GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.025.920 arrest van de vierde kamer van 12 juni 2012 in de zaak van
(2002)nog contacten plaats vanwege de hoofdpijn, nekpijn en pijn in rechterarm. Dr. Fischer spreekt in januari 2003 van een whiplashsyndroom ten gevolge van het ongeval. Vervolgens worden over deze klachten geen opmerkingen meer gemaakt, maar staat in het huisartsenjournaal dat betrokkene op 12-4-2006 is mishandeld (klappen gezicht, knie, borstbeen), veel pijn spieren en bonkende hoofdpijn en was betrokkene korte tijd niet aanspreekbaar. Op 21-6-2006 staat genoteerd dat betrokkene na de aanrijding van 15-6-2006 druk op het hoofd, nek en rug blijft houden en wordt melding gemaakt van moeheid, een zoemend geluid oor en hoofdpijn naast een stijve pijnlijke nek. Er wordt onder meer een pijnlijke en bewegingsbeperkte nek gevonden. Op 26-6 wordt eveneens gesproken over een gegeneraliseerde pijn als diagnose, te verkrampt zijn en geen rust krijgen. De neurologische correspondentie vermeldt een brief van het AZM, afdeling neurologie, d.d. 18-6-2007 in verband met verwijzing na de twee ongevallen. Onderzoek toonde een drukpijnlijke nek-, schouder- en middenrugmusculatuur aan, maar MRI onderzoek van het cerebrum toonde geen afwijkingen en geconcludeerd werd spierspanningshoofdpijn en er werd een verwijzing naar de revalidatiearts gegeven. Daarnaast wordt een expertiserapport van dr. Dellemijn van 5-12-2003 gememoreerd naar aanleiding van een achteropaanrijding van 26 of 27-4-
- Daarin worden na dat ongeval ontstane klachten van druk op het hoofd, pijn in de rechterschouder, rechterarm en verminderde kracht in de rechterhand genoteerd, waarvoor betrokkene voor het laatst door de huisarts werd gezien op 25-6-2002 en op verzoek van zijn advocaat eenmalig op 15-11-2002 bij de KNO-arts. Daarna zijn er geen gegevens over ongevalgerelateerde klachten gedocumenteerd. Het neurologisch onderzoek toonde geen afwijkingen of neurologisch bepaalde beperkingen naar aanleiding van het ongeval, wel werden aanwijzingen gevonden voor een depressie. 15.8.4.De conclusie van de deskundige ten aanzien van het onderzoek van [appellant sub 1.] komt in grote lijnen overeen met de conclusie ten aanzien van [appellant sub 2.]. Deze luidt: “Betrokkene heeft zowel op 15-06-2006 als op 05-07-2006 een achteropaanrijding met matig tot geringe impact gezien de schade aan de voertuigen, waarbij vanwege het ongevalsmechanisme een licht acceleratie/deceleratie trauma van de cervicale wervelkolom heeft plaatsgevonden met een overrekkingsletsel van de weke delen structuren van de halswervelkolom. Er zijn momenteel maar ook in het verleden gezien de informatie uit de aanvullende stukken geen aanwijzingen voor neurologisch letsel ten gevolge van de ongevallen in de vorm van een cervicale myelopathie, cervicaal radiculair syndroom, plexus brachialisletsel danwel perifeer zenuwletsel of een lumbosacraal radiculair syndroom waarmee de huidige klachten van betrokkene kunnen worden verklaard. Voorts worden bij het huidige onderzoek geen consistente pijnlijk beperkte bewegingsstoornissen waargenomen. Hoewel betrokkene bij het eerste ongeval zich daarna enkele minuten niet kan herinneren, is er naar mijn mening geen sprake geweest van een noemenswaardig traumatisch schedelhersenletsel gezien het ontbreken van aangetoond schedeltrauma, misselijkheid of andere commotionele verschijnselen. Waarschijnlijk heeft enkele maanden voor de ongevallen overigens wel een traumatisch schedelhersenletsel plaatsgevonden gezien de opmerking in het huisartsenjournaal met betrekking tot de mishandeling met “klappen gezicht, knie, borstbeen, veel pijn spieren en bonkende hoofdpijn, kortdurende niet aanspreekbaarheid”. Behoudens lichte verschijnselen van een carpale tunnel syndroom rechts, mijns inzien niet ongevalsgerelateerd, zijn er geen andere neurologische afwijkingen bij het huidige neurologische onderzoek, met name ook geen verschijnselen van een chorea of andere extrapyramidale stoornissen in het kader van de familie-anamnese van betrokkene. Door pijn beïnvloed(d)e bewegingen of neurologische beperkingen worden evenmin waargenomen tijdens of na fysieke arbeid zoals is weergegeven in de observatie-opnamen.. Derhalve kan ik de grote hoeveelheid klachten die betrokkene na het ongeval heeft ontwikkeld, neurologisch niet verklaren. Betrokkene gebruikt forse hoeveelheden analgetica en wat dit betreft kan er sprake zijn van een deels analgetica-afhankelijke hoofdpijn. Ter nadere analyse van eventuele aanwezigheid van een carpaal tunnelsyndroom rechts is EMG-onderzoek gewenst. Indien er sprake is van een carpaal tunnelsyndroom kunnen de hiermee samenhangende klachten eenvoudig operatief worden verholpen. Verder sluit ik niet uit dat er bij betrokkene evenals na het ongeval in 2002 klachten-onderhoudende factoren aanwezig zijn zoals bijvoorbeeld depressieve verschijnselen gezien de slaapstoornissen en futloosheid.” 15.8.
- De aan de deskundige voorgelegde vragen beantwoordt deze, voor zover relevant, als volgt: Vraag 1d (voor de inhoud van de vragen verwijst het hof naar r.o. 18.2.5 en 18.2.6): “Zie hiervoor onder meer de conclusie van hoofdstuk IV waarin onder andere de beeldopnamen in het dit kader van commentaar worden voorzien (opmerking hof: in het rapport van [appellant sub 1.] ontbreekt deze weergave, het hof gaat daar hierna op in). Zowel bij het huidige als bij eerdere neurologische onderzoeken worden geen relevante neurologische afwijkingen beschreven. Derhalve is er wat dit betreft een duidelijke consistentie. Ten aanzien van de observatie-opnamen geeft betrokkene te kennen dat hij de schilderwerkzaamheden in goed overleg heeft uitgevoerd met de verzekeringsmaatschappijen en in dit kader ook reguliere declaraties werden uitgeschreven. Tot een verdere verklaring met betrekking tot het niet door pijn beïnvloede bewegingspatroon zoals op de observatie-opnamen te zien is, komt betrokkene niet behalve dan dat hij aangeeft in wisselende mate klachten te houden en dat hij zich de ene dag goed voelt, de andere dag echter “belabbert”, geen energie heeft en wisselende nekpijnklachten. Vraag 1e “Zie hiervoor onder meer mijn antwoord op vraag 1d. Het klaarblijkelijk zeer wisselende patroon van nekklachten bevestigt mijn indruk dat hier geen sprake is van een neurologisch bepaalde aandoening maar met name gedacht moet worden aan andere klachten-onderhoudende factuoren als oorzaak van de door betrokkene aangegeven problematiek.” Vraag 1f “Betrokkene heeft op mijn vakgebied een acceleratie-deceleratie trauma van de cervicale wervelkolom met matig tot geringe impact ondergaan met daarbij een gering overrekkingletsel van de weke delen structuren van de halswervelkolom. Differentiaal diagnostisch kan ten aanzien van de huidige klachten van betrokkene gezien het forse analgeticagebruik gedacht worden aan een deels analgetica-afhankelijke hoofdpijn. Verder sluit ik niet uit dat er bij betrokkene evenals na het ongeval in 2002 klachten-onderhoudende factoren aanwezig zijn zoals bijvoorbeeld depressieve verschijnselen gezien de slaapstoornissen en de futloosheid ter verklaring van de door betrokkene aangegeven persisterende problematiek.” Vraag 1g “Ik heb geen consistente neurologische afwijkingen bij betrokkene kunnen vaststellen, met name geen aanwijzingen voor een cervicale myelopathie, radiculopathie, plexus brachialisletsel, perifeer zenuwletsel of lumbosacraal radiculair syndroom waarmee de huidige klachten van betrokkene te verklaren zijn. Zie de conclusie van hoofdstuk IV voor de verdere toelichting in dit kader. Derhalve kan zowel als men uitgaat van de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Neurologie als de AMA-guides 6e editie (waarbij in het kader van de bepaling van “impairment” niet wordt voldaan aan het voorschrift dat “the diagnosis used for placement in an impairment class must be based on reliable findings reflective of the impairment that is being assesssed, and supported by the clinical history, current examination, and clinical studies” pg. 599-560) niet worden gesproken van een neurologisch bepaalde “impairment” of beperkingen.” Vraag 2a Voor zover mij bekend vertoonde betrokkene voor het ongeval van 2006 naar aanleiding van het whiplashtrauma na het ongeval van 2002 geen neurologische verschijnselen (in de rapportage van collega Dellemijn worden geen neurologische afwijkingen vastgesteld) en betrokkene verklaart zelf hieromtrent dat hij vanaf 2005 weer volledig werkzaam was zonder beperkingen of behinderingen. Derhalve bestonden op mijn vakgebied voor de ongevallen van 2006 bij betrokkene geen klachten of beperkingen op mijn vakgebied die betrokkene thans nog heeft. Antwoord 2c Betrokkene heeft klachten van parasthesieëen in de rechterhand waarvan hij ’s nachts wakker wordt. Bij onderzoek wordt een positief teken van Tinel gezien. Mogelijk is hier sprake van een carpaal tunnelsyndroom. Een en ander dient via EMG bevestigd te worden. Indien hier sprake van is, kan deze aandoening eenvoudig operatief verholpen worden. Er zijn bij betrokkene verder op dit moment geen aanwijzingen voor de Ziekte van Huntington daar bij het neurologisch onderzoek bij betrokkene er geen choreastische bewegingsstoornissen of andere extrapyramidale stoornissen aanwezig zijn en deze aandoening bij de aangedane broers en zussen van betrokkene zich reeds tussen 30e en 40e levensjaar manifesteerde. (…). Antwoord 2d De klachten van het carpaal tunnelsyndroom zouden waarschijnlijk ook in de situatie zonder het ongeval met dezelfde omvang ontstaan zijn, als nu het geval is. Antwoord 2e Uit de klachten van het carpaal tunnelsyndroom behoeven geen beperkingen of afwijkingen voort te vloeien daar deze aandoening goed kan worden behandeld. 15.8.
- Op een aanvullende vraag van de advocaat van Aegon, althans de medisch adviseur van Aegon, om in vraag 2a een onderscheid te maken tussen datgene wat door de deskundige is vastgesteld en wat door betrokkene is medegedeeld, antwoordt de deskundige: - De klachten voor en na de ongevallen van 2006: De klachten ontstaan na het ongeval van 2002 zijn volgens betrokkene na enkele jaren volledig verdwenen (zie hoofdstuk I.3). Er waren dus geen klachten voor de ongevallen in
- De klachten zoals door betrokkene aangegeven na de ongevallen in 2006 zijn weergegeven in hoofdstuk I.2 (hof: zie de beknopte weergave in 18.8.1). - De neurologische bevindingen voor en na de ongevallen van 2006; Uit het rapport van neuroloog Dellemijn wordt duidelijk dat er ten tijde van zijn onderzoek geen neurologische afwijkingen aanwezig waren (hoofdstuk III). Voor de ongevallen in 2006 worden in de anamnese geen nieuwe neurologische klachten beschreven (hoofstuk I.3) en bij het huidige neurologisch onderzoek worden eveneens geen neurologische afwijkingen vastgesteld (hoofdstuk II). Derhalve kan gevoeglijk worden aangenomen dat zowel in de periode direct voor de ongevallen in 2006 er geen neurologische afwijkingen aanwezig waren en ook in de periode daarna geen neurologische afwijkingen zijn ontstaan. - De vastgestelde beperkingen voor en na de ongevallen van 2006; Betrokkene geeft niet aan in de periode direct voor de ongevallen van 2006 beperkingen te hebben ondervonden (hoofdstuk I.3 en I.4), collega Dellemijn stelt geen neurologisch bepaalde beperkingen vast (hoofdstuk III) en er zijn in de tussenliggende periode voor de ongevallen in 2006 geen neurologische aandoeningen geweest, waaruit neurologische beperkingen zouden zijn voortgevloeid (hoofdstuk I.3). Derhalve mag worden aangenomen dat er voor de ongevallen in 2006 geen neurologische beperkingen aanwezig waren. Bij het huidige onderzoek worden evenmin beperkingen vastgesteld. Er zijn dus voor de ongevallen in 2006 geen neurologisch bepaalde beperkingen aanwezig geweest en ook in de periode daarna geen neurologisch bepaalde beperkingen ontstaan.” 15.9.Ook ten aanzien van [appellant sub 1.] is het hof is van oordeel dat uit het rapport van Bernsen blijkt dat hij nauwgezet verslag heeft gedaan van zijn bevindingen bij het onderzoek van [appellant sub 2.] en dat de deskundige vervolgens op grond van zijn bevindingen tot zijn conclusies is gekomen en op grond daarvan de aan hem ter beantwoording voorgelegde vragen heeft beantwoord. Weliswaar ontbreekt ten aanzien van [appellant sub 1.] een aparte paragraaf waarin de deskundige aangeeft welke bewegingen van [appellant sub 1.] hij heeft waargenomen, maar nu de constatering van de deskundige in zijn conclusie dat door pijn beïnvloede bewegingen of neurologische afwijkingen tijdens of na de fysieke arbeid op de observatieopnamen niet worden waargenomen overeenkomen met de waarnemingen van het hof - de dvd is door Aegon bij akte van 8 september 2010 gedeponeerd - heeft het hof geen behoefte aan een nadere toelichting op c.q. aanvulling van het rapport door de deskundige. De beelden zijn duidelijk en spreken voor zich. Ook ten aanzien van [appellant sub 1.] is inzichtelijk hoe de deskundige tot zijn conclusies is gekomen en ook deze conclusies neemt het hof over en maakt deze tot de zijne. Derhalve geldt ook wat [appellant sub 1.] betreft dat deze op grond van dit rapport niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in r.o. 8.3 ten aanzien van [appellant sub 2.] is overwogen. Die overwegingen zijn ook hier van toepassing. 15.10.[appellant sub 1.] stelt zich in zijn memorie na deskundigenbericht op het standpunt dat het enkele feit dat zijn klachten neurologisch niet objectief kunnen worden verklaard, nog niet betekent dat er in het geheel geen sprake is van klachten bij [appellant sub 1.]. Het feit dat de klachten aanwezig zijn, volgt volgens [appellant sub 1.] reeds uit de overgelegde medische informatie uit de behandelende sector. Wat dit laatste betreft, verwijst het hof naar hetgeen in r.o. 4.6.
- t/m 4.6.
- van het tussenarrest van 27 juli 2010 is overwogen, bij welk oordeel het hof persisteert. Daar heeft het hof, kort gezegd, overwogen, dat het bewijs van de klachten van [appellant sub 1.] op grond van die informatie nog niet is geleverd. [appellant sub 1.] merkt terecht op dat in het algemeen het enkele feit dat klachten neurologisch niet zijn aangetoond niet eraan in de weg staat dat het bewijs van het bestaan van die klachten toch geleverd kan worden geacht indien zijn - subjectieve - klachten in voldoende mate objectiveerbaar zijn. Naar het oordeel van het hof volgt evenwel uit het rapport van Bernsen dat daarvan in dit geval geen sprake is. Het hof verwijst in dit verband naar overweging 4.6.
- van het tussenarrest van 27 juli
- Daarin heeft het hof overwogen dat Aegon door middel van het rapport van Extensive dusdanige twijfels heeft gezaaid over het daadwerkelijk bestaan van de klachten en beperkingen bij [appellant sub 1.] dat deze nog niet vaststaan. Ook ten aanzien van [appellant sub 1.] concludeert Bensen in zijn rapport dat er bij zijn onderzoek geen consistente pijnlijke bewegingsstoornissen worden waargenomen - bij observatie van de spontane bewegingen van de nek vallen geen beperkingen op, ook passief roteren van de nek is onbelemmerd - en dat er evenmin op de observatiebeelden door pijn beïnvloede bewegingen of neurologische afwijkingen tijdens of na fysieke arbeid worden waargenomen. Het hof is anders dan [appellant sub 1.] stelt dan ook niet van mening dat de deskundige de gestelde klachten niet in twijfel trekt. Wat de gestelde ‘lichtheid’ van de werkzaamheden betreft, verwijst het hof naar r.o. 4.6.
- van het arrest van 27 juli
- Dat de observatie van [appellant sub 1.] slechts anderhalf uur heeft geduurd, betekent niet dat daaraan geen waarde kan worden gehecht. Uit de observatie blijkt dat [appellant sub 1.] in die periode bewegingen heeft uitgevoerd die niet zijn uit te rijmen met de door hem gestelde klachten en beperkingen. Bovendien is van belang dat de deskundige ook tijdens zijn onderzoek geen consistente bewegingsstoornissen heeft waargenomen. Het hof ontgaat de relevantie van de opmerking van [appellant sub 1.] dat hij aan het bedrijf alwaar hij is geobserveerd een factuur heeft gestuurd. Het is alleszins logisch dat [appellant sub 1.] de door hem opgedragen en uitgevoerde werkzaamheden in rekening brengt. Overigens wist [appellant sub 1.] tijdens de uitvoering van de litigieuze werkzaamheden niet dat hij werd geobserveerd. Het hof is dan ook van oordeel dat op grond van de conclusies van de deskundige, gebaseerd enerzijds op eigen waarnemingen en anderzijds op zijn deskundige interpretatie van de observatiebeelden, niet kan worden gezegd dat bij [appellant sub 1.] sprake is van een reëel en consistent samenhangend patroon van klachten en beperkingen. Dit betekent dat ook voor [appellant sub 1.] geldt dat het bewijs van het bestaan van de klachten en beperkingen niet is geleverd, zodat ook geen sprake kan zijn van causaal verband tussen de klachten/beperkingen en de twee ongevallen. Dus ook voor [appellant sub 1.] is een eventuele predispositie niet van belang. De conclusie is dus dat niet is komen vast te staan dat [appellant sub 1.] niet in staat is om zijn werkzaamheden normaal uit te oefenen en daarmee inkomen te verwerven. 15.11.Dit alles leidt ertoe dat de grieven 2 t/m 7 falen. De rechtbank heeft terecht de conventionele vordering van [appellant sub 1.] afgewezen. In het verlengde daarvan faalt ook grief
- Voor de grieven 8, 9, 10 en 12, gericht tegen toewijzing van de reconventionele vorderingen, verwijst het hof naar r.o. 18.
- Ten aanzien van [appellant sub 1.] geldt hetzelfde als daar voor [appellant sub 2.] is overwogen. De rechtbank heeft [appellant sub 1.] terecht veroordeeld tot betaling van deze vorderingen van Aegon. 15.12.De slotconclusie is dan ook dat het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant sub 1.] en [appellant sub 2.] worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep, waaronder de kosten van het deskundigenbericht. Deze zijn door ’s Rijks kas voorgeschoten, zodat [Appellant sub 1.] en [appellant sub 2.] deze kosten ad in totaal € 9.609,24 thans aan de griffier van dit hof dienen te voldoen. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld.
- De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [appellant sub 1.] en [appellant sub 2.], hoofdelijk, in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Aegon worden begroot op € 750,00 aan verschotten en op € 1.788,00 aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening; veroordeelt [appellant sub 1.] en [appellant sub 2.], hoofdelijk, tot betaling van de kosten van het deskundigenbericht ad € 9.609,24 aan de griffier van dit hof; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M. Huijbers-Koopman en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 juni 2012.