Sector strafrecht Parketnummer: 20-001091-11 Uitspraak: 17 juli 2012 TEGENSPRAAK Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Middelburg van 3 maart 2011 in de strafzaak met parketnummer 12-994812-08 tegen: WATERSCHAP DE ZEEUWSE EILANDEN, statutair gevestigd te 4337 PA Middelburg, Kanaalweg 1. Hoger beroep De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een geldboete van EUR 25.000,-, waarvan EUR 12.500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Door de raadsman van verdachte is primair bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair is betoogd dat bij een eventuele strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat: zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 november 2006 tot en met 25 januari 2007 te Middelburg, gemeente Middelburg, tezamen en in vereniging met de gemeente Middelburg of (een) ander(en), althans alleen, op een perceel (een voormalige stortplaats) gelegen aan of nabij de Weg van Middelburg naar Kleverskerke, al dan niet opzettelijk, zich van afvalstoffen, te weten baggerslib vermengd en/of verontreinigd met plastic en/of ijzer en/of hout en/of fietsbanden en/of autobanden en/of tractorbanden en/of glas en/of steen en/of asbest, heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op tijdstippen in de periode 27 december 2006 tot en met 25 januari 2007 te Middelburg, gemeente Middelburg, op een perceel (een voormalige stortplaats) gelegen aan de Weg van Middelburg naar Kleverskerke, opzettelijk, zich van afvalstoffen, te weten baggerslib vermengd met plastic en ijzer en hout en fietsbanden en autobanden en tractorbanden en glas en steen, heeft ontdaan door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten. Partiële vrijspraak Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof dat met betrekking tot het ten laste gelegde ‘asbest’ het bewijs tekort schiet. Immers, uit een op 1 juni 2007 door Van Bergeijk ingesteld onderzoek op het betreffend perceel is niet meer gebleken dan dat delen asbestverdacht materiaal zijn aangetroffen in de opgebrachte baggerspecie. Nader onderzoek naar het asbestverdacht materiaal heeft niet plaatsgevonden. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs A.1 De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. A.2.1 De raadsman heeft de partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde ‘storten’, omdat daaronder, op grond van artikel 1.1 Wet milieubeheer, moet worden verstaan ‘op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten’, hetgeen in casu niet de bedoeling was. B.2.2 Naar het oordeel van het hof kan bewezen worden dat verdachte zich van afvalstoffen heeft ontdaan door deze afvalstoffen buiten een inrichting te storten met de bedoeling om ze daar te laten als extra afdeklaag op de voormalige stortplaats. Het baggerslip verliest eerst de status van afvalstof nadat het nuttig is toegepast. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde C.1 De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het Waterschap ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, omdat - kort gezegd - de uitzonderingsbepaling van artikel 10.2, tweede lid, Wet milieubeheer van toepassing is. C.2 Het hof is van oordeel dat op juiste gronden een beroep is gedaan op de vrijstellingsregeling, zoals genoemd in artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Het hof overweegt daartoe als volgt. C.2.1 Ten tijde van het ten laste gelegde - van 27 december 2006 tot en met 25 januari 2007 - luidden de toepasselijke wettelijke bepalingen als volgt (tenzij anders vermeldt): Artikel 10.2 Wet milieubeheer “1. Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.” C.3.1 De Algemene Maatregel van Bestuur waar in het tweede lid naar wordt verwezen is het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (hierna: Besluit vrijstellingen). Het Besluit vrijstellingen strekt ter uitvoering van de in artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer opgenomen mogelijkheid om vrijstellingen te verlenen van het in het eerste lid van dat artikel opgenomen verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een Wet milieubeheer-inrichting op of in de bodem te brengen. C.3.2 Artikel 2 van dit Besluit vrijstellingen luidde ten tijde van het bewezenverklaarde voor zover hier van belang als volgt: “1. Als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, wordt aangegeven: het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking buiten een inrichting op of in de bodem te brengen indien: a.(…) b. dit geschiedt overeenkomstig het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming in een werk waarin afvalstoffen, met uitzondering van avi-bodemas, worden gebruikt als bouwstof c. (…) 2. (…) 3. Het eerste lid, onder a tot en met f, is evenmin van toepassing met betrekking tot de in dat lid bedoelde handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie waarvoor het in artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt.” C.3.3 Vrijstelling van het verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen kan derhalve worden verleend, mits voldaan wordt aan de eisen, zoals genoemd in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (hierna: Bouwstoffenbesluit) en mits dit niet in strijd komt met het Besluit stortplaatsen en stortverboden (artikel 2, lid 3). Van strijd met het Besluit stortplaatsen en stortverboden is naar het oordeel van het hof geen sprake, aangezien het verbod als bedoeld in het eerste lid, onder 1 tot en met 11 van voornoemd Besluit, alleen geldt voor zover deze afvalstoffen afzonderlijk zijn ingezameld of afgegeven (artikel 1, lid 2 Besluit stortplaatsen en stortverboden). Daarvan is in casu geen sprake. C.4.1 Ten aanzien van de voorwaarden zoals gesteld in het Bouwstoffenbesluit overweegt het hof het volgende. Op 29 en 30 augustus 2007 is een partijkeuring uitgevoerd ter plaatse van de Weg van Middelbug naar Kleverskerke op het perceel van [eigenaar perceel]. De partij is in het kader van het Bouwstoffenbesluit onderzocht. De bemonstering is verricht overeenkomstig VKB-protocol 1001 “Monsterneming grond ten behoeve van partijkeuringen” van de Beoordelingsrichtlijn van het Bouwstoffenbesluit, onder certificaat van de BRL SIKB 1000. Voor de bemonstering werd het veld met een partijgrootte van 4.824 m2 ingedeeld in vijf deelpartijen van elk 965 m2. Samenvattend is geconcludeerd dat alle vijf deelpartijen voor de onderzochte chemische parameters voldeden aan de eisen voor categorie 1 grond en aldus aangemerkt konden worden als ‘bouwstof’ in de zin van het Bouwstoffenbesluit. C.4.2 Artikel 1 van dit Bouwstoffenbesluit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde, voor zover hier van belang, als volgt: “1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) b. bouwstof: materiaal in de hoedanigheid waarin het is bestemd in een werk te worden gebruikt en waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10% (m/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.