Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-004165-12 Uitspraak : 24 juni 2013 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad, op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Middelburg van 6 juni 2008, parketnummer 12-709307-07 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te[geboorteplaats]op [geboortedag], wonende te [woonplaats],[adres]. Hoger beroep De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Verloop van de procedure Verdachte is bij het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Middelburg, waarvan beroep, vrijgesproken van het ten laste gelegde feit (- kort gezegd - belediging van een ambtenaar van politie door middel van de tekst “A.C.A.B”). Bij arrest van 20 februari 2009 (parketnummer 22-003061-08) heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep het vonnis waarvan beroep vernietigd en de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,--, subsidiair 4 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Tegen dit arrest is door de verdachte op 26 februari 2009 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij uitspraak van 11 januari 2011 (nr. S 09/00921) voormeld arrest vernietigd en de zaak naar het gerechtshof ’s-Gravenhage teruggewezen teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft na terugwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 13 mei 2011 (parketnummer 22-000363-11) de verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Vervolgens heeft de advocaat-generaal bij het hof ’s-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld tegen voormeld arrest. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij zijn arrest van 3 juli 2012 (S 11/02634) de bestreden uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Onderzoek van de zaak Dit arrest is - na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Op de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 juni 2013 is op vordering van de advocaat-generaal de tenlastelegging gewijzigd. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen primair ten laste is gelegd, het bewezen verklaarde en de verdachte strafbaar zal verklaren, doch zal bepalen dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Namens verdachte is bepleit: primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard; subsidiair dat verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken en meer subsidiair dat toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 juni 2013 de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep bestaande uit toevoeging van de hierna opgenomen subsidiaire variant - ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 16 maart 2007 in de gemeente Goes opzettelijk een ambtenaar, te weten de hoofdagent van politie [verbalisant], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid door een feitelijkheid heeft beledigd door daar toen opzettelijk beledigend zichtbaar voor voornoemde ambtenaar een bomberjack/jas te tonen/dragen met daarop de opdruk/tekst "A.C.A.B." (= All Cops Are Bastards), althans een opdruk/tekst (op die bomberjack/jas) van gelijke beledigende aard en/of strekking; althans, hij op of omstreeks 16 maart 2007 in de gemeente Goes opzettelijk het openbaar gezag of een openbaar lichaam of een openbare instelling, te weten de Nederlandse politie(organisatie), althans het regionale politiekorps Zeeland, althans het regiokorps Zeeland team Goes noord, in het openbaar bij afbeelding heeft beledigd door op de openbare weg, de Houtkade te Goes, duidelijk zichtbaar voor een ieder, een bomberjack/jas te tonen/dragen met daarop (in Gotisch schrift) de tekst “A.C.A.B.” (= All Cops Are Bastards), althans een opdruk/tekst (op dat bomberjack/die jas) van gelijke beledigende aard en/of strekking. Het hof heeft bij het primair ten laste gelegde bij de weergegeven lettercombinatie “ACAB” na elke letter een punt ingelezen, nu dit blijkens de foto’s in het dossier in overeenstemming is met de tekst op het jack. Voor zover in de tenlastelegging overigens nog taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is door deze wijzigingen niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid openbaar ministerie Zijdens verdachte is het verweer gevoerd dat vanwege een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering het openbaar ministerie niet-ontvankelijkheid dient te worden verklaard. De raadsman heeft daartoe - in de kern - het volgende aangevoerd. Verbalisant[verbalisant] kon er allerminst op vertrouwen dat hij in zijn recht stond met de aanhouding van cliënt, het verhoor van cliënt en de inbeslagneming van het jack en het doen ondertekenen van de afstandsverklaring door cliënt. Hoofdagent[verbalisant] heeft in een zaak waarbij hijzelf stelt slachtoffer te zijn, zelf (alle) processen-verbaal opgemaakt en (vrijheidsbenemende) dwangmiddelen toegepast zonder dat daarvoor evident voldoende aanleiding bestond.[verbalisant] heeft daarmee gehandeld in strijd met beginselen van een goede proces-orde. Het Openbaar ministerie heeft zich met deze gang van zaken verenigd door op basis van het dossier te vervolgen. Het openbaar ministerie heeft daarmee welbewust dan wel met grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte afbreuk gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a van het wetboek van strafvordering en dat de raadsman ook niet heeft duidelijk gemaakt welk nadeel de verdachte heeft geleden door de gestelde vormverzuimen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Uit het dossier blijkt de volgende gang van zaken. Op vrijdag 16 maart 2007 omstreeks 23.17 zag hoofdagent[verbalisant] verdachte op de openbare weg te Goes lopen met een bomberjack met daarop het naar oordeel van de hoofdagent beledigend opschrift “A.C.A.B”. Verdachte werd daarop door de hoofdagent op heterdaad aangehouden ter zake belediging van een ambtenaar in functie en ter voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie overgebracht naar het politiebureau in Goes. Aankomsttijd op het politiebureau: 23:22 uur. Omstreeks 23:32 uur is verdachte door hoofdagent [verbalisant] verhoord. Tijdens dat verhoor heeft verdachte afstand gedaan van het bomberjack. Om 23:59 uur werd verdachte voorgeleid voor de dienstdoende hulpofficier van justitie en daarna heengezonden. Als tijdstip van heenzending is vermeld 23:50 uur, hetgeen het hof een kennelijke verschrijving acht. Het hof gaat ervan uit dat na voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie de verdachte direct is heengezonden. Beoordeling van het verweer Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat niet-ontvankelijk verklaring van het OM in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Het hof overweegt dat het Wetboek van Strafvordering zich er niet tegen verzet dat een politieambtenaar, die van oordeel is dat tegen hem een strafbaar feit is gepleegd, ter zake van dat feit opsporingshandelingen verricht waaronder begrepen de toepassing van dwangmiddelen en het verhoren van de verdachte. Aan de raadsman kan worden toegegeven dat het in het algemeen minder wenselijk is dat in een dergelijk geval na aanhouding en overbrenging van de verdachte naar een plaats van verhoor, dezelfde politieman het opsporingsonderzoek verricht. Maar deze minder wenselijke gang van zaken brengt op zichzelf niet mee dat het recht op een eerlijke behandeling van de zaak is geschonden. De raadsman heeft niet aangegeven waarin de door hem gestelde schending van dit recht in concreto heeft bestaan. De stelling van de raadsman dat hoofdagent[verbalisant] niet op eigen gezag tot aanhouding op heterdaad had mogen overgaan nu hij zichzelf het subject achtte van de belediging en derhalve eerst aangifte had moeten doen opdat een officier van justitie kon bepalen of er ook sprake was van voldoende verdenking om in dat geval een bevel tot aanhouding te geven, vindt geen steun in het recht. De hoofdagent werd geconfronteerd met een voor politieagenten beledigende tekst op het jack van de verdachte en kon er redelijkerwijze van uitgaan dat op dat moment sprake was van belediging van een ambtenaar in functie, op heterdaad ontdekt. Het hof ziet ook niet in waarom het schriftelijk afstand laten doen van een onder verdachte in beslaggenomen bomberjack inbreuk maakt op het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat verdachte desgevraagd heeft medegedeeld afstand te doen van het jack en niet is gesteld of gebleken dat deze afstand onder ongeoorloofde dwang tot stand is gekomen. Dat verdachte geen afstand zou hebben gedaan als hij niet was aangehouden, zoals door de raadsman gesteld, is voor de beoordeling niet relevant. Ambtshalve overweegt het hof nog het volgende. Uit de hierboven weergegeven gang van zaken blijkt dat verdachte bij aankomst op het politiebureau eerst is gehoord door verbalisant[verbalisant], alvorens voor de hulpofficier van justitie te zijn geleid. Uit het proces-verbaal blijkt niet waarom de verdachte eerst is verhoord en vervolgens pas is voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. In beginsel is aldus niet voldaan aan de ratio van de voorgeleidingsplicht als bedoeld in artikel 53, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet echter op de korte tijdspanne die er heeft gezeten tussen de aankomst op het bureau en de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie en voorts nu gesteld noch gebleken is dat de verdachte van deze gang van zaken enig nadeel heeft ondervonden, beoordeelt het hof deze gang van zaken niet als een vormverzuim waaraan een in artikel 359a, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering genoemd rechtsgevolg moet worden verbonden Het verweer wordt verworpen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 16 maart 2007 in de gemeente Goes opzettelijk een ambtenaar, te weten de hoofdagent van politie [verbalisant], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid door een feitelijkheid heeft beledigd door daar toen opzettelijk beledigend zichtbaar voor voornoemde ambtenaar een bomberjack te dragen met daarop de opdruk/tekst "A.C.A.B.". Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.