GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 12/00462 Uitspraak op het verzoek van [belanghebbende], wonende te [woonplaats], hierna: verzoeker, om herziening in de zin van artikel 8:88, lid 1 -thans artikel 8:119, lid 1- van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van de uitspraak van dit Hof van 5 maart 2010, kenmerk 08/00564, op het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 juli 2008, nummer AWB 07/1206, in het geding tussen verzoeker en de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/[A], van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) betreffende na te noemen aanslag en beschikking. 1Ontstaan en loop van het verzoek 1.1. Aan verzoeker is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.801 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 45.904. Ter zake van deze aanslag is aan verzoeker bij beschikking een bedrag van € 493 aan heffingsrente in rekening gebracht. Op het bezwaar van verzoeker tegen deze aanslag en beschikking, heeft de Inspecteur de aanslag en de beschikking bij uitspraak gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Deze heeft bij haar vorenvermelde uitspraak het beroep, voor zover te dezen van belang, ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze laatste uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij het Hof. Bij vorenvermelde uitspraak van 5 maart 2010 heeft het Hof ,voor zover te dezen van belang, dit hoger beroep ongegrond verklaard. 1.4. Bij brief van 17 augustus 2012, bij het Hof binnengekomen op 20 augustus 2012, heeft verzoeker het Hof verzocht de uitspraak van 5 maart 2010 te herzien. Ter zake van dit verzoek heeft de griffier op grond van artikel 8:88, lid 2, in verbinding met artikel 8:41 van de Awb en artikel 27l van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst vóór 1 januari 2013) van verzoeker geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft het verzoek om herziening bij verweerschrift bestreden. 1.5. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft vervolgens schriftelijk gedupliceerd. 1.6. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:58, lid 1, van de Awb heeft verzoeker op onderscheidenlijk 11 februari 2013 en 15 maart 2013 nadere stukken ingediend. De griffier heeft deze stukken in kopie aan de Inspecteur doen toekomen. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 27 maart 2013 te ‘s-Hertogenbosch, zulks -overeenkomstig de wens van verzoeker en zonder bezwaar van de zijde van de Inspecteur- in het openbaar. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord verzoeker, vergezeld van zijn echtgenote en van de heer [B], alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [D]. 1.8. Verzoeker heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken. 1.9. Het Hof heeft aan het slot van deze zitting het onderzoek gesloten. 1.10. Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt. 2Gronden Ten aanzien van het verzoek 2.1. De mogelijkheid tot herziening is gegeven om – binnen de in artikel 8:88, lid 1, van de Awb aangegeven grenzen – rechterlijke beslissingen te herstellen die berusten op een ondeugdelijke feitelijke grondslag. Ingevolge evengenoemde bepaling kan een onherroepelijke uitspraak op verzoek van een partij slechts worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die: . hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, . bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de desbetreffende rechtelijke instantie eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is de mogelijkheid van herziening uitdrukkelijk niet bedoeld om het door de desbetreffende rechterlijke uitspraak afgesloten debat te heropenen. 2.2. Verzoeker doet zijn verzoek om herziening met name steunen op de volgende door hem gestelde feiten of omstandigheden: a. het feit c.q. de omstandigheid dat het hem voor de uitspraak van het Hof niet bekend was en redelijkerwijs ook niet bekend kon zijn dat er per 1 januari 2001 met betrekking tot in box 3 vallende onroerende zaken geen andere waardebepaling is ingevoerd dan die welke voor dergelijke zaken gold onder de Wet op de vermogensbelasting 1964. Verzoeker wijst er in dit verband op dat de besluiten van de Staatssecretaris van Financiën van 25 augustus 2000, nr. CPP 2000/1313M, en van 9 februari 2004, nr. CPP 2003/2040M, hem voor die uitspraak niet bekend waren en dat de Inspecteur het Hof heeft misleid door geen melding te maken van die besluiten, b. de omstandigheid dat de Inspecteur voor de Rechtbank slechts had gesteld dat uit het controlerapport duidelijk blijkt dat de « waarde-afspraak is gemaakt voor de vermogensbelasting », dat de Rechtbank desondanks heeft geoordeeld dat uit dit rapport duidelijk blijkt dat deze afspraak « uitsluitend ziet op de aanslagen vermogensbelasting 1998 en 1999 » en dat de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld door het Hof hierop niet te attenderen, en c. de omstandigheid dat het hem ten tijde van de procedure voor het Hof niet bekend was dat de Inspecteur ten aanzien van twee andere belastingplichtigen een ander, gunstiger, standpunt met betrekking tot de waardering van verhuurde onroerende zaken had ingenomen dan hij in die procedure ten aanzien van verzoeker deed en dat de Inspecteur derhalve ten aanzien van andere belastingplichtigen een ander, gunstiger, beleid met betrekking tot de waardering van dergelijke zaken voert dan ten aanzien van verzoeker. 2.3. Met betrekking tot hetgeen in de vorige overweging onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.