Sector strafrecht Parketnummer : 20-001857-12 Uitspraak : 26 november 2012 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 mei 2012 in de strafzaak met parketnummer 01-820480-11 tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1989], wonende te [woonplaats], [adres]. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep de verdachte ter zake van - kort gezegd - het opzettelijk verkopen en verstrekken van cocaïne is vrijgesproken. De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij, meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 01 december 2010 tot en met 19 april 2011 te Veldhoven (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer een (grote) hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij meermalen in de periode van 01 december 2010 tot en met 19 april 2011 te Veldhoven telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende feiten en omstandigheden aanwezig waren om tot een redelijk vermoeden van schuld dat de verdachte zou handelen in drugs. De politie beschikte slechts over CIE-infomatie welk onvoldoende concreet en betrouwbaar was. De opsporingsbevoegdheden in het kader van het onderzoek jegens verdachte hadden niet mogen worden aangewend. Verdachtes aanhouding is aldus niet rechtmatig geschied. Al het bewijs dat rechtstreeks het gevolg is van die onrechtmatigheid dient te worden uitgesloten van het bewijs. Hieronder vallen, aldus de verdediging, de eigen verklaringen van verdachte alsmede de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Het hof overweegt als volgt. Voor aanhouding van een verdachte buiten heterdaad dient een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit te bestaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit wordt vastgesteld op basis van de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de aanhouding. Op het moment van de aanhouding van de verdachte op 19 april 2011 waren blijkens het eindproces-verbaal (nummer 2011045185 blz. 28) de volgende relevante feiten en omstandigheden bekend. Blijkens het proces-verbaal CIE-informatie d.d. 31 maart 2011 (nummer 29-403922 blz. 1283) is bij de CIE van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost de volgende als betrouwbaar aangemerkte informatie binnengekomen: ‘[verkoper 1] koopt zijn cocaïne, welke hij in kleinere verkoopbare hoeveelheden verpakt en weer doorverkoopt, van [verdachte].’ Uit onderzoek is voorts gebleken dat met [verdachte] wordt bedoeld [verdachte], geboren op [1989] te [geboorteplaats]. Voorts is uit het Basisbedrijfsprocessensysteem BVH van de politie een registratie bekend dat verdachte in maart 2010 is aangehouden wegens bezit van harddrugs. Vooropgesteld dient te worden dat verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen enkel op basis van aan de politie verstrekte CIE-informatie, mits deze informatie voldoende en betrouwbaar geachte concrete feiten en omstandigheden bevat voor een redelijk vermoeden van schuld. Het hof is van oordeel dat de verbalisanten op basis van de boven vermelde CIE-informatie redelijkerwijs konden vermoeden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan handel in cocaïne. In de eerste plaats is de informatie concreet over een tweetal personen (“[verkoper 1]” en [naam]) en over de aard van de handelingen. In de tweede plaats is uit eigen onderzoek van de politie gebleken wie is bedoeld met “[verkoper 1]” en met [naam]. Dit onderzoek heeft kunnen plaatsvinden tegen de achtergrond van de informatie die door de politie inmiddels was vergaard in het kader van de onderzoeken genaamd ‘Muntvlinder’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.