GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Sector belastingrecht Vierde meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 11/00694 Uitspraak op het hoger beroep van de heer X, thans wonende te Y (België), hierna: belanghebbende, en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, hierna: de Inspecteur, tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 september 2011, nummer AWB 10/2718, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur betreffende na te noemen navorderingsaanslag. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.H.37 over het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 120.857, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 714.788 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.587, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 89.348 en een bedrag aan heffingsrente van € 45.833. De navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 589.374, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd, en de boetebeschikking vernietigd. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord. 1.5. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd. 1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 27 juni 2012 te 's-Hertogenbosch. De zaken met procedurenummers 11/00694 en 11/00695 zijn daarbij met instemming van partijen gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. 1.7. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. 1.8. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.9. Ter zitting van het Hof is de heer A als getuige gehoord. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 1.10. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende is onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met mevrouw B (hierna: de echtgenote). 2.2. Belanghebbende bezit 97% van de aandelen in X1 BV (hierna: Beheer BV). Zijn echtgenote bezit 3% van de aandelen in Beheer BV. Beheer BV bezit 100% van de aandelen in - onder meer - C BV (hierna: C BV). Beheer BV en C BV vormen in het onderwerpelijke jaar een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. 2.3. In januari 1999 is belanghebbende in overleg getreden met de gemeente D (hierna: de gemeente) over de aankoop van een perceel bouwgrond aan de E-straat/F-straat te D (hierna: de bouwgrond). 2.4. Bij brief van 15 december 1999, getiteld "grondreservering gebied D1; kavelnr. 000.000.0.", deelt de gemeente belanghebbende mede dat zij bereid is de bouwgrond voor belanghebbende te reserveren voor de bouw van een bedrijfspand ten behoeve van G en C. De verkoopprijs van de bouwgrond bedraagt ƒ 2.270.600 exclusief omzetbelasting (omgerekend: € 1.030.353,36 exclusief omzetbelasting). 2.5. De onder 2.4 genoemde brief van 15 december 1999 bevat een, eveneens op 15 december 1999 gedateerde, bijlage, getiteld "ontwerp-verkoopbesluit". Blijkens dit ontwerp-verkoopbesluit besluit het college van burgemeester en wethouders van de gemeente om de bouwgrond aan belanghebbende te verkopen voor de koopsom van ƒ 2.270.600 exclusief omzetbelasting, zulks onder toepassing van de Algemene Verkoopvoorwaarden 1992, zomede onder toepassing van een aantal bijzondere voorwaarden en bepalingen. 2.6. De Algemene Verkoopvoorwaarden 1992 zijn als bijlage bij de brief van 15 december 1999 gevoegd. 2.7. De bijzondere voorwaarden en bepalingen welke deel uitmaken van het ontwerp-verkoopbesluit van 15 december 1999, vermelden onder meer: "2 a. op het bouwterrein moet en mag alleen een bedrijfsruimte ten behoeve van de huisvesting van G en C worden gebouwd; (...) 4. het is koper verboden, gedurende een periode van twee jaren, gerekend vanaf de datum van gereedkomen van het bedrijfspand, behoudens schriftelijke ontheffing van het college van burgemeester en wethouders, het bedrijfspand te verhuren, op enigerlei andere wijze in gebruik te geven of te vervreemden anders dan aan G en C; (...) 5. indien koper niet voldoet aan het onder punt 4 van dit besluit gestelde, is koper een boete verschuldigd aan de gemeente D die gelijk is aan de koopsom van de grond, zijnde ƒ 2.270.600,-- zonder dat koper vooraf in gebreke wordt gesteld." 2.8. Op 17 januari 2000 hebben belanghebbende en de gemeente een reserveringsovereenkomst getekend, waarin belanghebbende zich bereid verklaart de bouwgrond na verlening van de bouwvergunning te kopen, een en ander overeenkomstig het ontwerp-verkoopbesluit van 15 december 1999. 2.9. Op 22 maart 2002 is de Inspecteur een boekenonderzoek gestart bij Beheer BV naar - onder meer - de activering van uitgaven door C BV ten behoeve van de ontwikkeling van een nieuw bedrijfspand op de bouwgrond. Dit boekenonderzoek is op 17 januari 2003 afgerond met een conceptrapport. Op 25 september 2003 heeft de Inspecteur het (ongewijzigde) definitieve rapport uitgereikt. Het rapport vermeldt onder meer: "3.1.2. Bedrijfspand E-straat/F-straat De heer X heeft in privé grond aangekocht voor het bouwen van een nieuw bedrijfspand. De heer X wil op de grond een bedrijfspand laten bouwen dat deels voor G/C BV is bestemd en voor een deel aan derden zal worden verhuurd. Door C BV wordt 60% van de uitgaven voor de nieuwbouw voor haar rekening genomen. Deze bedragen zijn geactiveerd. Ultimo 2001 was dit bedrag ƒ 153.123. Op dit moment is het nog niet duidelijk of en wanneer de nieuwbouw zal worden gerealiseerd. (...) De grond is privé eigendom van de heer X en wordt fiscaal tot inkomen Box 3 gerekend. Indien het gerealiseerde pand ter beschikking wordt gesteld aan één van de vennootschappen van de heer X, wordt het pand tot het inkomen uit Box 1 gerekend, voor de waarde in het economische verkeer op het moment van het ter beschikking stellen van het pand aan één van de vennootschappen." 2.10. Op 12 augustus 2002 heeft de gemeente een bouwvergunning verleend voor het bouwen van bedrijfsruimten met kantoren op de bouwgrond. 2.11. Bij akte van levering, verleden op 21 november 2002, heeft de gemeente aan belanghebbende in privé de bouwgrond geleverd voor een bedrag van € 1.030.353,36 exclusief omzetbelasting, zulks onder toepassing van de Algemene Verkoopvoorwaarden 2002, zomede onder toepassing van een aantal bijzondere voorwaarden. 2.12. Artikel 8 van de Algemene Verkoopvoorwaarden 2002 bepaalt: "Artikel 8. Bouwplicht. De koper is verplicht met de bebouwing, die blijkens het verkoopbesluit op het verkochte moet worden gesticht, een begin te maken binnen zes maanden na de datum van de bouwvergunning en deze binnen twee jaar na de datum van de bouwvergunning voltooid te hebben." Artikel 11 van de Algemene Verkoopvoorwaarden 2002 bepaalt: "Artikel 11. Ontbinding. a. indien de notariële akte van levering niet binnen de termijn van twee maanden, vermeld in lid b van artikel 2, is verleden of indien koper zijn in artikel 8 vermelde bouwplicht niet is nagekomen, kan de gemeente gebruik maken van haar bevoegdheid de koop overeenkomstig afdeling 6.5.5. van het Burgerlijk Wetboek te ontbinden; b. als de gemeente ontbindt, is koper terstond een boete van 4% van de koopsom, vermeerderd met de ter zake verschuldigde omzetbelasting, aan de gemeente verschuldigd (...);" 2.13. De bijzondere voorwaarden welke deel uitmaken van de akte van levering van 21 november 2002, vermelden onder meer: "2 a. op het bouwterrein moet en mag alleen een bedrijfsruimte worden gebouwd; (...) 4. het is koper verboden, gedurende een periode van twee jaren, gerekend vanaf de datum van gereedkomen van het bedrijfspand met bijbehorende grond, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van het college van burgemeester en wethouders, het bedrijfspand met bijbehorende grond te verhuren anders dan aan Beheer B.V. of een daaraan gelieerde vennootschap; maximaal vijfentwintig procent (25%) mag worden onderverhuurd aan een door de gemeente goed te keuren gebruiker (...); 5. indien koper niet voldoet aan het hiervoor sub 4 gestelde, is koper een boete verschuldigd aan de gemeente die gelijk is aan de koopsom van de grond, zijnde een miljoen dertigduizend drieënvijftig euro en zesendertig eurocent (€ 1.030.353,36) exclusief omzetbelasting zonder dat koper vooraf in gebreke wordt gesteld;" 2.14. Vanaf november/december 2002 heeft de ontwikkeling van het bouwplan volledig stilgelegen. In de jaren daarna heeft belanghebbende verschillende malen tevergeefs geprobeerd om de grond aan derden te verkopen. 2.15. Op 21 november 2002 is op verzoek van belanghebbende een taxatierapport opgemaakt door de heer H, als makelaar en taxateur verbonden aan J te D (hierna: de taxateur). Doel van het taxatierapport is het, ten behoeve van fiscale doeleinden, vaststellen van de waarden van de bouwgrond per 1 januari van de jaren 2001, 2002 en 2003. De onderhandse verkoopwaarden vrij van huur en gebruik worden daarbij getaxeerd op respectievelijk € 1.600.000, € 1.645.000 en € 1.720.000, exclusief omzetbelasting. 2.16. Op 4 december 2003 heeft de taxateur in een allonge behorend bij het taxatierapport van 21 november 2002 de onderhandse verkoopwaarde van de bouwgrond per 24 november 2003 vrij van huur en gebruik getaxeerd op € 1.895.000 exclusief omzetbelasting. 2.17. Bij akte van levering, verleden op 30 december 2003, heeft belanghebbende, handelend voor zich in privé, de bouwgrond geleverd aan C BV tegen een koopsom van € 1.895.000 exclusief omzetbelasting. 2.18. De aangifte vennootschapsbelasting 2003 van Beheer BV is ingediend op 3 december 2004. In verband met de aanslagregeling heeft de Inspecteur telefonisch contact opgenomen met de externe accountant van Beheer BV, de heer K RA, inzake de grondtransactie tussen belanghebbende en C BV. Daarbij heeft de heer K toegelicht, dat C BV het bouwproject in iets gewijzigde vorm zelf gaat realiseren en dat aan de grondtransactie een taxatierapport ten grondslag ligt. Vervolgens heeft de Inspecteur met dagtekening 18 februari 2005 de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2003 ten name van Beheer BV vastgesteld conform de ingediende aangifte. 2.19. De aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003 van belanghebbende is ingediend op 22 november 2004. Met dagtekening 14 april 2005 heeft de Inspecteur de primitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003 ten name van belanghebbende vastgesteld conform de ingediende aangifte. 2.20. Op 12 september 2007 is de Inspecteur een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangifte vennootschapsbelasting 2003 van Beheer BV. De reikwijdte van het onderzoek heeft zich beperkt tot het beoordelen van de aankoop van de bouwgrond en de activering van de ontwikkelingskosten. 2.21. In het kader van het onder 2.20 genoemde boekenonderzoek heeft de Inspecteur eind 2007 en begin 2008 derdenonderzoeken ingesteld bij twee potentiële kopers van de bouwgrond en bij de bouwcoördinator. 2.22. Op 19 november 2007 heeft de registertaxateur van de Belastingdienst een taxatierapport uitgebracht waarin hij de bouwgrond per 30 december 2003 taxeert op een "waarde vrij" van € 1.030.353,36 exclusief omzetbelasting. 2.23. Van het onder 2.20 genoemde boekenonderzoek is een controlerapport opgemaakt gedateerd 26 november 2008. In dit controlerapport wordt geconcludeerd tot een winstuitdeling door C BV aan belanghebbende van € 1.429.577,35 gespecificeerd als volgt: "Op 30 december 2003 vinden de volgende verkapte winstuitdelingen plaats: 1. Het bouwterrein wordt op deze datum voor een te hoge waarde gekocht: € 864.646,64 2. Voor de reeds door C B.V. betaalde ontwikkelingskosten kan de B.V. op dat moment niet meer worden gecompenseerd middels een korting op de huursom en bovendien wordt de B.V. op geen enkele andere wijze gecompenseerd: € 281.349,46 3. De heer X brengt op deze datum de door hem betaalde ontwikkelingskosten bij C B.V. in rekening. Deze ontwikkelingskosten hebben echter voor C B.V. geen waarde: € 283.581,25 Totaal € 1.429.577,35". 2.24. Op 27 november 2008 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003 met boete aangekondigd, gebaseerd op de in het controlerapport gespecificeerde winstuitdeling door C BV van € 1.429.577,35. 2.25. Met dagtekening 4 november 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de aangekondigde navorderingsaanslag opgelegd. Op grond van artikel 2.17, lid 4 van de Wet IB 2001, zoals deze bepaling luidt voor het jaar 2003, is van de winstuitdeling van € 1.429.577,35 50%, ofwel € 714.788, als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen bij belanghebbende en 50% bij zijn echtgenote. Op grond van artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en de paragrafen 25, 26, 43 en 44 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een boete opgelegd van 50%. 2.26. Op 4 december 2009 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003, zomede tegen de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente. Naar aanleiding van het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft op 2 maart 2010 een hoorgesprek plaatsgevonden. Het verslag dat op 15 maart 2010 van dit hoorgesprek is gemaakt, vermeldt onder meer: "Bij brief van 2 april 2003 is het taxatierapport van RSP meegestuurd. In 2007 is de allonge over de jaren 2002 en 2003 verstrekt." De in het verslag genoemde brief van 2 april 2003 betreft de beantwoording van de vragen van de Inspecteur gesteld in het kader van de aanslagregeling inkomstenbelasting 2001. Deze brief behoort in afschrift tot de stukken van het geding (bijlage 3 van het hoger beroepschrift). 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: 1. Is sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit of van kwade trouw bij belanghebbende? 2. Heeft belanghebbende een vermomde uitdeling van winst ontvangen van C BV ten bedrage van € 714.788, door:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.