GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer HD 200.068.637 arrest van de tweede kamer van 4 september 2012 in de zaak van PACK-O-PHANE B.V., gevestigd [vestigingsplaats] appellante, advocaat: mr. A.P.J. Blokland, tegen: [X.] MACHINES B.V., gevestigd [vestigingsplaats] geïntimeerde, advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 15 november 2011 in het hoger beroep van de door de rechtbank Breda onder nummer 164355/HA ZA 06-1458 gewezen vonnissen van 19 december 2007, 12 november 2008 en 31 maart 2010. 6. Het tussenarrest van 15 november 2011 Bij genoemd tussenarrest heeft het hof Pack-O-Phane toegelaten tot tegenbewijs en is iedere verdere beslissing aangehouden. 7. Het verdere verloop van de procedure 7.1. Naar aanleiding van het tussenarrest heeft Pack-O-Phane te kennen gegeven getuigen te willen laten horen. Op 19 januari 2012 heeft Pack-O-Phane één getuige doen horen. Op 13 maart 2012 heeft [geïntimeerde] in contra-ênquete twee getuigen doen horen. 7.2. Pack-O-Phane heeft een memorie na enquête genomen en [geïntimeerde] een antwoord-memorie na enquête. 7.3. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 8. De verdere beoordeling 8.1. In het tussenarrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen en beslist. “Het staat vast dat in de concept-overeenkomst, die Pack-O-Phane heeft opgesteld, het recht tot ontbinding expliciet was opgenomen, terwijl dat recht op verzoek van [geïntimeerde] uit de definitieve overeenkomst is geschrapt (zie hiervoor rechtsoverweging 4.2. onder e). Onbetwist staat voorts tussen partijen vast dat zij uitgebreid onderhandeld hebben - waarbij ook de ontbinding aan bod is gekomen - alvorens de overeenkomst te sluiten en dat zij nadien frequent besprekingen hebben gevoerd over de bouw van de machine. Verder heeft Pack-O-Phane niet betwist dat het een nieuwe, nog niet eerder gebouwde machine betrof, waarmee [geïntimeerde] geen ervaring had en ten aanzien waarvan een derde (te weten: BOM) op verzoek van Pack-O-Phane een haalbaarheidsonderzoek heeft uitgevoerd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voorshands bewezen moet worden geacht dat partijen in de overeenkomst de mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst hebben uitgesloten.” 8.2. Het hof heeft Pack-O-Phane toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands geleverd geachte bewijs dat partijen in de overeenkomst de mogelijkheid tot ontbinding hebben uitgesloten. Het hof heeft daarbij overwogen dat Pack-O-Phane de gelegenheid van het tegenbewijs kon benutten om bewijs te leveren van haar stellingen dat de mogelijkheid van ontbinding alleen niet meer in de overeenkomst is opgenomen omdat dit vanwege de daartegenover gestelde garanties niet nodig was en dat de uitsluiting van de ontbindingsmogelijkheid slechts betrekking had op de overeengekomen productiesnelheid, doch niet zag op de overeengekomen leveringstermijn. 8.3. Als enige getuige heeft Pack-O-Phane laten horen de heer [voormalig directeur], indertijd directeur van Pack-O-Phane. Ten aanzien van het te leveren tegenbewijs heeft de heer [voormalig directeur] - voor zover relevant - verklaard: “(…)In het eerste concept stond voor zover ik me kan herinneren een levertijd met een ontbindende voorwaarde die ingeroepen kon worden na twee maanden als de levertijd werd overschreden. Omdat het een nieuwe, onbekende machine was, wilde [geïntimeerde] die eruit hebben. Daarvoor in de plaats kwam een bonus/malusclausule. Hij moest wel tijdig leveren, maar als hij vertraging opliep, kostte hem dat geld. Tijdens de bouw hebben we veel contact gehad en na een half jaar bleek dat hij het niet ging redden qua tijd. De machine was gecompliceerder dan wij hadden gedacht. Hij heeft daarover ook een keer de commissarissen voorgelicht. (…) In het contract werd ook een output gegarandeerd, uit mijn hoofd moest de minimale netto-output 3.200 per uur zijn. Bij het schrappen van de ontbindende voorwaarde, waarover ik net sprak, hebben wij niet gesproken over deze minimale output. Die stond voor ons vast, anders had het geen zin de machine te bestellen. Het was een nieuw ontwerp, ook voor ons. [geïntimeerde] zei dat 3.200 te halen was. Daar zag hij geen probleem in. Wij hebben nooit besproken dat het contract helemaal niet ontbonden kon worden. Duidelijk was dat de machine moest voldoen aan de specificaties. (…) de ontbinding is expliciet bij de garantie op de levertijd uitgesloten. [geïntimeerde] zei letterlijk voor zover ik het mij herinner: “het is een experimenteel gebeuren, ik investeer veel. Haal de ontbinding er uit en zet er een boeteclausule in.” Zo is het bonus/malussysteem erin gekomen. (…) Bij de garantie die ziet op de output hebben wij niet gesproken over ontbinding. (…)” 8.4. Bij akte na ênquete heeft Pack-O-Phane (onder punt 5) aangevoerd dat op grond van de getuigenverklaring van de heer [voormalig directeur] kan worden vastgesteld dat partijen ter zake van een overschrijding van de levertijd hebben volstaan met een bonus/malus regeling en daarmee bedoeld hebben dat een overschrijding van de leveringstermijn niet tot ontbinding zou kunnen leiden. De stelling van Pack-O-Phane bij akte na ênquete dat de enkele vraag die dan nog resteert, de vraag is of het uitsluiten van de ontbindingsmogelijkheid ook gold met betrekking tot het niet behalen van de minimum productiesnelheid, volgt het hof niet. Afgezien van het feit dat Pack-O-Phane eerder in de procedure steeds het standpunt heeft ingenomen dat de uitsluiting van de ontbinding slechts betrekking had op de overeengekomen productiesnelheid, was het recht tot ontbinding in de conceptovereenkomst - die Pack-O-Phane heeft opgesteld - expliciet opgenomen bij garantie 3, die zag op de minimale netto-output van 3.200 per uur (zie tussenarrest onder 4.2.e), alwaar het op verzoek van [geïntimeerde] is geschrapt. Daarbij heeft [geïntimeerde] in contra-enquête gehoord het volgende verklaard: “(…)Het ging om een geheel nieuwe ontwikkeling die speciaal en alleen voor Pack-O-Phane werd gebouwd. We hebben heel duidelijk besproken dat wij niet het risico wilden lopen dat wij de machine weer terug op de stoep zouden krijgen. (…) Wij hebben ontbinding uitgesloten in alle gevallen. Daarvoor in de plaats zijn boeteclausules gekomen. Dat betrof zowel de levertijd, de kwaliteit, de snelheid en garanties. Waar [voormalig directeur] boetes vroeg zijn we die overeen gekomen. Het eerste contractsvoorstel heb ik van [voormalig directeur] gekregen. Dat hebben we bij ons intern doorgenomen, onder andere met de heer [Y.]. We hebben doorgestreept wat niet akkoord was en zo is het terug naar [voormalig directeur] gegaan. Die overlegde met zijn advocaat en dan kwam er een nieuw concept. Zo hebben wij twee concepten gezien en uiteindelijk het definitieve contract. (…) Wij hebben ook ten aanzien van de levertijd ontbinding expliciet uitgesloten. Op alle punten, zowel capaciteit als levertijd hebben wij dat gedaan. Daar hebben we lang over onderhandeld. Dat wij dat ook op het punt van de snelheid gedaan hebben blijkt uit de doorstrepingen in het concept contract. (…)” 8.5. Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat Pack-O-Phane niet geslaagd is in het leveren van het opgedragen tegenbewijs, noch in het leveren van bewijs van haar stelling dat de uitsluiting slechts betrekking heeft op de overeengekomen productiesnelheid. Ten aanzien van de stelling dat de mogelijkheid van ontbinding alleen niet meer in de overeenkomst is opgenomen omdat dit vanwege de daartegenover gestelde garanties niet nodig was, heeft Pack-O-Phane geen bewijs aangebracht. Grief 1 faalt daarom en grief 2, waarmee Pack-O-Phane klaagt dat de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] niet al bij vonnis van 19 december 2007 heeft afgewezen, volgt dat lot. Het hof stelt vast dat partijen de mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst hebben uitgesloten. 8.6. Met grief 3 klaagt Pack-O-Phane over het oordeel van de rechtbank dat het beroep van [geïntimeerde] op de contractuele uitsluiting van de ontbinding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is (art. 6:248 BW). Met grief 4 stelt Pack-O-Phane de vraag aan de orde of [geïntimeerde], toen bleek dat de machine - gebouwd conform ontwerp op basis van het carrouselprincipe - de overeengekomen snelheid van 3.200 verpakkingen per uur niet kon halen, schadeplichtig is geworden tegenover Pack-O-Phane of van Pack-O-Phane kon verlangen dat zij meebetaalde aan een aanpassing van het ontwerp en aanpassing van de machine (zoals de rechtbank oordeelde). Het hof ziet aanleiding deze grieven gezamenlijk te behandelen. 8.7. De vordering tot schadevergoeding (inleidende dagvaarding sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.