegen aangevoerd dat dit criterium door het later gewezen standaardarrest van de Hoge Raad (HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376) is achterhaald. Sindsdien komt volgens hem het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts dan in aanmerking, indien aan het Zwolsman-criterium is voldaan - dat wil zeggen dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249). 1.2 Het hof overweegt als volgt. De wetgever heeft met artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een algemene regeling gegeven voor het beoordelen en sanctioneren van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Voor dat soort vormverzuimen kan de rechter bepalen dat “het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.” Daarbij dient wel steeds rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. 1.3 De Hoge Raad heeft in voormeld arrest van 30 maart 2004 bepaald dat de sanctie van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is volgens de Hoge Raad alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. 1.4 De advocaat-generaal heeft de opvatting gehuldigd dat sinds dit arrest van de Hoge Raad slechts nog op de voet van artikel 359a Sv kan worden beslist tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Het hof deelt die opvatting niet. Dat in het betreffende arrest van de Hoge Raad (HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376) geen woord is gewijd aan het Karman-criterium, bevreemdt het hof niet, nu dat arrest slechts betrekking heeft op de interpretatie van artikel 359a. Ook het in stand laten door de Hoge Raad van het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, dat het niet geboden is om een vergelijkbare, doch minder vergaande, toezegging als waarvan sprake was in het Karman-arrest met de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te sanctioneren (HR 8 april 2003, NJ 2003, 349), rechtvaardigt niet de conclusie dat het Karman-criterium inmiddels achterhaald is. Naar het oordeel van het hof verzet een zo vergaande conclusie zich tegen het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Het hof begrijpt de jurisprudentie van de Hoge Raad daarom zo dat met de toepassing van het zwaarste rechtsgevolg een grote mate van terughoudendheid is geboden. 1.5 Het hof is van oordeel dat een redelijke uitleg van het recht op een eerlijk proces niet alleen een toetsing langs de lijn van artikel 359a Sv op onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek met zich brengt, maar ook dat niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie als sanctie aan de orde kan komen, indien - ook los van mogelijke vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en los van de vraag of daardoor de belangen van de verdachte zijn geschaad - het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd in de kern is aangetast. 1.6 Tegen deze achtergrond zal het hof in de navolgende overwegingen ingaan op de door de raadsman ter onderbouwing van het niet-ontvankelijkheidsverweer aangevoerde gronden. Het hof stelt daartoe telkens eerst een aantal feitelijkheden vast, plaatst deze in het kader van de betekenis voor de vormvereisten in het strafproces bij het voorbereidend onderzoek en beantwoordt tegen die achtergrond vervolgens de vraag of en zo ja welke belangen voor de verdachte mogelijk zijn geschaad (de lijn van art. 359a Sv). Daarenboven zal het hof overwegen of er sprake is van een vormverzuim dat het wettelijk systeem in de kern heeft aangetast (Karman-criteruim). • 2. Startinformatie en de 00-informatie 2.1 De raadsman heeft aangevoerd dat zonder de wetenschap van de inhoud van de 00-informatie ten opzichte van [V] geen redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering kan worden geconstrueerd, zodat er in de beginfase van het onderzoek geen rechtvaardiging bestond om tot de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: BOB) over te gaan. 2.2 Het hof overweegt als volgt. Aan de start van het onderzoek Pictor is het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 ten grondslag gelegd, dat de volgende inhoud heeft: “Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid is in de periode van augustus 2002 tot heden van meerdere informanten de navolgende informatie binnengekomen; [V] steelt, heelt en verkoopt op grote schaal kunst en antiek. Hij maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer].” De verstrekte informatie kon worden aangemerkt als betrouwbaar. De groepschef van de CIE, [A], verklaarde op 16 juni 2009 tegenover de rechter-commissaris dat de informatie het resultaat was van een regelmatige stroom van informatie. De informatie was binnengekomen in de jaren 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006 en was, met uitzondering van een aspect (het telefoonnummer), afkomstig van meerdere informanten. Het telefoonnummer was afkomstig van één informant. Alle informanten waren geregistreerde burgerinformanten en als betrouwbaar ingeschat. De betrouwbaarheid is per melding geverifieerd. Volgens [A] was de informatie eerder niet in een CIE proces-verbaal verwoord, omdat er onvoldoende afnamecapaciteit was bij de tactische teams. Dat veranderde toen het Divisie Management Team (hierna: DMT) op 14 december 2006 een onderzoek besloot op te pakken, dat later “Pictor” (Latijn voor schilder) zou worden genoemd. In januari 2007 zou er capaciteit vrijkomen bij een tactisch team. In de periode tussen 14 december 2006 en 3 januari 2007 werd [A] door de teamleider van het onderzoek, [B], benaderd met het verzoek de CIE informatie te verbaliseren. Alvorens daartoe werd overgegaan, is gekeken of de CIE informatie nog klopte en of er nieuwe informatie voorhanden was. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat in de tussenliggende periode geen nieuwe informatie was binnengekomen. 2.3 Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bij de CIE voorafgaande aan het onderzoek Pictor zogenaamde 00-informatie voorhanden was. Dat is informatie die - bij bekendwording - het gevaar van identiteitsonthulling van een informant in zich draagt en om die reden in tactische zin niet gebruikt kan worden. [A] verklaarde in hetzelfde verhoor bij de rechter-commissaris dat 00-informatie een rol heeft gespeeld bij de beslissing om de CIE informatie over [V] op 14 december 2006 aan te bieden aan het DMT. Dat sluit aan bij de verklaring van het toenmalige hoofd tactisch recherche, [C], die inhoudt dat hem eind november/begin december 2006 00-informatie is medegedeeld en dat hij medio december 2006 00-informatie aan teamleider [B] heeft verschaft. Het sluit ook aan bij de verklaring van [D], inhoudende dat hij van [C] had begrepen dat de 00-informatie of een deel daarvan met [B] is gedeeld en dat de 00-informatie van invloed is geweest bij de beslissing om het onderzoek Pictor te starten. Dat laatste is eveneens verklaard door [E], het toenmalige hoofd van de CIE. Ook de zaaksofficier van justitie mr. Lukowski heeft duidelijk gemaakt dat hij van 00-informatie op de hoogte was voordat hij mondeling het eerste bevel tot stelselmatige observatie had gegeven. 2.4 Hoewel de inhoud van de 00-informatie in verband met bronbescherming niet openbaar is gemaakt en zodoende omtrent de inhoud daarvan geen vaststellingen kunnen worden gedaan, heeft het hof - op basis van de diverse verhoren bij de rechter-commissaris, de raadsheer-commissaris en ter terechtzitting - termen gezien om daarover reeds ter terechtzitting een tweetal uitgangspunten te formuleren. Het eerste uitgangspunt luidt dat reeds bij aanvang van het onderzoek - als onderdeel van de bij de CIE beschikbare informatie - het vermoeden bestond dat als onderdeel van de in het CIE proces-verbaal vermelde “kunst en antiek” ook zou kunnen vallen de (mogelijke handel) van [V] in schilderijen die uit het Frans Hals Museum waren gestolen; het tweede uitgangspunt dat dit onderdeel van de 00-informatie reeds bij de aanvang van het onderzoek aan leden van het tactisch team is medegedeeld. Uit de verschillende getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat 00-informatie van invloed is geweest op de keuze om het onderzoek op te starten. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat een dergelijke keuze als een beleidsbeslissing van politie en justitie moet worden beschouwd; een kwestie die te maken heeft met prioritering en de beschikbare capaciteit. 2.5 Anders dan de raadsman meent, is noch daarmee noch anderszins gebleken of aannemelijk geworden dat 00-informatie de werkelijke (juridische) grondslag voor de inzet van de BOB bevoegdheden tegen [V] is geweest. Bij dit oordeel betrekt het hof dat de zaaksofficier van justitie bij proces-verbaal d.d. 5 september 2011 de stelling poneerde dat hij door de kennis van 00-informatie extra kritisch heeft gekeken naar de rechtmatigheid van de afgegeven bevelen. Het hof begrijpt dit aldus, dat hij zich ervan heeft vergewist of de tactisch bruikbare informatie een voldoende grondslag vormde voor de afgegeven bevelen. Het hof heeft verder in aanmerking genomen dat CIE officier van justitie mr. R. Schuurman kennis heeft genomen van de 00-informatie en daarin voor geen van de verdachten ontlastende aspecten heeft aangetroffen. 2.6 Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of er voor de afgegeven BOB bevelen tegen [V] een voldoende rechtvaardiging bestond. Het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 was de grondslag voor het op 5 januari 2007 mondeling door de officier van justitie gegeven bevel tot stelselmatige observatie van [V]. Dat mondeling bevel is op 9 januari 2007 - aldus twee werkdagen later - op schrift gesteld onder vermelding van de misdrijven gekwalificeerde diefstal en heling. Ook het gebruik van technische hulpmiddelen, zoals camera’s en plaatsbepalingsapparatuur, werd mogelijk gemaakt. Het hof overweegt dat uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat CIE informatie een voldoende basis kan zijn voor de inzet van opsporingsbevoegdheden, mits die informatie concreet van aard en van voldoende gewicht is. In dit geval is de CIE informatie van meerdere als betrouwbaar aangemerkte bronnen afkomstig. De informatie heeft voorts betrekking op een langere periode en is geactualiseerd voordat daarvan gebruik werd gemaakt. Het hof acht de informatie daarom van voldoende gewicht, temeer nu in de informatie ook concreet de diefstal en/of heling van kunst en antiek wordt genoemd. In aanmerking genomen dat de informatie enerzijds de roepnaam, achternaam en het telefoonnummer van de verdachte vermeldt en anderzijds de strafbare feiten waaraan deze zich schuldig zou maken, is het hof van oordeel dat de informatie eveneens voldoende concreet is. Het hof trekt daaruit het gevolg dat het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 naar objectieve maatstaven reeds op zichzelf - en derhalve zonder de aanvullende informatie waarover de politie op dat moment beschikte - een voldoende grondslag biedt voor het bevel tot stelselmatige observatie van [V]. Het hof sluit zich derhalve ook aan bij het oordeel van de rechtbank dat het hierboven onder 2.2 vermelde CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 als zodanig reeds voldoende grondslag vormt voor een verdenking op de voet van artikel 27 Sv tegen [V]. Na dit bevel tot stelselmatige observatie heeft officier van justitie mr. Geldermans op 12 januari 2007 toestemming gegeven tot het gebruik van verkregen onderzoeksgegevens uit het onderzoek Trabant. Op 16 januari 2007 heeft officier van justitie mr. Meillo toestemming gegeven tot het gebruik van verkregen onderzoeksgegevens uit het onderzoek Waldorp. Op 30 januari 2007 werd door de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het opnemen en uitluisteren van het telefoonverkeer van [V]. Naar het oordeel van het hof biedt het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 ook voor deze machtiging een voldoende basis. Op 13 februari 2007 volgde een verzoek van teamleider [B] tot de inzet van de bevoegdheid tot stelselmatige informatie-inwinning. Daartoe relateerde hij bij proces-verbaal dat uit de observaties en afgeluisterde telefoongesprekken bleek dat [V] andere personen op verschillende locaties ontmoette, zoals in cafés of andere horecagelegenheden in de binnenstad van ’s-Hertogenbosch dan wel in de woning van [M jr.] en [M sr.], waardoor de onderlinge communicatie niet of nauwelijks was af te luisteren en dat [V] in de communicatie via de mobiele telefoon zich van cryptisch/versluierd taalgebruik bediende, terwijl gestolen kunst bovendien moeilijk verhandelbaar is en het daarom niet aannemelijk werd geacht dat daarover openlijk via de telefoon zou worden gesproken. De officier van justitie heeft op 14 februari 2007 in die feiten en omstandigheden aanleiding gezien om een bevel af te geven tot het stelselmatig inwinnen van informatie door een of meer opsporingsambtenaren en/of door een of meer personen in de openbare dienst van een vreemde staat, steeds zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden. In dat kader zijn de opsporingsambtenaren A-1303 en A-3028 ingezet, die onder de naam van respectievelijk Geert de Rooy en Susanne werkten. Het hof acht ook dit bevel rechtmatig. Gezien de feiten en omstandigheden heeft de officier van justitie in redelijkheid tot dit bevel kunnen komen. Op 4 april 2007 is vervolgens op bevel van de officier van justitie een politieel pseudokooptraject gestart. Aan dit bevel ligt ten grondslag dat Geert de Rooy op 14 maart en 30 maart 2007 met [V] gesprekken heeft gevoerd, waaruit duidelijk werd dat deze “5 schilderijen uit de tijd van Rembrandt” te koop kon aanbieden. Vanaf dat moment was ook uit tactisch onderzoek aannemelijk geworden dat het zou kunnen gaan om de vijf schilderijen die op 24 maart 2002 uit het Frans Hals Museum te Haarlem waren gestolen. Op 17 september 2007 is voorts door de officier van justitie een bevel infiltratie afgegeven, hetgeen leidde tot de inzet van een politie infiltratieteam, waarvan naast Geert de Rooy en Susanne ook een buitenlandse infiltrant - infiltrant A-1765 alias David - deel uitmaakte. Naar het oordeel van het hof zijn ook deze bevelen gezien de feiten en omstandigheden rechtmatig afgegeven. Bij deze rechtmatigheidsoordelen heeft hef hof steeds in aanmerking genomen dat de bevoegde instantie tot de betreffende bijzondere opsporingsbevoegdheid heeft beslist, dat de procedurele voorschriften zijn nageleefd, dat er is voldaan aan de materiële wettelijke voorwaarden voor de inzet van die bevoegdheden en de geldende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Opmerking verdient daarbij dat door de toepassing van die bevoegdheden in een periode van enkele maanden een steeds zwaardere verdenking op [V] is gaan rusten. 2.7 Ten opzichte van de verdachte is eerst op 5 december 2007 een bijzondere opsporingsbevoegdheid ingezet. Op die dag werd door de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het opnemen en uitluisteren van verdachtes telefoonverkeer. De grondslag voor de verdenking jegens de verdachte vormt het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 4 december 2007. In dat proces-verbaal wordt het volgende naar voren gebracht: - tijdens een ontmoeting tussen [V] en een politieel infiltrant (Geert de Rooy) heeft [V] aangegeven te kunnen bemiddelen in de verkoop van 5 schilderijen die vermoedelijk afkomstig zijn van diefstal; - uit het onderzoek tegen [V] blijkt dat door [V] telefonisch contact wordt onderhouden met de verdachte en diens vader [M sr.]; - uit die telefonische contacten blijkt onder meer dat:
- a)de verdachte op 3 september 2007 naar [V] belde, waarbij [V] tegen de verdachte zei dat hij net aan de deur was bij de verdachte, dat hij woensdagmorgen wel zou komen, dat hij “nog een paar dingen” had en dat de verdachte dat maar tegen zijn vader moest zeggen;
- b)[V] op 26 oktober 2007 naar de verdachte belde, waarbij [V] tegen de verdachte zei dat hij al een paar keer was langs geweest, maar dat de verdachte en zijn vader er niet waren en dat ze volgende week even moesten afspreken;
- c)[V] op 1 december 2007 naar [L] belde, waarbij [V] tegen [L] zei dat zij zo snel mogelijk moesten afspreken, omdat hij “ergens een beslissing over moest nemen” en wilde dat [L] een paar dingen voor hem opzocht;
- d)[V] op 1 december 2007 naar de verdachte belde, waarbij [V] tegen de verdachte zei dat hij dinsdagmorgen wel zou bellen, want “voor 70 procent was het weg”; - uit observaties kan worden afgeleid dat [V] ontmoetingen had met de verdachte en/of zijn vader; - ook uit een eerder onderzoek naar de grootschalige kweek en handel in hennep (onderzoek Trabant) bleek van contacten tussen de verdachte, zijn vader en [V]. Naar het oordeel van het hof kan op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, in redelijkheid ook ten aanzien van de verdachte worden gekomen tot een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, zodat de rechter-commissaris de machtiging rechtmatig heeft verleend. Ook de daaropvolgende machtigingen van de rechter-commissaris voor de bevelen dan wel de verlengingen daarvan tot het opnemen en uitluisteren van verdachtes telefoonverkeer acht het hof rechtmatig verleend. 2.8 Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat noch bij het vaststellen van de aanvangsverdenkingen tegen [V] en de verdachte, noch bij de afgifte van de BOB-bevelen een onherstelbaar vormverzuim heeft plaatsgevonden. Ten overvloede merkt het hof op dat zo ten aanzien van de verdenking tegen [V] al sprake zou zijn geweest van een vormverzuim, de verdachte daarvan geen nadeel heeft ondervonden. De wijze waarop de verdenking tegen [V] tot stand is gekomen, regardeert de verdachte immers niet. • 3. Gebrek aan transparantie omtrent de 00-informatie 3.1 De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie ten aanzien van de 00-informatie niet de nodige transparantie heeft betracht, nu de 00-informatie in strijd met de geldende instructies bij aanvang van het onderzoek is gedeeld met de leden van het tactisch onderzoeksteam. Dat had het openbaar ministerie niet mogen achterhouden, zeker niet nu die 00-informatie een meer concrete verdenking in zich draagt die onmiskenbaar een rol heeft gespeeld bij de start en het verdere verloop van het onderzoek. Onder deze omstandigheden had het openbaar ministerie ten minste de enkele aanwezigheid van 00-informatie transparant moeten maken, aldus de raadsman. 3.2 De advocaat-generaal heeft primair het standpunt ingenomen dat het noch verwoorden van informatie van informanten in een CIE proces-verbaal, dat als basis moet dienen voor een daarop op te starten onderzoek, noch het (zonder toestemming) tactisch delen van 00-informatie als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek kan worden aangemerkt. Dat standpunt heeft hij geschraagd door erop te wijzen dat een CIE proces-verbaal slechts de basis is voor een op te starten onderzoek en dat de functie van de CIE in de eerste plaats het verzamelen, verifiëren, registreren, inwinnen, analyseren en verstrekken van criminele inlichtingen omtrent misdrijven omvat. 3.3 Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 132 Sv wordt onder het voorbereidend onderzoek verstaan “het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat”. Onder dat onderzoek wordt onder meer het opsporingsonderzoek begrepen. In dat verband is van belang dat artikel 132a Sv voorschrijft dat onder opsporing verstaan “het onderzoek in verband met strafbare feiten onder het gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen” wordt verstaan. Kenmerkend daarvoor is dat het onderzoek is gericht op het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Daarvan dient te worden onderscheiden het onderzoek dat de voorbereiding van de opsporing in concrete strafzaken tot doel heeft en niet het nemen van concrete in de wet omschreven strafvorderlijke beslissingen (Kamerstukken II 2004-2005, 30164, 3). In aanmerking genomen dat de CIE belast is met de informatievoorziening betreffende misdrijven en daarbij ook in die zin zelfstandig opereert dat criminele inlichtingen ook ongevraagd worden verstrekt, deelt het hof de opvatting van de advocaat-generaal dat het delen van CIE informatie zich in beginsel aan het voorbereidend onderzoek onttrekt. Echter, naar het oordeel van het hof is dat anders wanneer vanuit de politie dan wel het openbaar ministerie met het oog op een mogelijk op te starten onderzoek het verzoek wordt gedaan aan de CIE om CIE informatie aan te leveren c.q. bestaande CIE informatie te actualiseren, zoals dat zich thans voordoet. Het initiatief ligt in dat geval bij de politie of het openbaar ministerie en moet daarom worden beschouwd als een onderzoek dat is gericht op het nemen van strafvorderlijke beslissingen. In dit geval klemt dat des te meer, nu de officier van justitie al twee dagen nadat het CIE proces-verbaal was opgesteld, een mondeling bevel gaf tot stelselmatige observatie van [V]. Gelet daarop is het hof van oordeel dat de CIE informatie deel uitmaakt van het voorbereidend onderzoek. 3.4 Bij de beantwoording van de vraag of het openbaar ministerie meer transparantie had moeten betrachten ten aanzien van de 00-informatie, stelt het hof het volgende voorop. Een gebrek aan transparantie is inherent aan de aard van 00-informatie. Het niet verbaliseren van 00-informatie is daarom verklaarbaar, terwijl daartegen geen bezwaren behoeven te bestaan. De verbaliseringsplicht als bedoeld in artikel 152 Sv is immers niet absoluut (HR 5 oktober 2010, LJN BL5629). In aanmerking nemende dat de 00-informatie, zoals reeds is overwogen, niet de grondslag vormt voor de wijze waarop het voorbereidend onderzoek is ingericht, stond het de opsporingsambtenaren vrij - en was dat gelet op de aard van de informatie zelfs aangewezen - om het daarover opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten. In aanmerking nemende voorts dat de 00-informatie, zoals reeds is overwogen, geen ontlastende informatie bevat, valt ook niet in te zien op welke wijze de verdachte in zijn procespositie of anderszins is geschaad. 3.5 Dat geldt ook voor de omstandigheid dat 00-informatie in strijd met de indertijd geldende instructies met het tactisch team is gedeeld. Zonder de vereiste toestemming van de toenmalige CIE officier van justitie Van Berkel werd immers aan bepaalde leden van het tactisch team medegedeeld, zoals aan [B] (teamleider van het onderzoek Pictor), [F] (toenmalig teamchef politie) en infiltrantenbegeleider B-1056. Ook de toenmalige zaaksofficier van justitie mr. Lukowski was op de hoogte van 00-informatie. Overigens moet tevens worden aangenomen dat niet álle leden van het tactisch team op de hoogte waren. Dat geldt bijvoorbeeld voor verbalisant [G]. Het hof stelt vast dat de gang van zaken kennelijk in strijd met de binnen de CIE geldende regels. De regels betreffen echter interne instructies en strekken niet ter bescherming van de verdachte, zodat de verdachte daaraan ook geen rechten kan ontlenen. 3.6 Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat ten aanzien van de 00-informatie geen vormverzuim heeft plaatsgevonden. Het verweer wordt in zoverre verworpen. • 4. Opzettelijke misleiding 4.1 De raadsman heeft aangevoerd dat meerdere politieambtenaren hebben gelogen ten aanzien van zaken, zoals de voorbereiding op een verhoor, de kennis van (het bestaan van) 00-informatie en de inzet van politieel infiltrant David. Zodoende zijn de verdediging, de rechtbank en het hof bewust misleid, aldus de raadsman. 4.2 Bij de beoordeling van dit verweer neemt het hof in aanmerking dat de rechtbank ter terechtzitting op verzoek van de verdediging heeft beslist dat [B] door de rechter-commissaris moest worden gehoord. Dat houdt in dat in geen geval sprake kan zijn van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. In gevolge artikel 132 Sv wordt immers onder het voorbereidende onderzoek verstaan “het onderzoek hetwelk aan de behandeling ter terechtzitting voorafgaat”. De sanctie van niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie kan daarom bij dit verweer slechts aan de orde komen, indien het een vormverzuim betreft dat het wettelijk systeem in de kern heeft aangetast. 4.3 Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de teamleider van het onderzoek, [B], tijdens zijn eerste verhoor op 16 juni 2009 tegenover de rechter-commissaris niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard. Hij verklaarde immers dat hij zich niet op het verhoor had voorbereid, terwijl hij bij het tweede verhoor op 14 september 2009 moest toegeven dat hij vóór zijn eerste verhoor een overleg had gevoerd waarin was besproken dat de CIE uitleg zou geven over de 00-informatie. Voor het hof staat niet vast dat [B] tijdens het eerste verhoor ook “kennelijk bewust niet de waarheid heeft verklaard over zijn wetenschap van 00-informatie bij de start van het onderzoek”, zoals door de rechtbank is overwogen. Bij de gelegenheid van dat eerste verhoor verklaarde hij namelijk dat er “niet meer informatie was waarop het onderzoek is gestart dan de informatie die in het politieproces-verbaal is vermeld.” Die verklaring is voor tweeërlei uitleg vatbaar: enerzijds is voorstelbaar dat uit die verklaring de conclusie wordt getrokken dat [B] geen kennis had van 00-informatie, maar anderzijds kan dit ook uitgelegd worden als de voorhanden “strafvorderlijke informatie”, zoals [B] tijdens zijn tweede verhoor heeft gedaan. Onder strafvorderlijke informatie verstond hij dan de informatie die hij tactisch kon gebruiken. Dat is niet onverenigbaar met zijn eerdere verklaring, aangezien hij toen sprak over de informatie waarop het onderzoek is gestart en de omstandigheid dat het CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 de grondslag van het onderzoek is. 4.4 De raadsman heeft bij pleidooi aangegeven dat de verklaringen van [B] in strijd zijn met de door het hof geformuleerde uitgangspunten, hetgeen volgens hem betekent dat [B] heeft gelogen. 4.5 Zoals reeds aan de orde is gekomen, is het hof ervan uitgegaan dat reeds bij aanvang van het onderzoek - als onderdeel van de bij de CIE beschikbare informatie - het vermoeden bestond dat als onderdeel van de in het CIE proces-verbaal vermelde “kunst en antiek” ook zou kunnen vallen de (mogelijke handel) van [V] in schilderijen die uit het Frans Hals Museum waren gestolen. Het hof heeft voorts als uitgangspunt genomen dat dit onderdeel van de 00-informatie reeds bij aanvang van het onderzoek aan leden van het tactisch team is medegedeeld. Het hof heeft deze uitgangspunten geformuleerd in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van het onderzoek. De uitgangspunten zijn ingegeven door een worst-case scenario. De achtergrond daarvan is dat de 00-informatie uit meerdere onderdelen kan bestaan en afkomstig kan zijn van meerdere bronnen op verschillende tijdstippen. Niet valt te achterhalen hoe vaak, hoe gedetailleerd en met welke mate van zekerheid in de betreffende 00-informatie over de uit het Frans Hals Museum gestolen schilderijen is verklaard. Daarbij zijn meerdere varianten mogelijk, variërend van “schilderijen uit de tijd van Rembrandt”, “middeleeuwse meesters” enzovoort. De verschillende functionarissen die daarover zijn ondervraagd, hebben zich allen beroepen op hun geheimhoudingsverplichting in verband met de bescherming van hun bron(nen). Het hof respecteert dat. Dat betekent wel dat niet kan worden achterhaald welke informatie, met welke mate van gedetailleerdheid en zekerheid aan leden van het tactisch team is meegedeeld. De uitgangspunten zijn daarom niet meer dan een werkhypothese van het hof. 4.6 Het hof overweegt dat naar zijn oordeel slechts een onwaarheid kan worden vastgesteld, indien daartegenover een onbetwistbaar gegeven staat. Een verklaring kan dan ook pas bij een voldoende mate van zekerheid als bezijden de waarheid worden beschouwd. Voor de vaststelling dat die verklaring ook leugenachtig is, dient er naar het oordeel van het hof bovendien te worden vastgesteld dat er bewust in strijd met de waarheid is verklaard. Teneinde na te gaan of kan worden vastgesteld dat de verklaringen van [B] (al dan niet bewust) in strijd met de waarheid zijn afgelegd, zal het hof eerst abstraheren van de genoemde uitgangspunten. 4.7 De verklaringen van [B] zijn volgens de raadsman leugenachtig voor zover daarin naar voren komt dat hij bij de start van het onderzoek niets van de diefstal van schilderijen uit het Frans Hals Museum wist, dat de diefstal in het begin van het onderzoek niet bij het team bekend was, dat de diefstal toen ook geen rol speelde en dat het team er volgens hem rond de zomerperiode van 2007 pas achter kwam dat het ging om de uit het Frans Hals Museum gestolen schilderijen. Het hof brengt in herinnering dat geen zekerheid bestaat omtrent de inhoud van (de onderdelen) van de 00-informatie. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [B] niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard ten aanzien van de bekendheid met de diefstal van schilderijen uit het Frans Hals Museum. Voor mogelijk moet worden gehouden dat in eerste instantie een beperkter onderdeel van de 00-informatie, zoals een vermoeden dat het ging om de heling van kostbare schilderijen, is gedeeld met [B] en de andere leden van het tactisch team en dit onderdeel kort daarna verder is gespecificeerd naar de schilderijen die uit het Frans Hals Museum zijn gestolen. Dat sluit in elk geval aan de volgende verklaring van [B]: “Bij de start van het onderzoek wist ik niet het om schilderijen ging. Nee, het is anders. Ik mag daar geen antwoord op geven i.v.m. bronbescherming.” Het past tevens bij de verklaring van infiltrantenbegeleider B-1056 dat “in de periode tussen 5 februari en 14 februari 2007” - en aldus kort nadat het onderzoek in januari 2007 is aangevangen - “in aanwezigheid van de heren [F] en [B] [is besproken], dat het zou gaan om kunstvoorwerpen [en de diefstal daarvan], waaronder schilderijen uit de Rembrandt-periode uit het Frans Hals Museum.” De verklaring van [B] dat het onderzoeksteam pas na c.q. rond de zomervakantie van 2007 wist dat het om de uit het Frans Hals Museum gestolen schilderijen ging, is evenmin evident in strijd met de waarheid. De wetenschap dat het onderzoek daadwerkelijk op die specifieke schilderijen betrekking had, in die zin dat daarover zekerheid kwam te bestaan, ontstond pas toen [V] op 17 oktober 2007 foto’s van de schilderijen aan Geert de Rooy overhandigde. Dat hebben ook andere getuigen verklaard, zoals de infiltrantenbegeleider B-1056 en het toenmalige hoofd van de tactische recherche [C]. Voor die tijd bestonden daarover al wel vermoedens, die door de inhoud van de besprekingen tussen Geert de Rooy en [V] steeds sterker werden, maar die hoeven niet als wetenschap te worden gekwalificeerd. Het hof is aldus van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de door de raadsman aangehaalde verklaringen in strijd met de waarheid zijn afgelegd. 4.8 Het vorenstaande laat echter onverlet dat de aangehaalde verklaringen wel in strijd zijn met de werkhypothese van het hof. Het hof houdt vast aan die werkhypothese, doch zonder zich daarbij uit te spreken over het waarheidsgehalte van de verklaringen van [B]. De mogelijkheid wordt slechts voor ogen gehouden dat de verklaringen in strijd met de waarheid zouden kunnen zijn. Aangezien daarnaar geen nader onderzoek is verricht, zal het hof - in het voordeel van de verdachte - daaraan consequenties verbinden als ware de verklaringen bewust in strijd met de waarheid. 4.9 De raadsman heeft voorts aangevoerd dat [B] ook heeft gelogen toen hij tegenover de rechter-commissaris verklaarde dat de naam “[M sr.]” bij de start van het onderzoek niet in beeld was gekomen. Het hof deelt die conclusie niet. Weliswaar heeft [C] verklaard dat hij de naam “[M sr.] [aan [B] had] genoemd, toen [hij] hem zei het onderzoek te gaan draaien, omdat [hij] de naam [M sr.] wel van belang achtte” - een verklaring die lijnrecht tegenover de verklaring van [B] staat -, maar dat rechtvaardigt nog niet de conclusie dat [B] (bewust) in strijd met de waarheid heeft verklaard. Mogelijk heeft [B] op dit punt niet overeenkomstig de waarheid verklaard, maar mogelijk is ook dat [B] een andere herinnering van het gesprek met [C] heeft. 4.10 De raadsman heeft voorts aangevoerd dat [F], destijds teamchef van het Politie Infiltratie Team en tevens infiltrantenbegeleider, eveneens in strijd met de waarheid heeft verklaard. Hij verklaarde tegenover de rechter-commissaris namelijk dat het volgens hem “na het tweede contact van Geert met [V], op 14 maart 2007, al duidelijk [was] dat het ging om de schilderijen die gestolen waren uit het Frans Hals Museum”. Het hof vermag niet in te zien op welke wijze dat strijdig is met de verklaring van de infiltrantenbegeleider B-1056. Die verklaring houdt immers in dat “in de periode tussen 5 februari en 14 februari 2007 […] in aanwezigheid van de heren [F] en [B] [is besproken], dat het zou gaan om kunstvoorwerpen [en de diefstal daarvan], waaronder schilderijen uit de Rembrandt-periode uit het Frans Hals Museum”. Nog daargelaten dat het niet evident is dat zij in hun verklaringen over een gelijke gradatie van dat vermoeden (mogelijk, aannemelijk, of waarschijnlijk) spreken, kan zelfs worden verdedigd dat de verklaringen met elkaar in overeenstemming zijn. Wanneer er tussen 5 februari en 14 februari 2007 is besproken dat het zou gaan om de schilderijen uit het Frans Hals Museum, stemt dat overeen met de omstandigheid dat dit op 14 maart 2007 “al” duidelijk was. Er is mogelijk sprake geweest van een toenemende mate van zekerheid dat het zou gaan om de uit het Frans Hals Museum gestolen schilderijen. 4.11 Het hof deelt evenmin het standpunt van de raadsman dat [Y], het hoofd van de CIE, evident in strijd met de waarheid heeft verklaard. Hoewel de verhoren bij de raadsheer-commissaris en het hof stroef verliepen, zijn haar verklaringen niet in strijd met de door de raadsman aangehaalde verklaringen van [B], [H] en [Z]. [Y] heeft verklaard dat de bespreking in 2009 op haar initiatief werd genomen in verband met het handhaven van afschermingsbelangen. Zij nam aan dat een aantal van de aanwezigen op de hoogte waren van de 00-informatie. De bespreking ging over de CIE methodiek. Het onderwerp van de bespreking hield onder meer in wie wel en wie niet op bepaalde vragen antwoord kon geven. De raadsman leest in de verklaringen van [B], [H] en [Z] dat [Y] over de inhoud van de 00-informatie heeft gesproken, maar er is een andere lezing mogelijk. In hun verklaringen kan naar het oordeel van het hof ook worden gelezen dat [Y] over het bestaan van de 00-informatie en de consequenties daarvan heeft gesproken zonder daarbij op de inhoud in te gaan. 4.12 Ook voor de stelling van de raadsman dat rondom de inzet van politieel infiltrant David (A-1765) “een loopje met de waarheid” lijkt te zijn genomen, ziet het hof geen aanwijzingen. Het hof is hetzelfde oordeel toegedaan als de rechtbank. Dat David tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij [V] voor het eerst dacht te hebben gezien in maart of april 2007 en dat hij geloofde dat [V] hem bij de tijdens de ontmoeting op 10 maart 2008 herkende, is weliswaar verwarrend, maar uit het onderzoek is voldoende duidelijk geworden dat zijn eerste inzet pas op 10 maart 2008 in het Kruisherenhotel te Maastricht heeft plaatsgevonden. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat dit onderdeel van de door David afgelegde verklaring op een onjuiste herinnering berust. Datzelfde geldt voor de mededeling van de officier van justitie tijdens de onderbreking van het verhoor van David, die inhoudt dat de door David genoemde ontmoeting in april 2007 naar zijn herinnering heeft plaatsgevonden. Bij dit oordeel heeft het hof de volgende omstandigheden in aanmerking genomen. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris heeft David verklaard dat hij vóór zijn eerste ontmoeting met [V] van de Nederlandse politie foto’s van de schilderijen had gekregen en dat die eerste ontmoeting in een auto bij een café had plaatsgevonden, waarbij [V] - in aanwezigheid van Geert de Rooy - liet weten zich te schamen voor het feit dat hij de foto’s met de schilderijen en recente krantenkoppen niet zij zich had. Voor zover hier van belang blijkt uit de verschillende processen-verbaal die Geert de Rooy van zijn ontmoetingen heeft opgemaakt dat: - [V] op 17 oktober 2007 voor het eerst foto’s van de schilderijen heeft overhandigd; - [V] op 16 april 2008 een voorstel deed waarbij vijf recente foto’s van de schilderijen aan Geert de Rooy zouden worden overhandigd; - [M jr.] ([P]) diezelfde dag nog tegen Geert de Rooy zei dat hij die foto’s een dag later aan [V] zou geven; - [V] op 17 april 2008 in café Mazzeltoff tegen Geert de Rooy zei dat hij de foto’s niet had; - [V] vervolgens met Geert de Rooy naar diens auto was gelopen om in die auto zijn verontschuldigingen aan te bieden. De door David beschreven ontmoeting sluit derhalve aan op de bevindingen van Geert de Rooy met betrekking tot de ontmoeting op 17 april 2008. Daar komt nog het volgende bij. Zowel Geert de Rooy als de infiltrantenbegeleider B-1056 hebben stellig verklaard dat de eerste ontmoeting tussen Geert de Rooy en [V] plaatsvond op 10 maart 2008. Op 6 september 2011 werd David opnieuw gehoord en bij die gelegenheid verklaarde hij dat de eerste ontmoeting in een hotel in Maastricht was, op dezelfde dag dat in het jaar 2008 de TEFAF in Maastricht werd gehouden. Anders dan de raadsman meent, volgt uit de verklaringen van Geert de Rooy, [F] en [C] niet dat David reeds in 2007 is ingezet. Voor zover zij verklaarden over de contacten met David in het jaar 2007, hadden die verklaringen betrekking op contacten die aan de eerste inzet voorafgingen. [C] was namelijk al in 2007 op zoek gegaan naar een infiltrant die “kunst als covervaardigheid” bezat en had vanuit zijn internationale netwerk in Engeland iemand gevonden. Infiltrantenbegeleider B-1056 heeft verklaard dat er met David vanaf april 2007 contact is geweest. Geert de Rooy heeft verklaard dat hij in 2007 met David meerdere keren contact heeft gehad over deze zaak. [F] heeft verklaard dat hij “rond de eerste voorgenomen levering” (het hof begrijpt: rond 11 maart 2008) van David hoorde dat het volgens hem om de schilderijen uit het Frans Hals Museum zou gaan. In zijn verklaring zou tevens kunnen worden gelezen dat David dit vermoeden reeds had na de tweede ontmoeting tussen Geert de Rooy en [V], die op 14 maart 2007 plaatsvond. Wat daar echter ook van zij, uit geen van deze getuigenverklaringen komt naar voren dat David en [V] elkaar reeds in de periode voorafgaand aan 10 maart 2008 hebben ontmoet. De andersluidende verklaring die [V] tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd, kan dat niet anders maken. [V] heeft weliswaar verklaard dat de ontmoeting op 10 maart 2008 niet de eerste ontmoeting was, maar heeft van die eerdere ontmoeting geen details (datum, plaats of gebeurtenis) gegeven. Het hof schuift zijn verklaring daarom terzijde. Het voorgaande betekent dat naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat ten aanzien van de inzet van David relevante informatie is achtergehouden en dat evenmin is gebleken dat in strijd met de verbaliseringsplicht heeft gehandeld. 4.13 Gelet op al het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verklaring van [B] met betrekking tot de voorbereiding op zijn eerste verhoor niet overeenkomstig de waarheid was en dat het er - gelet op de te hanteren werkhypothese in het voordeel van de verdachte - verder voor moet worden gehouden dat datzelfde geldt voor zijn verklaringen ten aanzien van de start van het onderzoek. Het door een politieambtenaar bewust geven van een onjuiste voorstelling van zaken kan er onder omstandigheden toe leiden dat de rechterlijke controle op het opsporingsonderzoek ernstig wordt bemoeilijkt, hetgeen de kern van het strafproces raakt. In het onderhavige geval is die controle echter niet wezenlijk bemoeilijkt, nu de (hypothetische) onwaarheden betrekking hebben op ondergeschikte aspecten van de zaak, te weten de voorbereiding op een verhoor en de kennis van 00-informatie die bij de beoordeling van de rechtmatigheid van generlei waarde is. Daarbij merkt het hof op dat [B] door de kennis van 00-informatie en de kennelijk op voorhand gemaakte afspraken omtrent zijn verklaringen ten aanzien van 00-informatie (afspraken met [H] en [C] voorafgaand aan zijn verhoor op 16 juni 2009 bij de rechter-commissaris) in een zeer ongelukkige positie is terechtgekomen. Mogelijk zijn meerdere betrokkenen verantwoordelijk voor de bijzonder ongewenste gang van zaken rondom het delen van 00-informatie, maar voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de in het onderzoek genomen beslissingen acht het hof dit - zoals hiervoor onder 2.1 tot en met 2.6 overwogen - niet bepalend. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in dit geval niet aan de orde is. Dat neemt niet weg dat het opzettelijk onjuist verklaren ten overstaan van een rechter-commissaris op zichzelf al buitengewoon ernstig is en dat dit naar het oordeel van het hof gesanctioneerd dient te worden. Het hof sluit daarvoor aan bij de sanctiemogelijkheden van artikel 359a Sv en zal bij een veroordeling strafvermindering toepassen, waarbij - het zij herhaald - in het voordeel van de verdachte wordt uitgegaan van de werkhypothese dát opzettelijk onwaarheid is verteld. • 5. Geheimhoudersgesprekken 5.1 De raadsman heeft aangevoerd dat een aanzienlijk aantal “geheimgesprekken” tussen de verdachte en diens medeverdachten enerzijds en verschoningsgerechtigden anderzijds is geïntercepteerd en uitgeluisterd, maar door de officier van justitie niet dan wel niet tijdig is vernietigd. De verdachte maakte gebruik van hetzelfde faxnummer als zijn vader en heeft ook daadwerkelijk faxen vanaf dat nummer naar het kantoor van de raadsman verzonden. Nu in de procedure van zijn vader twee geheimhoudersfaxen zijn achterhaald, die vanaf zijn faxnummer zijn verzonden, is sprake van een grovere en grootschaligere inbreuk op het verschoningsrecht dan het dossier doet vermoeden, aldus de raadsman. 5.2 Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof voorop dat met het in artikel 126aa, tweede lid, Sv vervatte voorschrift wordt beoogd het belang te beschermen dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde zich kan wenden tot een geheimhouder voor bijstand en advies. Dat voorschrift strekt ertoe dat gegevens onmiddellijk worden vernietigd, indien zij vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv, zodat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen (HR 11 oktober 2011, LJN BR0552). 5.3 Het hof overweegt als volgt. Er zijn in het onderzoek Pictor, dat zo’n anderhalf jaar heeft geduurd, circa 70.000 gesprekken geïntercepteerd. In de periode van 15 februari 2007 tot en met 5 december 2008 heeft de officier van justitie 349 van die gesprekken laten vernietigen. Hij deed dat bij 61 afzonderlijke en op schrift gestelde bevelen. Na sluiting van het politieonderzoek, maar voorafgaande aan de eerste inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van de rechtbank, heeft de officier van justitie uit het oogpunt van zorgvuldigheid de opdracht gegeven om de tapprocedures nogmaals te controleren op de aanwezigheid van geheimhoudersgesprekken. Bij deze hercontrole kwamen in totaal nog 71 geheimhoudersgesprekken aan het licht, waarvan er 20 betrekking hadden op de procedure ten aanzien van [V], 50 op die ten aanzien van [M sr.] en 1 op die ten aanzien van [M jr.] met dien verstande dat onder die gesprekken mede werden verstaan telefonische contacten met geheimhouders zonder dat daadwerkelijk een gesprek tot stand was gekomen. De officier van justitie heeft direct na het ontdekken van deze gesprekken de vernietiging ervan bevolen en de verdediging daarvan bij brief d.d. 16 maart 2009 op de hoogte gebracht. De rechtbank heeft die vernietiging echter ter terechtzitting van 1 april 2009 bevroren teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen die geheimhoudersgesprekken te controleren. In het stadium daarna heeft de verdediging in de procedure ten aanzien van [M sr.] nog twee geheimhoudersfaxen aangetroffen. Daarbij ging het om een faxbericht van [M sr.] gericht aan een administratiekantoor met daaraan gehecht een brief van zijn advocaat en een faxbericht zonder voorblad van [M sr.] gericht aan zijn advocaat die inhoudelijk handelde over een drank- en horecavergunning. Vervolgens heeft de officier van justitie in het kader van een landelijke opschoonactie nogmaals een hercontrole laten uitvoeren. Dat gebeurde met een nadere digitale scan, een scan die fijnmaziger is dan de scan die was gebruikt bij de eerdere hercontrole. Bij deze laatste controle werden nog eens 34 geheimhoudersgesprekken achterhaald. De officier van justitie heeft daarover ter terechtzitting van 10 maart 2009 verantwoording afgelegd. De gesprekken werden grotendeels gevoerd door personen die geen verdachte zijn in de onderhavige strafzaak en gingen vrijwel zonder uitzondering over het maken van een afspraak. Uit het dossier blijkt niet van daadwerkelijke vernietiging van de geheimhoudersgesprekken die sinds de eerste hercontrole zijn achterhaald; daarvan zijn het hof geen processen-verbaal van vernietiging bekend. De opdracht is daartoe gegeven, maar het hof kan niet vaststellen of daaraan uitvoering is gegeven. Het hof houdt het er daarom voor dat de geheimhoudersgesprekken niet zijn vernietigd. 5.4 De raadsman heeft aangevoerd dat de bijzonderheid in dit geval gelegen is in de vondst van twee geheimhoudersfaxen. Volgens hem is er sprake van een grove en grootschalige wijze inbreuk gemaakt op het verschoningsrecht, nu de verdachte van hetzelfde faxnummer als zijn vader gebruik maakte en daarmee faxen naar het kantoor van de raadsman heeft verstuurd. Het frappeert het hof echter dat de raadsman ter onderbouwing van die bewerking geen enkele fax van de verdachte heeft overgelegd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is ook anderszins niet aannemelijk geworden dat bepaalde geheimhoudersgesprekken nog niet zijn achterhaald. 5.5 Wel blijkt uit het vorenstaande dat in elk geval een aantal geheimhoudersgesprekken niet terstond is opgemerkt en bovendien nog altijd niet is vernietigd. Zodoende is in strijd met artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gehandeld. Dat is een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. 5.6 Van belang acht het hof dat het ontdekken van de geheimhoudersgesprekken voornamelijk op het conto van de officier van justitie is te schrijven, die tot tweemaal toe een digitale scan heeft laten uitvoeren en resultaten daarvan aanstonds aan de verdediging heeft gemeld. De twee geheimhoudersfaxen die door de verdediging in de procedure van [M sr.] zijn aangetroffen, hebben zich om begrijpelijke redenen (het ene bericht was gericht aan een administratiekantoor en het andere had geen voorblad) aan de eerste hercontrole kunnen onttrekken. Van belang acht het hof ook dat het aantal aangetroffen geheimhoudersgesprekken beperkt in aantal is geweest en niet louter betrekking had op contacten tussen de verdachte en diens advocaat. Dat vormt een indicatie dat het verzuim niet specifiek gericht was op gesprekken die verband zouden kunnen hebben met het onderzoek. Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting nog niet in het minst aannemelijk is geworden dat de inbreuken op het verschoningsrecht moedwillig zijn begaan. De ernst van het verzuim dient in zoverre te worden genuanceerd. 5.7 Uit het onderzoek ter terechtzitting is bovendien niet gebleken of aannemelijk geworden dat de politie of het openbaar ministerie direct of indirect gebruik heeft gemaakt van informatie die op welke wijze dan ook kan worden herleid tot een of meer van deze geheimhoudersgesprekken. De stelling dat de invloed van die gesprekken op het onderzoek niet meer te toetsen is, mist deels feitelijke grondslag, nu de vernietiging van de bij de hercontrole ontdekte gesprekken juist door de rechtbank was bevroren teneinde controle daarop door de verdediging mogelijk te maken. De verdediging heeft niet aangevoerd dat die gesprekken erop wijzen dat informatie uit die gesprekken in het onderzoek zijn gebruikt. Het hof concludeert dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte door het verzuim enig nadeel heeft ondervonden. 5.8 Anders dan de rechtbank is het hof daarom met de advocaat-generaal van oordeel dat tegen deze achtergrond geen rechtsgevolg aan het verzuim behoeft te worden verbonden. In aanmerking nemende de gerelativeerde ernst van het verzuim en het ontbreken van enige benadeling van de verdachte, volstaat het hof met de enkele constatering dat een verzuim heeft plaatsgevonden. Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd, leidt het hof niet tot een ander oordeel. Het verweer wordt in zoverre verworpen. • 6. Vrije toegang tot de raadsman 6.1 De raadsman heeft ten verweer aangevoerd dat de verdachte in de Penitentiaire Inrichting ten onrechte de vrije toegang tot zijn advocaat is ontzegd, in die zin dat hem telefonisch contact met de raadsman werd verboden en dat in een later stadium de “telefoontijd” met de raadsman werd afgetrokken van de tijd die hij wekelijks kreeg om met zijn familie via de telefoon te spreken. De raadsman heeft daarover bij de directeur geklaagd, maar dat heeft niet tot verandering geleid. De voorbereiding van de strafzaak werd daarmee bemoeilijkt, aldus de raadsman. 6.2 Het hof overweegt als volgt. Een vrije toegang tot een raadsman is een belangrijk recht dat een verdachte toekomt. In detentie kunnen aan dat recht weliswaar restricties worden gesteld, maar die restricties mogen er niet op neerkomen dat het recht volledig wordt uitgehold. Indien daarvan sprake zou zijn, zou dat een ernstig vormverzuim opleveren. De raadsman moet worden nagegeven dat hij reeds op de eerste pro forma terechtzitting van de rechtbank, de terechtzitting van 15 december 2008, heeft medegedeeld dat de directeur van het huis van bewaring in Grave “wekenlang de vrije toegang van [zijn] cliënt tot [hem] op ernstige wijze [had] belemmerd” en dat hij “daarover een klacht [had] ingediend”. In reactie op die klacht had hij te horen gekregen dat gedetineerden maximaal tien minuten per week mochten bellen, ongeacht naar wie. De raadsman stelde zich vervolgens op het standpunt dat dit een ernstig vormverzuim opleverde dat de onmiddellijke invrijheidsstelling van de verdachte rechtvaardigde. De officier van justitie heeft vervolgens medegedeeld dat hij daarover met de directeur contact zou opnemen. De rechtbank besliste diezelfde terechtzitting dat de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 16 december 2008 werd geschorst. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de belemmering zich daarin bevond dat de raadsman niet telefonisch werd doorverbonden naar de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de raadsman in die periode in het geheel geen contact met de verdachte heeft kunnen hebben. In dit verband wijst het hof erop dat het op 16 oktober 2008 gehouden verdachtenverhoor plaatsvond, nadat de raadsman de politie erop had gewezen dat de verdachte een verklaring wilde afleggen. De verdachte heeft tijdens dat verhoor vervolgens in aanwezigheid van de raadsman een verklaring afgelegd over onder meer de in zijn woning aangetroffen wapens en de in zijn woning en die van zijn vader aangetroffen geldbedragen. Daar komt nog bij dat ter terechtzitting in hoger beroep nog is nagegaan of de verdachte met betrekking tot de genoemde belemmering bij de directeur een klacht had ingediend; dat bleek niet het geval te zijn geweest. De verdachte bleek slechts te hebben geklaagd over de “weigering alleen op cel”. Het doen van een klacht in de zin van de Penitentiaire Beginselenwet had wel in de rede gelegen, indien de belemmering van het contact met de raadsman ernstig was verstoord. Het hof acht daarom niet aannemelijk dat een onherstelbaar vormverzuim heeft plaatsgevonden. Zo daarvan wel sprake zou zijn geweest, valt overigens niet in te zien op welke wijze de verdachte daarvan nadeel heeft ondervonden en kan worden volstaan met de enkele constatering van dat verzuim. Vastgesteld is immers dat de verdachte voorafgaand aan de eerste pro forma terechtzitting met de raadsman contact heeft gehad, terwijl de rechtbank vervolgens op diezelfde terechtzitting besliste dat de voorlopige hechtenis van de verdachte werd geschorst. Ten slotte merkt het hof nog op dat de voorzitter tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep op 23 april 2012 onmiddellijk voorafgaand aan het requisitoir expliciet aan de raadsman heeft gevraagd of er nog (nieuwe) verzoeken of onderzoekswensen waren of dat aan alle verzoeken/wensen was voldaan. De raadsman heeft hierop gereageerd dat er van de zijde van de verdediging geen (nieuwe) verzoeken of wensen meer waren. Tegen de achtergrond van deze reactie leest het hof de door de raadsman op pagina 13 bovenaan van zijn pleidooi gemaakte opmerkingen dan ook niet als een verzoek van de raadsman om alsnog de toenmalige Directeur van Penitentiair Inrichting te horen. • 7. Overschrijding van de redelijke termijn 7.1 De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM die niet aan de verdediging te wijten is. De lange duur van het strafproces is te wijten aan de politie en het openbaar ministerie, nu deze niet over de aanvang van het onderzoek niet eerlijk zijn geweest, aldus de raadsman. 7.2 Het hof overweegt als volgt. Nog afgezien dat een overschrijding van de redelijke termijn ook in uitzonderlijke gevallen niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het hof van oordeel dat in dit geval van een dergelijke overschrijding ook geen sprake is. De redelijke termijn is aangevangen op 13 september 2008 toen de verdachte in verzekering werd gesteld. Sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 15 december 2008 heeft hij de uitspraak van de rechtbank in vrijheid kunnen afwachten. De behandeling van de zaak heeft de rechtbank op 14 april 2010 - aldus ruim binnen een termijn van twee jaren - met een eindvonnis afgerond. De verdachte heeft nog diezelfde dag hoger beroep ingesteld. De behandeling in tweede aanleg is vervolgens (net) niet met een eindarrest binnen twee jaren afgerond, maar daarvoor zijn bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Het hof heeft immers op verzoek van de verdediging uitgebreid nader onderzoek gedaan. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Het verweer wordt derhalve verworpen. • 8. Eindconclusie Uit het vorenstaande volgt dat de verschillende gronden - elk op zich genomen - niet leiden tot het oordeel van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de voet van artikel 359a Sv. Evenmin leidt de toetsting aan het Karman-criterium (zie overweging 1.6) tot een dergelijk oordeel. Ook de hierboven vermelde overwegingen onder 2 t/m 7 leiden, in onderling verband en samenhang bezien, niet tot een dergelijk oordeel. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof ook anderszins geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan. Het hof is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging van de verdachte kan worden ontvangen. G. Bewijs voor het onder 1 ten laste gelegde • 1. De diefstal van vijf schilderijen uit het Frans Hals Museum In de avond van 24 maart 2002 werd geconstateerd dat er in het Frans Hals Museum was ingebroken en dat er in totaal vijf schilderijen waren weggenomen. Het ging om “De Kwakzalver” en “De tevreden drinker” van Adriaen van Ostade, “De kwakzalver” van Jan Steen, “Drinkgelag” van Cornelis Dusart en “De straatmuzikanten” van Cornelis Bega. Van de diefstal werd aangifte gedaan door [I], die een en ander als volgt verwoordde. “Op 24 maart 2002, omstreeks 21:30 uur, werd ik gebeld door een collega van mij, […] [J]. [J] vertelde aan mij dat er een inbraak had plaatsgevonden in het Frans Hals Museum. […] In de [zaal genaamd ‘Kabinetten’] zijn er vier schilderijen weggenomen. Hierbij overhandig ik u 4 beschrijvingen van de schilderijen die uit deze kamer zijn weggenomen. Dit betreft de navolgende schilderijen met de naam: 1. Kwakzalver van de schilder Van Ostade (het hof begrijpt:Adriaen van Ostade); 2. Tevreden drinker van de schilder Van Ostade (het hof begrijpt: Adriaen van Ostade); 3. Kwakzalver van de schilder Jan Steen; 4. Drinkgelag van de schilder Dusart (het hof begrijpt: Cornelis Dusart). Verder zag ik ook dat men ook [een schilderij heeft weggenomen] […] uit de ‘Zuidgang’ […]: [het schilderij met de naam] Straatmuzikanten van de schilder Bega (het hof begrijpt: Cornelis Bega). […] De weggenomen goederen zijn in eigendom van de genoemde benadeelde. […] - Benadeelde [K]: […] schilderij van Jan Steen met de titel Kwakzalver. […] - Benadeelde het Frans Hals Museum: […] schilderij van [Van] Ostade [met de titel] Tevreden Drinker, […] schilderij van Dusart [met de titel] Drinkgelag, […] schilderij van Bega [met de titel] Straatmuzikanten]. […] - Benadeelde Rijksmuseum: […] schilderij van [Van] Ostade [met de titel] Kwakzalver.” • 2. Kennismaking infiltranten met [V] 2.1 Op 14 maart 2007 ging politieel infiltrant A-1303, alias Geert de Rooy , samen met politieel infiltrant A-3028, alias Susanne , naar restaurant brasserie Christoffel te ’s-Hertogenbosch teneinde contact te maken met [V]. Dat contact kwam tot stand op terras van dat restaurant. [V] vertelde dat hij wat in de kunst deed. Toen A-3028 het terras had verlaten, vroeg hij of de Joodse vriend van Geert de Rooy uit Londen echt verstand had van kunst. [V] zei dat hij dan wel wat voor die vriend had. Het was al 6 jaar weg en vertegenwoordigde een waarde van minstens 10 miljoen euro, maar “zij” wilden er 1,75 miljoen euro voor hebben. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op woensdag 14 maart 2007 kreeg ik, politieel infiltrant A-1303, van mijn begeleidingsteam de opdracht, om samen met politieel infiltrant A-3028, te gaan naar restaurant brasserie Christoffel […] te Den Bosch. Ik moest daar proberen contact te maken met [V]. Op woensdag 14 maart 2007, omstreeks 13:10 uur, nam ik, A-1303 samen met A-3028, plaats op het terras van eerder genoemd restaurant. Ik, A-1303, zat samen met A-3028 aan dezelfde tafel als de mij bekende [V] die daar de krant zat te lezen. Ik,A-1303, vroeg aan [V] of hij bezwaar had dat wij, op de daar enige vrije plaatsen, bij hem aan de tafel aanschoven. [V] zei dat hij dat niet erg vond […]. Ik, A-1303, hield daar samen met A-3028, een algemeen gesprek over de omgeving, eten e.d. en toen ons bestelde eten kwam, mengde [V] zich in ons gesprek en vertelde dat het hier goed eten was. […] Toen we spraken over goed eten vertelde ik, A-1303, dat ik laatst in Londen was geweest was, waar ik samen met een Joodse vriend, die veel zaken doet met o.a. Russen, heerlijk had gegeten. [V] vertelde dat hij ook wel eens in Londen was geweest en dat daar veel geld zat. [V] vertelde dat hij laatst op de TEFAF in Maastricht was geweest waar ook veel mensen met veel geld rond liepen. […] Ons gesprek ging toen in het algemeen verder over de kunst. […] [V] vertelde dat […] hij zelf ook wat in de kunst […] deed. […] Nadat ik, A-1303, nog even met A-3028 sprak, namen wij, A-1303 en A-3028, afscheid en verliet A-3028, omstreeks 14.15 uur, het genoemde terras. Toen ik, A-1303, kort hierna alleen met [V] aan het tafeltje zat, […] zei [V] dat hij net had zitten luisteren en vroeg of ik die Joodse vriend van mij uit Londen vaak zag. Ik, A-1303, zei dat ik die wel eens zag en dat Londen niet zo ver weg, zodat als het nodig was we elkaar in no time konden spreken. […] [V] vroeg of die vriend echt verstand van kunst had. Vervolgens zei [V]:‘Die kent de juiste mensen wel zeker’. Ik, A-1303, zei dat we een aardig netwerk hadden en dat hij o.a. ook zaken deed met Russen. [V] zei:‘Ik heb wel wat voor die vriend van je’. Ik, A-1303, bestelde bij de ober wat te drinken voor [V] en mijzelf en zei tegen hem dat we elkaar niet eens kende. Ik stak mijn hand uit en zei ‘Ik ben Geert’, waarop [V] zei: ‘Ik ben [V]’. Ik, A-1303, vroeg aan [V] waar hij over sprak. […] Ik, A-1303, zei dat ik niet hoefde te weten waarover hij sprak, maar wel in welke orde van grootte. [V] zei: ‘de waarde, de waarde 10 miljoen, maar als je de juiste mensen hebt tussen de 12 en 14 miljoen, net hoe graag ze het willen’. Ik, A-1303, zei dat ik niks aan de waarde had. [V] zei:‘wij willen er één komma zevenhonderdvijftig miljoen voor hebben’. […] Ik, A-1303, vroeg of het erg heet was. [V] zei dat het al zes jaar weg was, maar [dat] daar waar het nu stond, het goed stond. […] Ik, A-1303, zei dat ik er eens rustig over na wilde denken en vroeg of Christoffel zijn vaste tent was waar ik hem kon treffen. [V] zei dat hij elke vrijdag om 18:00 uur in café Reinders […] zat, waarbij ik, A-1303, zag dat [V] [naar] een café achter hem wees. Ik, A-1303, zei […] dat ik het rustig aan wilde doen en dat ik hem daar dan eventueel wel zou treffen.” 2.2 Een volgende ontmoeting tussen Geert de Rooy en [V] vond plaats op 30 maart 2007 in café Reinders. Tijdens die ontmoeting vertelde [V] dat hij vijf schilderijen van verschillende Nederlandse grootmeesters te koop had, waarvan hij wist - zo leidt het hof uit zijn woorden af - dat deze van diefstal afkomstig waren. De schilderijen stonden niet bij hem: een andere man had ze. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op vrijdag 30 maart 2007, omstreeks 18:10 uur, ging ik, A-1303, café Reinders […] te Den Bosch binnen. Binnen […] zag ik de mij bekende [V] met een voor mij onbekende man staan praten. […] [V] [kwam] naast mij aan de bar […] staan. […] Ik, A-1303, vroeg aan [V] of hij nog even tijd voor me had. [V] zei jazeker, bestelde wat te drinken en liep mij voor naar een tafeltje achterin de zaak. […] [V] en ik, A-1303, namen plaats aan het tafeltje, waarbij ik, A-1303, [V] vroeg of we daar goed konden praten. [V] zei dat dat kon want iedereen kende hem hier, maar niemand weet dat ik in schilderijen doe. […] [V] vroeg toen ‘Heb je hem uit Londen nog gesproken’. Ik, A-1303, zei dat dat inderdaad zo was, maar dat we er niet zoveel mee konden omdat we niet wisten waar het over ging. Ik, A-1303, zei dat die vriend, voor zaken met mij, half komende week hier zou zijn. Ik, A-1303, zei dat ik wat meer moest weten om mijn vriend over te halen om naar hier, Den Bosch, te komen om met [V] te praten. […] [V] zei dat hij voor meer dan honderd procent zeker wist dat als mijn vriend er verstand van had en iemand wist die het weg kon hangen, het de moeite waar was. [V] zei ‘Je kunt het zo op internet nakijken, als je het 15 jaar hebt, is het je eigendom. […] [V] zei dat hij geld kon gebruiken en dat hij het daarom deed. [V] zei dat de man die het nu heeft het voor het geld niet hoeft te doen, maar dat die man het hem gunt. [V] zei dat de eigenaar het heel graag terug zou willen hebben en dat het alleen in een museum aan de muur hangt. Ik, A-1303, zei dat ik hiermee mijn vriend nog niet kon overtuigen. [V] zei dat hij mij geen foto kon geven, omdat hij zelf dan gevaar zou lopen. [V] zei dat ik hem dan kon weg tippen en dat ze hem konden gijzelen, omdat ze zouden denken dat hij van de diefstal wist. Ik, A-1303, zei dat ik dat begreep, maar dat wij ook risico liepen en dat ik mijn vriend dus niet zomaar voor iets onbekends bij een onbekende zou laten komen. [V] zei toen dat het om vijf schilderijen ging van Nederlandse grootmeesters. Ik, A-1303, vroeg of het verschillende grootmeesters waren. [V] zei dat dat zo was. [V] zei ‘Zeg maar uit de tijd van Rembrandt’. Ik, A-1303, vroeg hoe ik de eerder door [V] genoemde waarde dan voor deze vijf schilderijen moest zien. [V] zei dat de totale waarde zeker twaalf miljoen zou zijn en dat er één schilderij bij zat wat zes miljoen waard was. [V] zei dat als de rest niet goed was, we op dat ene schilderij van zes miljoen nog genoeg zouden verdienen. Wij liepen volgens [V] dus geen risico. [V] zei dat ze al zes jaar weg waren. Ik, A-1303, vroeg of de staat van de schilderijen goed was en of ze goed opgeslagen werden. [V] zei dat één lijst beschadigd was en dat ze goed bewaard werden. Ze stonden niet bij hem, zei [V] later. […] [V] zei toen dat hij verder alleen één op één zaken wilde doen, de telefoon uit moest en er niks opgenomen mocht worden. […] [V] zei dat als hij tien minuten alleen met mijn vriend zou zijn, hij hem een foto, papieren en internet uitdraaien, kon laten zien. [V] zei dat hij dit verder alleen met een kenner, mijn vriend uit Londen, zou doen om zelf verder geen risico te lopen.” • 3. Onderhandelingen voor man met zoon 3.1 Op 12 oktober 2007 vond in café Reinders wederom een ontmoeting plaats tussen Geert de Rooy en [V]. Tijdens die ontmoeting vertelde [V] dat hij de schilderijen misschien toch kon verkopen. De man voor wie hij ze wilde verkopen, wilde niet dat zijn zoon er na zijn dood nog mee zou blijven zitten. [V] liet weten dat hij een foto en documentatie van de schilderijen kon geven. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op vrijdag 12 oktober 2007, omstreeks 18:30 uur, ging ik A-1303, café Reinders […] te Den Bosch binnen. Toen ik, A-1303, daar enkele minuten binnen aan de bar stond […], zag ik dat de mij bekende [V] achter mij stond. […] Ik, A-1303, zei dat ik laatst met een Rus had gesproken en dat mij was gebleken dat daar veel geld zat. [V] zei ‘Ja dat is wat ik nu zoek, een Rus die wat ziet in kunst en veel geld daarvoor over heeft’. [V] zei dat hij dan misschien toch die schilderijen kon verkopen. [V] zei dat het moeilijke was om hier voor zoveel geld iemand te vinden. [V] zei dat je er zo mee moest oppassen omdat iemand het kon weg tippen of er mee vandoor kon gaan. [V] zei dat het ging om vertrouwen en dat de man voor wie hij het wil verkopen [V] vertrouwde en als dat niet zo was, die man hem zou doodschieten. Ik, A-1303, zei dat [V] dan laatst niet slim is bezig geweest om mij met mijn Joodse vriend te laten zitten, omdat wij echt serieus waren. Ik, A-1303, vroeg [V] of hij me dan niet vertrouwde waarop [V] met een glimlach zei: ‘Ik weet je nu te wonen’, maar heb het niet zo op die Joden, al hebben ze wel veel geld. Ik, A-1303, zei ‘Omdat ik er niet genoeg verstand van heb, [wil ik] dit toch echt niet alleen […] doen. [V] zei dat dit schilderijen waren van grootmeesters die eigenlijk niet te vervalsen waren, maar dat hij snapte dat ik er een expert bij wil hebben. [V] zei dat hij mij, A-1303, wel een foto en documentatie betreffende de schilderijen kon geven. […] [V] vertelde dat het belangrijk was wat er met de schilderijen ging gebeuren. [V] zei dat ze weg moesten en dus niet zo maar ergens op moesten duiken. [V] zei dat het daarom van belang was dat iemand ze wilde hebben met goed geld, omdat die ze dan kon laten hangen. [V] zei dat de man die ze nu heeft ook niet wil dat na zijn dood zijn zoon ermee blijft zitten. […] [V] zei dat ze toch wel tien miljoen waard zijn en dat hij daarvan vijftien procent wil hebben. […] Vervolgens spraken [V] en ik, A-1303, af dat als ik volgende week thuis ben, ik hem bel waarna hij met de foto en documentatie naar mijn huis zal komen.” 3.2 Op 17 oktober 2007 gaf [V] aan Geert de Rooy, in het perceel te ‘s-Hertogenbosch waar deze verbleef, een enveloppe met daarin kopieën van foto’s van de schilderijen en een aantal artikelen. [V] vertelde dat hij de schilderijen voor 1,5 miljoen wilde verkopen, waarvan hij zelf 0,5 miljoen zou opstrijken. Geert de Rooy moest beseffen wat [V] deed: hij nam een groot risico en kon er van alles mee doen, maar - zo voegde hij toe - de man heeft ze goed verborgen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op woensdag 17 oktober 2007, omstreeks 14:23 uur, kreeg ik, A-1303, een telefoontje van [V]. [V] vroeg of ik thuis was want, zei [V], ‘ik ben in de stad’. [V] en ik, A-1303, spraken af dat [V] en ik, A-1303, elkaar tussen 16.30 uur en 17.00 uur, thuis zouden ontmoeten. […] Op woensdag 17 oktober 2007, omstreeks 16:50 uur, liet ik, A-1303, [V] binnen in perceel [adres] te Den Bosch. […] [V] en ik, A-1303, namen plaats aan de eetkamertafel. […] [V] haalde vervolgens een witte enveloppe, A4 formaat, uit de binnenzak van zijn jas en legde deze voor mij, A-1303, op tafel. […] Ik, A-1303, maakte deze enveloppe open en zag dat daar zes A4-tjes in zaten. Ik, A-1303, zag dat een A4-tje een kopie was van een stukje uit het Algemeen Dagblad dat schreef over de diefstal van vijf schilderijen. Ik, A-1303, zag dat het tweede A4-tje een kopie was van een artikel met daarboven als kop ‘Criminelenkunst’. Ik, A-1303, zag dat er op vier A4-tjes kleurenkopieën stonden van foto’s van vijf verschillende schilderijen. Ik, A-1303, zag dat deze schilderijen meerdere keren afgebeeld stonden en dat op die foto’s, naast de schilderijen, ook de telegraaf afgebeeld stond. […] [V] zei dat ik, A-1303, moest beseffen wat hij deed, want dit was tien miljoen of meer waard en hij nam zo een groot risico. [V] zei dat ik er nu van alles mee kon doen, maar dat de man die ze heeft, ze goed weggestopt heeft. […] Ik, A-1303, vroeg wat nu de bedoeling was en of die man ze nu wil verkopen of houden. [V] zei ‘Verkopen, want verkocht is verkocht’. […] [V] zei dat hij anderhalf miljoen voor de vijf schilderijen moet hebben en dat ik, A-1303, mag weten dat hij er een half miljoen mee verdient.” 3.3 Op 23 november 2007 ontmoetten Geert de Rooy en [V] elkaar in café In ’t Wild Vercken. [V] liet bij die gelegenheid weten dat de man die de schilderijen had, nog over een constructie moest nadenken. De man had de schilderijen een paar jaar geleden voor een paar ton gekocht. [V] sprak een voorkeur uit voor betaling met eurobiljetten van vijfhonderd, omdat hij het anders moeilijk op echtheid kon controleren. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op vrijdag 23 november 2007, omstreeks 13:35 uur, ging ik, A-1303, café In ’t Wild Vercken […] te Den Bosch binnen. […] [V] en ik, A-1303, [liepen] elkaar tegemoet. […] [V] zei dat hij bij toeval die man gesproken had en dat [V] mij volgende week een datum zou laten weten. [V] zei dat die man nog over een constructie moest nadenken, maar dat hij het in een pandje wilde doen. […] [V] zei dat die man ze een paar jaar geleden voor een paar ton gekocht had, maar dat ze nu voor een hele lage prijs weg konden. Ik, A-1303, vroeg aan [V] of hij al nagedacht had over het soort valuta. [V] zei dat hij het liefst eurobiljetten van vijfhonderd had. [V] zei dat hij het anders moeilijk op echtheid kon controleren en er dan daarvoor weer iemand bij moest komen.” • 4. De zoon van de bezitter van de schilderijen: [M jr.] 4.1 Op 6 december 2007 zagen Geert de Rooy en [V] elkaar opnieuw in café In ’t Wild Vercken. [V] zei dat hij die middag om 16:00 uur een afspraak had met de zoon van de bezitter van de schilderijen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op donderdag 6 november 2007, omstreeks 13:05 uur, ging ik, A-1303, café In ’t Wild Vercken […] te Den Bosch binnen. […] Ik, A-1303, zag dat de mij bekende [V] aan de daar staande stamtafel zat. […] [V] zei dat als hij over die vijf eerder wat zou weten hij het zou laten weten. [V] zei dat hij vanmiddag om vier uur een afspraak had met de zoon van de man die ze nu heeft. […] [V] zei dat die zoon alles had wat die wilde en dat hij zelf een Ferrari had.” 4.2 Eerder die middag had [V] een telefoongesprek met [M jr.] waarin hij vroeg waar [M jr.] rond 16:00 uur zou zijn. Dat blijkt uit volgende afgeluisterde telefoongesprek. Tijdstip 06-12-07 12:04:26 In/uit: U Beller [V] Gebelde [M jr.] Inhoud [V] vraagt of [M jr.] in de auto zit en waar [M jr.] is. [M jr.] komt vanuit Rosmalen en gaat nu naar [adres] zijn vader ophalen. [M jr.] vraagt waar [V] rond vier uur zit. [M jr.] belt [V] om kwart voor vier en dan spreken ze af. • 5. Verdere onderhandelingen 5.1 Op 14 december 2007 zei [V] in cafe In ’t Wild Vercken tegen Geert de Rooy dat hij de zoon had gesproken en dat hij dinsdag meer zou weten, ook over de plaats waar de schilderijen stonden. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op vrijdag 14 december 2007, omstreeks 17:45 uur, zag ik, A-1303, dat de mij bekende [V] Café In ’t Wild Vercken binnenkwam. [V] […] [nam] naast mij aan de stamtafel plaats. […] [V] zei dat hij die zoon had gesproken en dat hij dinsdag meer zou weten. [V] zei dat hij dan zou horen waar die schilderijen zouden staan. [V] zei dat hij er niet blij mee was, want het duurde veel te lang. [V] zei dat ze geld zat hadden en dus niet zo hard liepen.” 5.2 Op 11 januari 2008 vertelde [V] in café La Cour aan Geert de Rooy dat ze de week na carnaval een plaats hadden waar de schilderijen naar binnen gedragen konden worden. [V] vertelde dat hij liever sprak met de man zelf. De zoon deed klusjes voor hem. Het ging volgens [V] zo moeizaam, omdat die man niet op dat geld zat te wachten. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op vrijdag 11 januari 2008, omstreeks 13:10 uur, parkeerde ik, A-1303, mijn voertuig op [adres] te Den Bosch. Ik, A-1303, zag daar toen […] [V]. […] [V] en ik, A-1303, begroetten elkaar […] en liepen vervolgens […] lunchroom La Cour […] te Den Bosch binnen, alwaar wij plaats namen aan een tafeltje bij het raam. […] [V] vertelde dat ze de week na de carnaval iets hadden waar ze een voor een naar binnen gedragen konden worden. […] [V] zei dat het lastig praten was met die zoon en dat hij liever met die vader sprak, omdat dan die zoon er tussenuit was zodat het sneller ging. [V] zei dat hij die man al heel lang kon en daar dus veel makkelijker mee kon praten. […] [V] zei dat hij die vader nog wel zou zien. [V] zei dat die zoon afwist van de zaken van zijn vader en dat die zoon wat klusjes voor zijn vader deed. [V] zei dat die man zo moeilijk deed, omdat hij niet op dat geld zat te wachten. [V] zei dat hij zelf wel op dat geld zat te wachten. […] [V] zei dat die man een straf had gekregen van vier of vier en een half jaar.” 5.3 Op 25 januari 2008 zei [V] tegen Geert de Rooy in café In ’t Wild Vercken dat hij de man die avond om 19:00 uur zou zien. De zoon van die man had aan [V] gevraagd of Geert de Rooy wel te vertrouwen was. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op vrijdag 25 januari 2008, omstreeks 14:00 uur, ging ik, A-1303, […] Café In ’t Wild Vercken te Den Bosch binnen. […] Na enige tijd nam [V] naast mij plaats aan de bar. […] [V] zei dat hij vanavond die man in de stad zou zien. [V] zei dat dat die ouwe was. [V] zei dat dat om zeven uur zou zijn en dat ze wel ergens wat zouden gaan drinken. [V] zei dat het beter was dat die man en ik, A-1303, elkaar niet zouden zien. [V] zei dat de zoon en die man vier handen op een buik waren en dat ze alles van elkaar wisten. […] [V] zei dat die zoon hem had gevraagd of ik, A-1303, wel te vertrouwen was.” 5.4 Op 29 januari 2008 zagen zij elkaar opnieuw in dat cafe. [V] vertelde dat de man niet was komen opdagen. Het waren Brabanders en die kwamen hun afspraken niet na, maar het zou wel doorgaan. Hij zou de man nog proberen te bellen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op dinsdag 29 januari 2008, omstreeks 12:50 uur, ging ik, A-1303, […] Café in ’t Wild Vercken te Den Bosch binnen. […] [V] en ik, A-1303, begroetten elkaar waarna [V] naast mij aan de bar plaats nam. [V] zei dat hij de hele vrijdagavond had zitten wachten maar dat hij niks gehoord had. Ik, A-1303, vroeg of [V] die man intussen wel gesproken had. [V] zei dat hij er niet goed van werd en hoopte dat hij vanavond naar [V] zou bellen. [V] zei dat het Brabanders waren en die kwamen de afspraken niet na. Ik, A-1303, vroeg of het nog wel doorging. [V] zei dat hij dat gevraagd had en zei dat die man had aangegeven dat dat geen probleem was. […] [V] zei dat hij hem vanmiddag nog zou proberen te bellen. [V] zei dat hij morgen nog tot drie uur wat kon proberen.” • 6. Mislukte afspraken voor een bezichtiging en de ontmoeting met infiltrant David 6.1 Op 7 maart 2008 zei [V] in café Reinders tegen Geert de Rooy dat hij de man en zijn zoon heeft gesproken en dat ze zaken wilden doen. Hij zou ‘die ouwe’ de volgende dag spreken en dan meer weten. Afgesproken werd dat [V] op 10 maart 2010 door Geert de Rooy zou worden opgehaald voor een bezoek aan de kunstbeurs TEFAF en dat hij dan ook diens Engelse vriend kon ontmoeten. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op vrijdag 7 maart 2008, omstreeks 18:25 uur, ging ik, A-1303, […] café Reinders binnen. […] Omstreeks 18.45 uur zag ik, A-1303, dat [V] genoemd café binnen kwam. […] Nadat wij elkaar begroet hadden, zei [V] dat hij ze gesproken had en dat ze zaken wilden doen. […] [V] zei dat die zoon had willen weten of ik wel te vertrouwen was. […] [V] zei dat hij tegen die zoon gezegd had dat hij echt wel het een en ander had uitgezocht. Ik, A-1303, zei tegen [V] dat als hij het niet vertrouwde, hij gewoon moest afhaken, maar dat hij het zelf was geweest die over die schilderijen op het terras tegen mij is begonnen. […] [V] zei dat hij morgen die ouwe zou spreken en dat hij dan meer zou weten. Ik, A-1303, zei dat ik maandag [V] om negen uur zou ophalen om samen met hem naar de TEFAF in Maastricht te rijden. Tevens vertelde ik, A-1303, tegen [V] dat hij dan ook mijn Engelse vriend kon ontmoeten.” 6.2 Op 10 maart 2008 vertelde [V] onderweg naar de kunstbeurs dat hij ze gisteren had gesproken. Volgens [V] wilde die vader geen risico lopen. Op de beurs sprak [V] onder meer over het feit dat er weinig schilderijen van Jan Steen hingen. Na de beurs werd [V] in het [hotel] voorgesteld aan A-1765, alias David . Zij spraken onder andere over de gestolen schilderijen. Er werd gekeken of de volgende dag de gelegenheid zou bestaan om de schilderijen te bezichtigen. [V] zou daarvoor ’s avonds of anders de volgende morgen contact met de vader proberen op te nemen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op maandag 10 maart 2008, omstreeks 09:05 uur, stopte ik, A-1303, met mijn personenauto op [adres] ter hoogte van café Mazzeltoff, waarna [V] bij mij, A-1303, instapte. […] Nadat [V] en ik, A-1303, elkaar begroet hadden, zei [V] dat hij ze gisteren bij [naam van hotel] gesproken had. [V] zei dat ze daar met een Ferrari en een andere sportwagen waren komen aanrijden. […] [V] zei dat hij dacht dat ze wel op hun manier zaken zouden willen doen. [V] zei dat het kampers waren en dat die gewoon alles op hun manier deden. […] Wij reden […] naar […] Maastricht alwaar de TEFAF plaatsvond waar ik vervolgens, in de nabijheid van de TEFAF, mijn auto parkeerde. Op maandag 10 maart 2008, omstreeks 12:10 uur, gingen [V] en ik, A-1303, met door mij, A-1303, geregelde kaarten naar binnen. Daarbinnen […] zei [V] [na enige tijd] dat het hem opviel dat er bijna geen schilderij van Jan van Steen hing en dat dat veel over de prijs zei. […] Op maandag 10 maart 2008, omstreeks 15:25 uur, verlieten [V] en ik, A-1303, de TEFAF, waarna wij vervolgens naar het [hotel] […] te Maastricht reden. Ik, A-1303, had in genoemd hotel een afspraak met A-1765, aan wie ik [V] zou voorstellen. […] Omstreeks 16.05 uur gingen [V] en ik, A-1303, genoemd hotel binnen. Binnen begroette ik, A-1303, A-1765, waarna ik hoorde dat [V] zich aan A-1765 voorstelde als ‘[V]’. Tijdens deze ontmoeting werd er door [V], A-1765 en mij, A-1303, in de Engelse taal gesproken. […] Ik, A-1303, hoorde en zag tijdens genoemd Engelse gesprek dat [V] en A-1765, geruime tijd spraken over kunst en de handel daarin. […] Ik, A-1303, hoorde dat [V] later aan A-1765 vroeg wat hij van de prijs vond. Ik, A-1303, zei dat we pas over een prijs zouden gaan praten nadat we de schilderijen gezien hadden, hetgeen A-1765 bevestigde. A-1765 zei dat de conditie van de schilderijen van groot belang was. [V] zei dat de schilderijen al zes of zeven jaar weg waren, maar dat ze in museumstaat verkeerde. Wij, [V], A-1765 en ik, A-1303, spraken af dat we zouden afwachten of er morgen gelegenheid was om de schilderijen te bekijken en dat we elkaar dan weer zouden ontmoeten. […] [V] en ik, A-1303, stapten in mijn auto waarna wij richting Den Bosch reden. Tijdens de autorit richting Den Bosch zei [V] dat hij vanavond of anders morgenvroeg echt zou gaan proberen met die vader te gaan praten.” 6.3 Op 11 maart 2008 belde [V] naar Geert de Rooy om te zeggen dat hij naar de man was geweest, maar dat alleen diens vrouw thuis was. De bezichtiging kon daardoor niet doorgaan. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op dinsdag 11 maart 2008, omstreeks 11:05 uur, belde [V] mij, A-1303, mij op mijn mobiele telefoon. […] [V] zei dat hij langs was geweest, maar dat alleen de vrouw thuis was. [V] zei dat hij haar had gevraagd haar man [V] te laten bellen. [V] en ik, A-1303, spraken vervolgens af dat het vandaag dan niks meer zou kunnen worden en dat [V] mij, A-1303, zou bellen zodra hij wist wanneer het dan wel zou kunnen. Ik, A-1303, zei dat hij mij maar een datum moest laten weten.” 6.4 Later die dag belde [V] naar [M sr.] waarbij hij aangaf dat hij hem deze week moest zien en dat hij al verschillende keren bij hem thuis was geweest. Dat blijkt uit volgende afgeluisterde telefoongesprek. telefoongesprek 11 maart 2008 • 7. Voortzetting van de onderhandelingen met [M jr.] 7.1 Op 13 maart 2008 ontmoetten Geert de Rooy en [V] elkaar in café Mazzeltoff. [V] vertelde dat hij de man had gesproken en liet vallen dat zijn voornaam “[M sr.]” is (hof: zie in dit verband ook 6.4, waarin is weergegeven een telefoongesprek tussen [M sr.] en [V]). Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op donderdag 13 maart 2008, omstreeks 13:10 uur, ging ik, A-1303, […] café Mazzeltoff […] te Den Bosch binnen. […] Ik, A-1303, […] nam [plaats] tegenover [V]. […] [V] zei dat hij hem had gesproken. [V] zei dat die man gezegd had dat het lang duurde. [V] zei […] dat hij gezegd had: ‘[M sr.], als ik ze nou had, dan was het zo rond’. […] [V] zei dat ze wilden weten of er wel geld was.” 7.2 Op 28 maart 2008 vond opnieuw een ontmoeting plaats in café Mazzeltoff. [V] zei tegen Geert de Rooy dat de vader en/of zoon hem volgende week wilde(
- n)spreken. De zoon opperde het idee om eerst het duurste schilderij laten zien en pas dan de andere schilderijen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op 28 maart 2008, omstreeks 11:03 uur, ging ik A-1303, café Mazzeltoff […] te Den Bosch binnen. […] Omstreeks 12:40 uur zag ik, A-1303, dat [V] genoemd café binnenkwam en mijn richting op liep. […] [V] zei dat wij een afspraak moesten maken. [V] zei dat de zoon en/of de vader begin volgende week bij [naam van hotel] in de grote hal met mij wilde praten. […] [V] en ik, A-1303, spraken af dat hij volgende week dinsdag of donderdag een afspraak met hun zou maken. […][V] zei dat hij misschien morgen die vader nog zou spreken en dat [V] mij wel op zou bellen als hij een datum zou weten. [V] zei dat die zoon nog een idee had maar dat [V] daar zelf niet zo weg van was. Ik, A-1303, vroeg wat dat idee dan was. [V] zei dat die zoon eerst ergens het duurste wilde laten zien zodat mijn vriend kon zien dat alles goed was. Daarna zouden dan de andere een voor een getoond kunnen worden.” 7.3 Op 3 april 2008 hebben Geert de Rooy en [V] in café La Cour een ontmoeting met [M jr.] die zichzelf als “[P]” voorstelde (zie in dit verband 7.4 op grond waarvan het hof - mede gelet op de overige hierna opgenomen bewijsmiddelen - afleidt dat “[P]” in werkelijkheid [M jr.] ofwel [M jr.] is). [P] liet weten dat het een week zou duren om de schilderijen naar boven te halen. Hij wilde eerst een schilderij verkopen voor een bedrag van 250 duizend euro en pas daarna de andere schilderijen. Toen Geert de Rooy zei dat hij ze het liefst tegelijk wilde hebben of anders kort na het eerste schilderij, reageerde [P] door te zeggen dat hij dat eerst met zijn vader moest overleggen. Nadat een vervolgafspraak was gemaakt en [P] het cafe had verlaten, zei [V] dat [P] niet zelf kon beslissen en dat zijn vader dat moest doen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Ik, A-1303, ging op donderdag 3 april 2008, omstreeks 14:01 uur, lunchroom La Cour […] te Den Bosch binnen. […] Ik, A-1303, zag dat [V] alleen aan een tafeltje […] rechts aan het raam zat. Ik, A-1303, nam plaats naast [V]. [V] zei dat ‘hij’ er nog niet was. […] Even na 14.05 uur zag ik, A-1303, dat een jongeman lunchroom La Cour binnenkwam. […] Nadat die jongeman [V] een hand had gegeven, gaf hij mij, A-1303, een hand waarbij ik, A-1303, hoorde dat hij [P] zei. […] Nadat [P] bij [V] en mij, A-1303, aan tafel was komen zitten, zei [V] tegen [P] dat dit de man was waarover hij verteld had en dat hij alles nagegaan had en het helemaal oké was. [V] zei tegen [P] dat hij zich over het geld ook geen zorgen hoefde te maken omdat hij zelf gezien had dat het wel goed zat. Nadat [P] en ik, A-1303, over wederzijds vertrouwen hadden gesproken, zei [P] dat [V] zijn garantie was. [P] zei dat hij zekerheid wilde hebben en dat hij een probleem zou hebben als dit niet goed zou gaan. Ik, A-1303, zei dat ik ook wilde dat dit goed zou gaan, daar ik anders ook een probleem zou hebben. [P] zei dat we dan beiden een probleem zouden hebben en dat de wereld maar klein was. [P] zei dat hij wel een week nodig had om ze naar boven te halen. […] [P] zei dat het hem het beste leek dat hij eerst een schilderij aan mij zou verkopen en als dat dan goed zou gaan de rest zou volgen. [P] zei dat ik er dan maar een van de vier moest kiezen. Ik, A-1303, zei dat ik over vijf sprak en geen vier. [P] zei dat het er vijf waren, maar dat hij de beste als laatste wilde houden en dat hij deze dus niet meerekende. [P] zei dat dat die ‘Jan’ was. [P] zei dat we na de koop van die eerste ergens anders heen moesten rijden om die andere te bekijken. [P] zei dat het gewoon boter bij de vis was en dat dat heel normaal was. Ik, A-1303, vroeg wat voor prijs hij dan voor die ene in gedachten had. Ik, A-1303, zag dat [P] op een bierviltje onder elkaar 1, 2, 3, 4 en 5 schreef en op een papiertje, wat [V] voor hem gehaald had, 1 met daarachter Chanel schreef. Ik, A-1303, zei dat [P] wel dokter had kunnen worden en vroeg wat hij nou opschreef. [P] zei dat hij ze parfums noemde. [P] zei dat hij tweehonderdvijftigduizend euro voor die ene wilde hebben. Ik, A-1303, vroeg welke zekerheid dat ik na die ene zou hebben dat [P] nog met die andere zou komen. [P] zei dat hij die zekerheid gaf. Ik, A-1303, zei dat ik niet van plan was om heen en weer te gaan rijden en dat ik ze het liefst tegelijk wilde hebben of kort na de eerste. [P] zei dat hij eerst met zijn vader moest overleggen en vroeg hoe ik het dan wilde afspreken. Nadat [P], [V] en ik, A-1303, nog wat over de verschillende mogelijkheden hadden gesproken, spraken wij af dat hij aan zijn vader zou voorleggen om het in een hotel te doen. Wij spraken af dat [P] een schilderij in een kamer zou zetten en dat ik, A-1303, met mijn Engelse vriend dit schilderij op echtheid en conditie zouden controleren waarna ik, A-1303, na goed vinden, [V] honderdvijftigduizend euro zou betalen. Vervolgens zou [P] dan in een andere hotelkamer de overige vier schilderijen wegzetten waarna deze na goed vinden ook aan [V] betaald zouden worden. [P] zei dat hij wilde hebben dat [V] het geld zou tellen met een machientje in weer een andere kamer. [P] zei dat die kamers dan op verschillende namen moesten staan. Ook spraken [P] en ik, A-1303, af elkaar maandag 7 april om twee uur weer bij La Cour te zien. [P] zei dat hij dan zou weten hoe, waar en wanneer het zou gaan gebeuren. […] Ik, A-1303, vroeg aan [P] hoe de conditie was waarop [P] zei dat ze nog in diezelfde dingen zaten als waar ze in weg waren gehaald. […] Nadat [P] mij, A-1303, en [V] een hand had gegeven, liep hij in de richting van de uitgang. […] Omstreeks 14.45 uur zag ik, A-1303, dat [P] lunchroom La Cour verliet. [V] zei dat [P] niks zelf kon beslissen en dat zijn vader dat voor hem zou doen. [V] zei dat als [P] dit niet goed zou doen dan ‘oh, oh, oh’. [V] zei dat die vader niet zou willen dat dit fout zou gaan.” 7.4 Op 7 april 2008 vond in café La Cour de volgende ontmoeting plaats tussen [P], [V] en Geert de Rooy. [P] werd tijdens die ontmoeting door een andere cafébezoeker “[M jr.]” genoemd. [P] vertelde dat hij het aan ‘ze’ heeft voorgelegd en dat ‘ze’ eerst een schilderij wilden doen en daarna twee keer twee schilderijen. [P] zei dat hij in het grensgebied van Nederland en België een mooie locatie had gevonden en dat hij geld wilde hebben op het moment dat het schilderij werd bekeken. Volgens [P] wilden ‘ze’ het in België doen, omdat Geert de Rooy daar niet mocht komen ingeval hij van de overheid zou zijn. [P] zei dat de vier schilderijen per stuk 250 duizend euro moesten kosten en dat ‘Jantje’ 500 duizend euro moest kosten. Geert de Rooy en [P] spraken vervolgens af om elkaar die avond om 20.00 uur te treffen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Ik, A-1303, ging op maandag 7 april 2008, omstreeks 14:06 uur, lunchroom La Cour […] te Den Bosch binnen. […] Ik, A-1303, zag dat [V] alleen aan een tafeltje […] achter in die zaak zat. Ik, A-1303, nam plaats naast [V]. […] Even na 14.15 uur zag ik, A-1303, dat de mij bekende [P] lunchroom La Cour binnenkwam. Ik, A-1303, zag dat [P] in de richting van [V] kwam lopen waarna hij mij een hand gaf. Ik, A-1303, hoorde en zag dat [P] daar door een andere bezoeker met de naam [M jr.] aangesproken werd. […] Nadat [P] bij [V] en mij, A-1303, aan tafel was komen zitten […], zei hij dat ‘ze’ begrepen hadden dat ik, A-1303, het niet stuk voor stuk wilde. [P] zei dat ‘ze’ het nu eerst een en daarna twee keer twee wilden doen met als laatste die ‘Jantje’. [P] zei dat hij het zelf allemaal in zijn hoofd had zitten en een mooie locatie had gevonden. [P] zei dat hij geen risico wilde nemen en dat hij [V] als borg zou stellen als er wat fout zou gaan. [P] zei tegen [V] dat hij dan wel wist met wie hij te maken kreeg. Ik, A-1303, hoorde dat [V] zei dat hij geen borg was, maar alleen maar een tussenpersoon. Ik, A-1303, vroeg aan [P] hoe hij het verder in zijn hoofd had. [P] zei dat wij elkaar ergens zouden ontmoeten en dat ik dan achter hem aan moest rijden. [P] zei dat we dan naar het grensgebied van Nederland en België zouden gaan alwaar we ergens in een drukke winkelstraat met kroegjes ergens boven naar binnen zouden gaan. […] [P] zei dat […] ik dan […] het eerste schilderij te zien zou krijgen. […] [P] zei dat […] we bij het zien van het eerste schilderij pas hoefde te betalen en dat hij, terwijl wij het schilderij controleerde, het geld zou tellen. […] [P] zei dat als dat dan goed gegaan was, we weer achter elkaar aan zouden gaan rijden naar maximaal tien kilometer verderop om naar de volgende twee schilderijen te gaan kijken. [P] zei dat als dat ook weer goed gegaan was, we daarna weer naar de laatste twee schilderijen zouden gaan kijken die ook weer maximaal tien kilometer verder op zouden liggen. […] [P] zei dat ‘ze’ het in België wilde doen omdat ‘hun’ ook niet gek waren. [P] zei dat als ik, A-1303, van de overheid was ik niet in België mocht komen en dat ze daarom op de grens wilde gaan zitten. [P] zei dat het niet echt België was, maar België/Nederland en ongeveer een half uur tot drie kwartier rijden vanaf Den Bosch lag. [P] zei dat het eigenlijk Vlaanderen was. [P] zei dat ze ze niet alle vijf in een keer wilde doen, omdat ze niet wilde hebben dat er dan ineens hallo politie was. [P] zei dat ze, anders dan die tien procent, voor het eerste schilderij tweehonderdvijftigduizend euro wilde hebben. Vervolgens voor ieder schilderij tweehonderdvijftigduizend euro en voor die ‘Jantje’ vijfhonderdduizend euro. […] [P] zei dat hij mij, A-1303, van de week zou laten weten welke dag het dan zou worden. Ik, A-1303, zei dat ik het vandaag wel wilde weten omdat ik dan nog het e.a. moest gaan regelen. [P] en ik, A-1303, spraken af dat wij elkaar vanavond om acht uur bij hotel [naam van hotel] zouden zien. […] Nadat [P] mij, A-1303, en [V] een hand had gegeven, liep hij in de richting van de uitgang. […] Omstreeks 15:20 uur zag ik, A-1303, dat [P] lunchroom La Cour verliet. [V] zei dat [P] het eerst wel weer met zijn vader zou gaan bespreken.” 7.5 De persoon die “even na 14:15 uur” La Cour binnenkwam en “omstreeks 15:20” verliet - de persoon die zich aan Geert de Rooy voorstelde als “[P]” en door een andere cafébezoeker met “[M jr.]” werd aangesproken - wordt door verbalisanten als [M jr.] herkend. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal van observeren. “Op 7 april 2008 […] omstreeks 14:15 uur zag ik, verbalisant 50, dat er een personenauto, merk Mercedes, type SL 500, […] werd geparkeerd op de parallelweg te ’s-Hertogenbosch. Ik zag dat de mij bekende [M jr.] als bestuurder en enige inzittende uitstapte en in de richting van [adres] liep. […] Ik, verbalisant, herkende [M jr.] aan de hand van een door het onderzoeksteam ter beschikking gestelde foto. [M jr.] nader te noemen als: [M jr.]. Op die dag om 14:16 uur zag ik, verbalisant nummer 24, dat [M jr.] binnenging bij café La Cour. […] Om 15:18 uur zag ik, verbalisant nummer 24, dat [M jr.] buiten kwam bij café La Cour en in de richting van zijn voertuig liep. […] Om 15:20 uur zag ik, verbalisant nummer 28, dat [M jr.] instapte in de personenauto, merk Mercedes, type SL 500, […] en dat hij vervolgens wegreed.” 7.6 In de avond van 7 april 2008 ontmoetten [P] en Geert de Rooy elkaar bij hotel [naam van hotel] te Vught. Afgesproken werd dat er mogelijk op 17 april 2008 een bezichtiging kon plaatsvinden. [P] zei dat ‘ze’ het goed gingen regelen en dat er goed over was nagedacht. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op maandag 7 april 2008, omstreeks 19:45 uur, ging ik, A-1303, […] ‘[naam van hotel]’, zijnde [hotel] te Vught, binnen. […] Omstreeks 20.00 uur zag ik, A-1303, dat [P] genoemd hotel binnenkwam. […][P] zei dat het volgende week donderdag (het hof begrijpt: 17 april 2008) zou kunnen. […][P] zei dat hij het goed ging regelen en dat ‘ze’ er goed over nagedacht hadden. [P] zei dat ‘ze’ echt wel slim bezig waren en dat [P] er voor open stond om van ‘hun’ te leren. [P] zei dat hij net als mij een schaker was. [P] zei dat hij nu niet meer terug kon omdat hij al een aanbetaling had gedaan en hij nu borg stond. [P] zei dat er wel wat mensen de boel in de gaten zouden houden. [P] zei dat hij er zeker van was dat ze in goede staat waren, omdat ze in speciale kratten waren, zoals dat van de verzekering moest. […] [P] zei dat hij walkietalkies met een bereik van vijf kilometer op kanaal drie zou gebruiken. [P] zei dat ik die ook zou kunnen gebruiken. [P] zei dat hij de persoon die mij het geld zou komen brengen niet hoefde te zien.” 7.7 Op 15 april 2008 ontmoette Geert de Rooy en [V] elkaar in café Mazzeltoff. [V] vertelde dat hij de vader de volgende dag op de sportschool zou zien. [P], die later aanschoof, liet weten dat hij “ze” had gesproken en dat de bezichtiging niet kon doorgaan: zij wilden eerst geld zien. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op dinsdag 15 april 2008, omstreeks 16:50 uur, ging ik, A-1303, café Mazzeltoff binnen. […] Omstreeks 16.55 uur, zag ik, A-1303, dat [V] genoemd café binnenkwam. Nadat [V] en ik, A-1303, elkaar begroet hadden zei [V] dat hij morgen die vader in de sportschool zou zien. […] [V] zei dat hij dacht dat het allemaal wel goed zou zitten maar dat hij ook liever zag dat het wat eenvoudiger zou gaan. [V] zei dat hij morgen wel zou weten hoe het een en ander zou gaan plaats vinden. [V] zei dat hij het met die vader ook nog wilde hebben over het aandeel van [V]. […] Omstreeks 17.10 uur, zag ik, A-1303, dat [P] genoemd café binnenkwam. Ik, A-1303, zag dat [P] in de richting van [V] en mij, A-1303, kwam lopen waarna hij ons een hand gaf en wij met z’n drieën aan een tafeltje aldaar plaatsnamen. […] [P] zei dat ik moest begrijpen dat hij onder hele grote druk stond. [P] zei dat “ze” het er over gehad hadden en dat [P] eerst via [V] geld wilde zien en dat ik daarna van [V] die dingen zou krijgen. [P] zei dat [V] die dingen dan in vertrouwen mee zou krijgen en dat [P] dan verder helemaal niemand wilde zien. […] Ik, A-1303, zei dat ik daar met [P] over wilde praten omdat ik niet blij was met de door [P] voorgestelde plannen. Ik, A-1303, zei tegen [P] dat ik niet zoveel geld vooruit wilde betalen, dat ik de foto’s wilde hebben en dat ik mijn Engelse vriend de schilderijen op echtheid en conditie wilde laten testen. Ik, A-1303, zei dat het anders voor mij zakelijk gezien geen goed plan was en ik beter kon op stappen.” • 8. Ontmoeting op de sportschool tussen [V] en [M sr.] 8.1 In de avond van avond van 15 april 2008 werd [V] door [M sr.] gebeld. In dat telefoongesprek wordt datgene bevestigd dat [V] eerder die dag tegen Geert de Rooy had gezegd, namelijk dat zij elkaar op 16 april 2008 bij de sportschool zouden ontmoeten. Dat blijkt uit volgende afgeluisterde telefoongesprek. telefoongesprek 15 april 2007 8.2 Tijdens een observatie werd waargenomen dat [M sr.] op 16 april 2008, omstreeks 10:11 uur, naar sportschool [naam van sportschool] liep en omstreeks 10:51 uur weer vertrok. Kort daarna vertrok [V] met de fiets vanaf de oprit van de sportschool. Dat blijkt uit het volgende proces-verbaal van bevindingen. “Op woensdag 16 april 2008, omstreeks 10:11 uur, zag ik, verbalisant, drie personen in de richting van Sportschool [naam van sportschool] [te ’s-Hertogenbosch] lopen. […] Eén van deze personen werd door mij herkend als [M sr.]. […] Omstreeks 10:45 uur zag ik, verbalisant, dat in de oprit van Sportschool [naam van sportschool] een groen blauwe herenfiets staan. De herenfiets is vermoedelijk in gebruik bij [V]. […] Omstreeks 10:51 uur zag ik voornoemde drie personen, waaronder [M sr.], […] in een personenauto stappen en wegrijden. Daarna zag ik, verbalisant, […] [V] op de eerder omschreven herenfiets vanuit de oprit van Sportschool [naam van sportschool] kwam gefietst. […] [V] sloeg rechtsaf in de richting van het centrum van ‘s-Hertogenbosch.” • 9. Onenigheid over nieuwe voorstellen 9.1 Op 16 april 2008 zagen Geert de Rooy en [V] elkaar in cafe Mazzeltoff. [V] vertelde dat hij de vader die ochtend nog had gesproken. De vader had een ander voorstel gedaan, dat Geert de Rooy maar eens met die Engelse vriend (David) moest bespreken. De vader had gezegd dat hij voor het ongemak desnoods het ticket van die Engelse vriend wilde betalen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op woensdag 16 april 2008, omstreeks 12:30 uur, ging ik, A-1303, café Mazzeltoff binnen. […] Ik, A-1303, liep weer naar buiten en nam daar op het terras van genoemd café, plaats aan een tafeltje. […] Omstreeks 12.35 uur, zag ik, A-1303, […] [V]. […] [V] [zei] dat hij die vader vanmorgen bij [naam van hotel] gesproken had. [V] zei dat hij tegen die vader verteld had dat ik het niet zag zitten met zijn zoon. […] [V] zei dat hij er wel van opkeek dat die zoon alles tegen die vader had verteld. [V] zei dat die vader op zijn manier had gezegd dat ze voor duizend, duizend, duizend procent echt waren en dat ze niks geks van plan waren. [V] zei dat die vader had gezegd dat [[V]] op zijn gevoel af moest gaan omdat als het fout zou gaan [V] de pineut zou zijn. […] Ik, A-1303, zei dat [V] er gewoon mee moest stoppen als hij ook maar iets niet aan mij vertrouwde. [V] zei dat dat niet het geval was. […] [V] zei dat die vader had voorgesteld om het gewoon op de volgende manier te doen: Ik, A-1303, geef zevenhonderdvijftigduizend euro aan [V]. Ik, A-1303, krijg vijf recente foto’s van de schilderijen. [V] geeft een seintje aan iemand die daarna doorgeeft waar [V] een auto kan vinden met daarin vier schilderijen. [V] neemt die vier schilderijen mee naar mijn, A-1303, woning alwaar er gekeken kan worden of ze goed zijn. Daarna geef ik, A-1303, weer zevenhonerdvijftigduizend euro aan [V]. [V] geeft weer een seintje aan iemand en krijgt weer door waar [V] het laatste schilderij kan vinden waarna hij die weer naar mijn, A-1 303, woning brengt. [V] zei dat die auto niet ver van Den Bosch zou staan zodat het niet lang zou hoeven te duren. [V] zei dat het ook een voor een zou kunnen voor tweehonderdvijftigduizend euro en als dat na twee keer goed zou gaan de overige misschien wel in een keer tegelijk konden. [V] zei dat ‘ze’ te allen tijde eerst geld willen hebben en dat ‘ze’ ze alle vijf willen verkopen. [V] zei dat hij wel vertrouwen in die vader had maar dat die vader er niet tussen zou gaan zitten. [V] zei dat het gewoon op het gemak kon en het morgen wel krap zou worden om die foto’s te krijgen. [V] zei dat die vader voor het ongemak desnoods het ticket van mijn Engelse vriend wel wilde betalen. [V] zei dat het veel beter was om zo met die vader zaken te doen nu die zoon er tussenuit was. [V] zei dat ik, A-1303, het er maar eens met mijn Engelse vriend over moest hebben en dat hij het dan wel zou horen.” 9.2 In de avond van 16 april 2008 had Geert de Rooy een ontmoeting met [P]. [P] zei dat hij foto’s had en deze aan [V] zou geven. Geert de Rooy liet weten eerst de foto’s aan zijn Engelse vriend te willen laten zien en pas dan weer verder te willen kijken. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op woensdag 16 april 2008, omstreeks 20:25 uur, ging ik, A-1303, café Mazzeltoff binnen. Binnen in genoemd café zag ik, A-1303, dat [P] daar alleen aan een tafeltje zat. […] Ik, A-1303, vroeg of [P] die foto’s bij zich had. [P] zei dat hij de foto’s had maar dat hij die nu niet wilde geven omdat hij dat [V] wilde laten doen. […] [P] zei dat hij die foto’s de volgende dag wel aan [V] zou geven. [P] zei dat ik, A-1303, dan maar met die Engelsman en met [V] naar die foto’s moesten gaan kijken. [P] zei dat ik daarna dan maar het geld aan [V] moest geven en dat alles dan wel goed zou komen. Ik, A-1303, zei dat ik die foto’s wel wilde bekijken maar dat de rest mij te snel ging. Ik, A-1303, zei dat ik die foto’s eerst wel eens op het gemak door mijn Engelse vriend wilde laten bekijken waarna we dan wel weer verder zouden zien. […] Ik, A-1303, zei dat hij eerst die foto’s maar eens moest geven en dat we dan wel verder zouden zien.” 9.3 Op 17 april 2008 zag Geert de Rooy [V] in café Mazzeltoff. [V] zei dat hij de foto’s nog niet had, omdat zij eerst geld wilde hebben. Volgens Geert de Rooy was dat niet de afspraak. Geert de Rooy wisselde daarover vervolgens enkele sms-berichten met [P]. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op donderdag 17 april 2008, [ging ik, A-1303, kort na] 11:55 uur, […] café Mazzeltoff binnen. […] Omstreeks 12.05 uur, zag ik, A-1303, dat [V] genoemd café binnen kwam. […] [V] zei dat hij niet snapte dat alles zo moeilijk ging en dat hij die zoon nog gesproken had. […] Ik, A-1303, vroeg of [V] die foto’s had. [V] zei dat hij die niet had en dat ze eerst geld, die zeveneneenhalf, wilde hebben. […] Omstreeks 12:19 uur, stuurde ik, A-1303, een sms naar [het telefoonnummer van [P]] met als tekst: ‘Geen toegangskaarten?’ […] Omstreeks 12:30 uur, kreeg ik, A-1303, op mijn mobiele telefoon een sms afkomstig van [het telefoonnummer van [P]] met als tekst: ‘Jawel maar die ouwe moet eerst iets zien Voor wat hoort wat’. […] Omstreeks 12.34 uur, stuurde ik, A-1303, een sms naar [het telefoonnummer van [P]] met als tekst: ‘We hadden een afspraak. Het is aan jou. Wij gaan weg om te eten dan heb ik nog iets’. […] Omstreeks 12:38 uur, kreeg ik, A-1303, van [het telefoonnummer van [P]] met als tekst: ‘Ja maar moet van 2 kanten komen dat zei ik je gisteren nog. Bij ons zit het goed en die toegangskaartjes zijn der’. […] Omstreeks 13:00 uur, stuurde ik, A-1303, een sms naar [het telefoonnummer van [P]] met als tekst: ‘Jij en ik hadden een andere afspraak. Ik kan hier niks mee’. […] Omstreeks 13:27 uur, kreeg ik, A-1303, op mijn mobiele telefoon een sms afkomstig van [het telefoonnummer van [P]] met als tekst: ‘Ik heb met die ouwe gesproken en die zegt dat alles oke is. Dus niemand straks kontakt met jullie om die kaartjes te geven ok.’” 9.4 Op 23 april 2008 zagen Geert de Rooy en [V] elkaar op het terras van ’t Keershuys. [V] vertelde dat hij de vader had gesproken. Ze hadden het over foto’s op een stick gehad. [V] zei dat het wel goed zou komen: de vader liet de zoon zou nog wel wat doen, maar de vader zou het in de hand houden. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op woensdag 23 april 2008, omstreeks 13:30 uur, zat ik, A-1303, op het terras van ’t Keershuys […] te Den Bosch. […] Ik, A-1303, sprak [V] aan. […] [V] en ik, A-1303, spraken vervolgens over hoe [een en ander] vorige week had plaats gevonden. Ik, A-1303, uitte mijn ongenoegen over de gang van zaken met betrekking tot de schilderijen en het handelen van die zoon. [V] zei dat hij dacht dat het wel goed zou gaan komen. […] [V] zei dat hij die vader afgelopen woensdag en vrijdag nog gesproken had. […] [V] zei dat ‘ze’ het hadden gehad over foto’s op een stick zodat ik ze kon faxen. [V] zei dat die vader er gewoon achter zat en dat het daarom wel goed zou komen. [V] zei dat hij dacht dat die vader die zoon nog wel wat boodschappen zou laten doen maar dat die vader alles in de hand zou houden. [V] zei dat hij niet bang was dat die zoon iets zou uithalen omdat die daar echt niet bij zijn vader mee aan moest komen.” • 10. Overeenstemming en mislukte bezichtiging/overdracht 10.1 Op 16 mei 2008 belde [V] naar Geert de Rooy om te vragen of hij naar de stad kwam en een digitale camera had. Er volgde een ontmoeting op het terras van café Reinders. [V] had van de zoon een geheugenkaartje met foto’s ontvangen. Zij liepen vervolgens naar de auto van Geert de Rooy om de foto’s daar op een laptop over te zetten. Het waren recente foto’s van de gestolen schilderijen. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op vrijdag 16 mei 2008, omstreeks 17:25 uur, kreeg ik, A-1303, op mijn mobiele telefoon een inkomend gesprek. […] Nadat ik, A-1303, had opgenomen hoorde ik dat [V] zei; ‘Ja met [V]’. […] [V] […] vroeg […] of ik nog naar de stad kwam en of ik een digitale camera had. […] Omstreeks 18:10 uur, zag ik, A-1303, [[V]] op het terras van café Reinders te Den Bosch. […] [V] zei dat hij laatst met die vader gesproken had. […] [V] zei dat het allemaal wel goed zou gaan komen en dat hij vandaag, van de zoon, een kaartje met foto’s had gekregen. […] [V] zei dat hij dat kaartje zelf wel graag wilde houden en vroeg of ik die foto’s op mijn telefoon kon zetten. Ik, A-1303, zei dat [V] maar met mij mee naar mijn auto moest lopen omdat ik daar mijn laptop in had liggen waarop ik de foto’s kon zetten. [V] en ik, A-1303, spraken verder over hoe de afspraken en de voorstellen de laatste keer met die zoon waren verlopen. Ik, A-1303, toonde met betrekking tot die gang van zaken mijn ongenoegen waarop [V] zei dat dat zo ook helemaal niet had moeten gaan. […] [V] zei dat ze het wel zagen zitten omdat ze anders die foto’s ook niet hadden gegeven. […] [V] zei dat ‘ze’ er zich niet zichtbaar mee zouden bemoeien en dat als het fout zou gaan [V] de pineut zou zijn. […] Nadat [V] en ik, A-1303, nog wat gedronken hadden stelde [V] voor om naar mijn, A-1303, auto te lopen. […] Omstreeks 18:35 uur verliet ik, A-1303, samen met [V], café Reinders. […] Omstreeks 18:45 uur stapten [V] en ik, A-1303, in mijn personenauto welke geparkeerd stond in de parkeergarage De Arena te Den Bosch. Ik, A-1303, zag dat [V] een blauw SD geheugenkaartje uit de verpakking van een theezakje haalde en vervolgens dit geheugenkaartje aan mij, A-1303, gaf. [V] zei dat hij dit kaartje graag weer terug wilde omdat hij dat zelf wilde houden. [V] zei dat hij niet graag met dat kaartje gepakt wilde worden. Ik, A-1303, bekeek daar toen middels mijn laptop de inhoud van genoemd geheugenkaartje en zag dat daar acht foto bestanden op stonden. Ik, A-1303, kopieerde daar toen die acht foto bestanden naar de harddisk van mijn, A- 1303, laptop waarna ik genoemd geheugenkaartje aan [V] terug gaf. […] Ik, A-1303, zag dat zes foto’s hiervan gelijkenis vertoonde met de bij mij, A-1303, bekende vermiste schilderijen van: - Jan Steen “Kwakzalver op de jaarmarkt”
(2x); - Comelis Bega “De Muzikanten”; - Cornelis Dusart “Drinkgelag”; - Adriaen van Ostade “De tevreden drinker” en de “Kwakzalver”. Ik, A-1303, zag twee foto’s van de achterzijde van een schilderij waarbij op een van die foto’s een label van het Frans Hals Museum en een vochtigheidssticker stonden afgebeeld. Tevens zag ik, A-1303, dat er op een aantal foto’s een recente Telegraaf stond afgebeeld. […] Ik, A-1303, zei dat ik zou zorgen dat die foto’s bij mijn Engelse vriend terecht zouden komen. […] [V] zei dat hij nu zaken deed met die vader. Ik, A-1303, zei dat ik gezien de ervaring van de laatste keer niet vooraf met geld over de brug zou komen maar dat ik wel vertrouwen in [V] had.” 10.2 Op 21 mei 2008 zei [V] op het terras van café Mazzeltoff tegen Geert de Rooy dat hij de schilderijen had gezien en dat ze in goede staat verkeerden. Ze lagen niet onder de grond, maar ergens op zolder - op een half uur van Den Bosch. Dat blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal, dat van de ontmoeting is opgemaakt. “Op woensdag 21 mei 2008, omstreeks 12:55 uur, nam ik, A-1303, plaats op het terras