GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.048.670 arrest van de tweede kamer van 26 juni 2012 in de zaak van [X.], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. R. Teerink, tegen: [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: voorheen mr. F.S. Alting-Landa, thans mr. B. Maat, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 januari 2010 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 182460/HA ZA 07-1902 gewezen vonnis van 14 januari 2009. Het hof zal hierna de nummering van het tussenarrest voortzetten. 5. Het tussenarrest van 19 januari 2010 Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden. 6. Het verdere verloop van de procedure 6.1.De comparitie heeft op 31 maart 2010 plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Partijen zijn niet tot een regeling gekomen en de zaak is naar de rol verwezen voor memorie van grieven. 6.2.Bij memorie van grieven heeft [appellant], onder overlegging van één productie, drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geintimeerde], met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van beide instanties, inclusief de nakosten en de wettelijke rente over de kosten. 6.3.Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] de grieven bestreden. 6.4.Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het procesdossier van [appellant] ontbreekt pagina 4 van het bestreden vonnis. In het dossier van [geintimeerde] ontbreekt het tussenarrest d.d. 19 januari 2010. Het hof heeft van deze stukken kennis genomen uit het dossier van de andere partij respectievelijk het griffiedossier. 7. De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 8. De verdere beoordeling 8.1.1.In rechtsoverweging 3.1. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten door haar in dit geschil is uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten. 8.1.2.Het gaat in deze zaak om het volgende. a.In 1952 (dagvaarding in eerste aanleg onder 2; door [appellant] niet betwist; toevoeging hof) is de loop van de Galderse beek “rechtgetrokken”. Percelen grond die voorheen aan de zuid- respectievelijk noordzijde van de beek lagen, zijn daardoor aan de noord- respectievelijk zuidzijde van de beek komen te liggen. Omstreeks 1974 is de loop van de beek verbeterd en aan beide zijden verbreed. b.Partijen exploiteren beiden een boerenbedrijf. De gronden waarop zij hun respectieve bedrijven uitoefenen grenzen aan de beek. De kadastrale percelen grond van [geintimeerde] liggen - merendeels - aan de noordzijde van de beek, de kadastrale percelen grond van [appellant] liggen - merendeels - aan de zuidzijde van de beek (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg). c.[geintimeerde] heeft de eigendom van de onder b. bedoelde percelen grond in 1989 dan wel 1990 verkregen van zijn vader (productie 1 bij conclusie van antwoord). Laatstgenoemde had de eigendom van deze percelen in 1983 dan wel 1984 verkregen van [Z.], die de eigendom van deze percelen op zijn beurt had verkregen van zijn vader. d.[appellant] heeft de onder b. bedoelde percelen grond vanaf 1991 gepacht van zijn vader (productie 4 bij conclusie van antwoord), die de eigendom van deze percelen in 1986 had verkregen van [A.]. In 2001 heeft [appellant] deze percelen van zijn vader gekocht en geleverd gekregen. In de ter zake opgemaakte notariële akte d.d. 20 december 2001 (productie 5 bij conclusie van antwoord) is aan [appellant] geleverd “DE EIGENDOM van PERCELEN CULTUURGROND, gelegen te [plaatsnaam] voormeld (…), uitmakende de kadastrale percelen gemeente CHAAM, sectie [sectieletter] de nummers [sectienummer sub 1.], [sectienummer sub 2.], [sectienummer sub 3.], [sectienummer sub 4.], [sectienummer sub 5.], [sectienummer sub 6.], [sectienummer sub 7.], [sectienummer sub 8.], [sectienummer sub 9.], [sectienummer sub 10.], [sectienummer sub 11.], [sectienummer sub 12.], [sectienummer sub 13.], [sectienummer sub 14.], [sectienummer sub 15.] en [sectienummer sub 16.] (…)”. e. De percelen grond, (thans) kadastraal bekend gemeente Chaam, sectie [sectieletter], nummers [sectienummer sub 9.], [sectienummer sub 11.], [sectienummer sub 13.] en [sectienummer sub 1.] lagen vóór het rechttrekken van de beek aan de zuidzijde van de beek en zijn door het rechttrekken van de beek aan de noordzijde komen te liggen. Deze percelen grenzen thans derhalve aan de grond waarop [geintimeerde] zijn boerenbedrijf uitoefent. 8.1.3.[geintimeerde] heeft [appellant] in rechte betrokken en gevorderd, kort gezegd, voor recht te verklaren dat de percelen met de kadastrale nummers [sectienummer sub 9.], [sectienummer sub 11.], [sectienummer sub 13.] en [sectienummer sub 1.] door verjaring zijn eigendom zijn geworden en [appellant] te veroordelen de eigendom van [geintimeerde] - waaronder de eigendom van de litigieuze percelen - te respecteren en deze niet zonder toestemming van [geintimeerde] te betreden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. 8.1.4.[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 8.1.5.De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [geintimeerde] toegewezen, met dien verstande dat daarbij de dwangsommen zijn gemaximeerd en bepaald is dat deze niet eerder dan na betekening van het vonnis verbeurd kunnen worden. 8.2.[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen en heeft drie grieven aangevoerd. 8.3.Met grief 3 beoogt [appellant] de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Als grieven worden echter aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd, waarbij vereist is dat die gronden voldoende kenbaar zijn. De enkele vermelding dat een appellant het geschil in volle omvang aan de appelrechter wenst voor te leggen, is niet voldoende om aan te nemen dat enig door appellant niet vermeld geschilpunt, naast andere wel door de appellant nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld. 8.4.1.De grieven 1 en 2, beide gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de familie [familie Z.], rechtsvoorgangster van [geintimeerde], op grond van bezit (te goeder trouw) van de litigieuze percelen grond gedurende een termijn van dertig jaar, door (verkrijgende) verjaring de eigendom van deze percelen heeft verkregen, lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 8.4.2.Het hof stelt voorop dat ook naar het - in casu toepasselijke - oude recht voor rechtsverkrijging door verjaring bezit was vereist. Bezitters te goeder trouw die zich op een wettige titel konden beroepen, verkregen onder het oude recht de eigendom van registergoederen na een onafgebroken verjaringstermijn van twintig jaar (artikel 2000 lid 1 (oud) BW; hierna OBW); voor bezitters te goeder trouw zonder wettige titel gold een dertigjarige termijn (artikel 2000 lid 2 OBW). Het oude recht onthield verkrijgende verjaring aan bezitters te kwader trouw. Wel kende het oude recht een regeling van bevrijdende verjaring waarvoor de eis van goede trouw niet gold, inhoudende dat rechtsvorderingen strekkende tot beëindiging van bezit verjaarden door verloop van dertig jaar (artikel 2004 OBW). 8.4.3.Tussen partijen is niet in geschil dat [Z.] en diens vader de litigieuze percelen grond vanaf het rechttrekken van de beek in 1952 tot 1983 of 1984 onafgebroken in gebruik hebben gehad. Voorts is niet in geschil dat dit gebruik geschiedde ten titel van (feitelijke) ruil - door de rechtsvoorgangers van partijen van die (delen van) percelen die door de rechttrekking aan de overkant van de beek zijn komen te liggen -, doch dat aan het in artikel 671 OBW bepaalde, dat voor levering van deze percelen een - onderhandse - akte eiste, welke ingeschreven diende te worden in de openbare registers, door (de rechtsvoorgangers van) partijen nimmer uitvoering is gegeven. 8.4.4.Nu uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 13 maart 1981, NJ 1982, 57) afgeleid moet worden dat ingeval niet aan het bepaalde in artikel 671 OBW is voldaan aan de titel - in casu ruil - een vormgebrek kleeft, is in het onderhavige geval slechts plaats voor verkrijgende verjaring door bezit te goeder trouw gedurende een termijn van dertig jaar dan wel voor bevrijdende verjaring. 8.4.5.De vraag of sprake was van bezit kan ook onder het OBW worden beantwoord aan de hand van de maatstaven die voor het huidige recht zijn neergelegd in de artikelen 3:107 en verder BW. In artikel 3:107 lid 1 BW is bezit gedefinieerd als het houden van een goed voor zichzelf. Krachtens artikel 3:108 BW wordt de vraag of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet naar verkeersopvatting beoordeeld met inachtneming van de regels van titel 5 van Boek 3 BW en overigens op grond van uiterlijke feiten. Beslissend voor het aannemen van bezit zijn de uiterlijke feiten waaraan in het verkeer een erkenning van bezit wordt geknoopt. Het gaat om het uitoefenen van een voldoende mate van feitelijke macht met de pretentie rechthebbende te zijn. De interne wil om als rechthebbende op te treden is hierbij slechts van betekenis voor zover die in zulke feiten tot uiting komt. Deze maatstaven wijken, zoals gezegd, niet af van hetgeen gold onder het oude recht waar ingevolge artikel 1992 OBW sprake moest zijn van "niet dubbelzinnig" bezit. Het vereiste van ondubbelzinnigheid ligt in wezen besloten in het begrip “bezit” zelf en is om die reden niet meer expliciet in de artikelen 3:107 en volgende BW gesteld (Toel. Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, p. 408 en HR 10 oktober 2008, NJ 2009, 1). Van niet dubbelzinnig bezit is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 15 januari 1993, NJ 1993, 178). Aldus is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende te zijn zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Laat de werkelijk rechthebbende die gelegenheid gedurende lange tijd voorbijgaan, dan kan hem uiteindelijk verjaring worden tegengeworpen. Verjaring dient ertoe de rechtstoestand in overeenstemming te brengen met de feitelijke toestand indien deze lang genoeg heeft bestaan. 8.4.6.In navolging van het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011, LJN BQ5989, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat zich gevallen kunnen voordoen waarbij de ene partij krachtens de rechtsverhouding met de andere partij jegens deze gerechtigd is, vooruitlopend op de levering van het verkochte, zich daarover de feitelijke macht te verschaffen en deze op een zodanige wijze uit te oefenen dat deze partij naar de in het verkeer geldende opvattingen moet worden beschouwd als bezitter hiervan, is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval sprake was van bezit van de litigieuze percelen grond door de [familie Z.]. 8.4.7.Tot dat oordeel nopen de in de onderhavige procedure naar voren gekomen feiten en omstandigheden, beoordeeld naar de maatstaven van de artikelen 3:107 en verder BW. Na het rechttrekken van de beek heeft de [familie Z.] zich op grond van de feitelijke ruil, die de instemming van alle toen betrokken partijen had, immers steeds in alle opzichten en ook uiterlijk zichtbaar - welbeschouwd zijn de litigieuze percelen letterlijk afgesneden van de percelen van de rechtsvoorgangers van [appellant] en zijn zij (visueel) deel gaan uitmaken van de percelen van de [familie Z.] en door deze als zodanig gebruikt - gedragen als rechthebbende op deze percelen. Voorts is gesteld noch gebleken dat zijdens de rechtsvoorganger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.