Sector strafrecht Parketnummer: 20-002181-11 Uitspraak: 17 juli 2012 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Breda van 4 mei 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-993066-06 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1984], wonende te [plaats] (België), [adres]. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, reeds omdat de rechtbank heeft nagelaten een beslissing te nemen ten aanzien van het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat: [naam B.V.] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 5 september 2005 tot en met 16 februari 2006 te Yerseke, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (zonder daartoe verleende vergunning), een aan of nabij de [adres] gelegen inrichting ten behoeve van een loonbedrijf met stalling van landbouwmachines, opslag aardappelen en opslag dieselolie, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 5 en/of 9 en/of 13 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende bijlage I, althans een inrichting als bedoeld in bijlage I van voornoemd Besluit, heeft veranderd, althans de werking daarvan heeft veranderd, althans aldaar een (nieuwe) inrichting heeft opgericht, immers heeft [naam B.V.] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of een ander of anderen, althans alleen, toen en aldaar die inrichting uitgebreid ten behoeve van de opslag van gevaarlijke afvalstoffen (te weten 2,3 dimethylbutaan), althans toen en aldaar die inrichting ten aanzien van bovengenoemde verandering in werking heeft gehad, althans toen en aldaar een (nieuwe) inrichting opgericht ten behoeve van vorenbedoelde opslag van gevaarlijke afvalstoffen, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of een of meer natuurlijke-/(rechts)perso(o)n(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke-/(rechts)perso(o)n(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven. Vrijspraak impliciet primair ten laste gelegde Op grond van artikel 1.1, vierde lid, Wet milieubeheer moeten als één inrichting worden beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Het hof ziet zich aldus gesteld voor de vraag of sprake is van technische, organisatorische en/of functionele bindingen tussen – kort gezegd – de opslag van 2,3-dimethylbutaan en het loonbedrijf van [medeverdachte 1]. Naar het oordeel van het hof was er geen sprake van een organisatorische binding, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering van alle activiteiten die werden verricht bij dezelfde persoon of personen berustte. Immers, de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering van het loonbedrijf berustte bij [medeverdachte 1], terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering met betrekking tot de opslag van 2,3-dimethylbutaan bij verdachte berustte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenmin aannemelijk geworden dat sprake was van technische binding tussen de opslag van 2,3-dimethylbutaan en het loonbedrijf, aangezien het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet om vast te stellen dat sprake was van gemeenschappelijk gebruik van voorzieningen. Ten slotte is niet aannemelijk geworden dat sprake was van functionele binding, in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet van feiten en omstandigheden is gebleken op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake was van uitwisseling van goederen, diensten, personeel of bedrijfsmiddelen tussen het loonbedrijf en de opslag van 2,3-dimethylbutaan. Gelet op het vorenstaande vormden de opslag van 2,3-dimethylbutaan en het loonbedrijf niet één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, Wet milieubeheer. Bijgevolg is de inrichting voor het loonbedrijf met stalling van landbouwmachines, opslag van aardappelen en opslag van dieselolie niet uitgebreid en aldus veranderd. Op grond van het vorenoverwogene schiet het bewijs ervoor tekort om vast te stellen dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, een inrichting heeft veranderd, de werking van een inrichting heeft veranderd of een inrichting ten aanzien van een verandering in werking heeft gehad. Bijgevolg zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: [naam B.V.] op tijdstippen in de periode 5 september 2005 tot en met 16 februari 2006 te Yerseke, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk (zonder daartoe verleende vergunning), nabij de [adres] een nieuwe inrichting heeft opgericht, immers heeft [naam B.V.] tezamen en in vereniging met een ander, toen en aldaar een inrichting ten behoeve van de opslag van gevaarlijke afvalstoffen (te weten 2,3 dimethylbutaan) opgericht, aan welke vorenomschreven verboden gedraging verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard - zakelijk weergegeven - dat niet gesproken kan worden van het oprichten van een nieuwe inrichting door [naam B.V.], aangezien de hoeveelheid 2,3 dimethylbutaan op het terrein van [medeverdachte 1] in tanks was opgeslagen en – in ieder geval gedeeltelijk - aan [medeverdachte 1] was verkocht. Het hof is van oordeel dat de verklaring van verdachte in hoger beroep over de gang van zaken met betrekking tot de opslag van de hoeveelheid 2,3 dimethylbutaan niet aannemelijk is geworden. Het hof neemt daarbij de volgende verklaringen in aanmerking: Het proces-verbaal van verhoor van verdachte door de belastingdienst/FIOD-ECD, codenummer V2-001 d.d. 19 september 2006: “Ik heb via een tussenpersoon, [medeverdachte 2], in 2005 en 2006 in totaal een partij van meer dan 100.000 liter industriële ontvetter gekocht. Ik kocht deze grondstof. (…) [medeverdachte 2] kwam bij mij dat hij een fabriek wist die industriële ontvetter kon leveren. De fabriek is [naam fabriek] in Barneveld. [naam fabriek] zou de industrieel ontvetter aan ons leveren. Op datum van de eerste leveringen moest ik afnemen. Ik had zelf nog geen afnemers en ik heb opdracht gegeven om een tank bij [medeverdachte 1] in Yerseke te gaan huren voor de opslag.” Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] door de belastingdienst/ FIOD-ECD, codenummer V8-001 d.d. 16 februari 2006: “Vraag: Van wie is de tankwagen met opschrift Shell, die op het terrein staat? Antwoord: Die is van [medeverdachte 3]. Vraag: Hoe lang staat die tankwagen er? Antwoord: Sinds twee dagen of drie. Hij heeft hier al een keer eerder gestaan. [medeverdachte 4] rijdt erin. Vraag: Wil je niet weten wat erin zit? Antwoord: Ik heb het wel gevraagd, maar [medeverdachte 4] zei dat deze leeg was. Vraag: Hoe lang ken je [medeverdachte 3] al? Antwoord: Bijna een jaar. Hij maakt altijd papieren op. Hij kwam bij mij vragen of hij olie kon verkopen. Maar dat kon ik niet maken tegenover Shell. Ik heb een paar keer een kubje van [medeverdachte 3] gekocht. (…) De binnengekomen facturen van [medeverdachte 3] heb ik niet betaald en ook niet in de administratie verwerkt. Ik zei tegen [medeverdachte 3] dat ik de facturen niet betaal omdat ik geen spul van je gekocht heb. (…) Vraag: Je vertelde eerder dat je twee tanks hebt, hoe zit dat? Antwoord: De grote tank van 50.000 liter verhuur ik aan [medeverdachte 3] zonder dat ik er voor betaald krijg. Vraag: Welke facturen heb je niet betaald aan [medeverdachte 3]? Antwoord: Dat had met afwasmiddel te maken. (…) De eerder genoemde ongevraagde facturen van [medeverdachte 3] heb ik niet betaald.” Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] door de belastingdienst/ FIOD-ECD, codenummer V8-002 d.d. 27 september 2006: “Een aantal jaren geleden heb ik een gebruikte dubbelwandige tank van 100 m3 voor EUR 5000,- kunnen kopen. Die tank heeft altijd leeg gestaan. [medeverdachte 3] heeft die tank gezien en gevraagd om daar een partij ontvetter in op te mogen slaan. Ik wilde hem niet verhuren, maar omdat hij aan bleef houden heb ik uiteindelijk toegestemd. Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde (…) een factuur met betrekking tot de zending DMB van 5 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.