GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.118.879/01 arrest van 4 juni 2013 gewezen in het incident tot voeging in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats 1] (Duitsland), appellante, eiseres in het incident, advocaat: mr. N.P.H. Vissers, tegen: [geïntimeerde], wonende te [woonplaats 2] (Frankrijk), geïntimeerde, verweerster in het incident, advocaat: mr. D.C. Bitter, op het bij exploot van dagvaarding van 11 december 2012 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond in vrijwaring gewezen vonnis van 12 september 2012 tussen appellant – [appellante] – als eiser en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 108013/HA ZA 11-258) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in de hoofdzaak gewezen vonnis van de rechtbank Roermond van 12 september 2012 met zaaknummer/rolnummer 103853/ HA ZA 10-727 tussen [eiser 1] en [eiser 2] als eisers en [appellante] en [geïntimeerde] als gedaagden. 2Het geding in hoger beroep 2.
- In voormelde appeldagvaarding heeft [appellante], voor het geval in hoger beroep de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] in de hoofdzaak worden toegewezen, geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het – zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – alsnog toewijzen van zijn inleidende vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 2.
- Bij memorie van grieven heeft [appellante] een incidentele conclusie tot voeging genomen van de onderhavige zaak in vrijwaring met de eveneens bij het hof (onder zaaknummer HD 200.117.720/01) aanhangige hoofdzaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] als appellanten en [appellante] en [geïntimeerde] als geïntimeerden. 2.
- Bij memorie van antwoord in het incident heeft [geïntimeerde] te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de gevorderde voeging van de beide zaken en heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. 2.
- Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd in het incident. 3De beoordeling 3.
- Alvorens de vordering tot voeging te kunnen beoordelen, dient het hof eerst na te gaan of de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Zowel [appellante] als [geïntimeerde] wonen immers niet in Nederland, zodat de zaak internationale aspecten heeft. Naar het oordeel van het hof is de Nederlandse rechter ingevolge de EEX-verordening bevoegd van het geschil kennis te nemen. 3.
- Gelet op het bepaalde in artikel 353 lid 1 Rv in verbinding met artikel 222 Rv is het hof van oordeel dat de incidentele vordering tot voeging behoort te worden toegewezen, nu de hiervoor genoemde zaken met elkaar verknocht zijn. 3.
- Het hof zal de beslissing over de kosten van het incident aanhouden tot de einduitspraak. 4De beslissing Het hof: in het incident: beveelt de voeging van de onderhavige zaak in vrijwaring (zaaknummer HD 200.118.879/01) met de bij dit hof aanhangige hoofdzaak met zaaknummer HD 200.117.720/01 tussen [eiser 1] en [eiser 2] als appellanten en [appellante] en [geïntimeerde] als geïntimeerden; in de zaak in vrijwaring: verwijst de zaak naar de rol van 9 juli 2013 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde]; in het incident en de zaak in vrijwaring: houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 juni 2013.