GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.123.222/01 arrest van 16 juli 2013 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats], appellante, advocaat: mr. R.H.M. Madou te Sint Philipsland, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. O.R.M. Veldhuijzen-Wennekers te Breda, als vervolg op de door de rolraadsheer gegeven beslissing van 9 april 2013in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer C/02/257494 KG ZA 12-684 gewezen vonnis van 31 januari 2013 tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser. 1Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit:- de appeldagvaarding van 26 februari 2013 met 19 grieven;- de conclusie van eis van 12 maart 2013; de rolbeslissing van 9 april 2013; de akte van [appellante] van 23 april 2013; de antwoordakte van [geïntimeerde] van 21 mei 2013 met producties. Partijen hebben arrest gevraagd. De brief van 5 juni 2013 met H16 formulier en de memorie na antwoordakte-memorie van [appellante], tegen welke stukken [geïntimeerde] bezwaar had gemaakt, beschouwt het hof op het daartoe gedane verzoek van [appellante] als niet ingediend. 2De verdere beoordeling 2.1. Bij genoemde rolbeslissing is [appellante] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep omdat het eindvonnis waarvan beroep in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte en niet was gebleken dat het hoger beroep conform artikel 3:301 lid 2 BW binnen acht dagen na het instellen daarvan is ingeschreven in de registers bedoeld in artikel 433 Rv. 2.2. In haar akte beroept [appellante] zich op jurisprudentie van de Hoge Raad op grond waarvan niet-ontvankelijkheid ingevolge artikel 3:301 lid 2 BW is beperkt tot klachten die zich richten tegen het gedeelte van de uitspraak waarin de rechter heeft bepaald dat het vonnis op de voet van artikel 3:301 lid 2 BW in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Nu tegen dat gedeelte van de bestreden uitspraak geen grieven zijn aangevoerd, meent [appellante] dat het aangewende rechtsmiddel geheel ontvankelijk is. Verder wijst zij op de strekking van de wettelijke regeling en betoogt zij dat deze strekking geen geweld is aangedaan omdat het vonnis niet is ingeschreven in de openbare registers van het kadaster, er geen notariële akte is tot overdracht van het onroerend goed, noch de inschrijving daarvan in de openbare registers van het kadaster, en het aangewende rechtsmiddel (inmiddels, naar het hof begrijpt) is ingeschreven in het register ex artikel 433 Rv. 2.3. Het hof stelt vast dat niet gebleken is dat het hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 januari 2013 tijdig is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 433 Rv. De sanctie op niet naleving van het inschrijvingsvereiste is op grond van het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. 2.4. Het hof verwerpt de stelling van [appellante] dat zij niettemin ontvankelijk is omdat de rechtszekerheid niet in het geding is gekomen. Het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW strekt ertoe de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de ten aanzien van verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid. De zware sanctie van niet-ontvankelijkheid op het verzuim om het rechtsmiddel in te schrijven is gekozen omdat dit stelsel duidelijk is en minder verzuim van het vormvereiste in de hand werkt, terwijl het voorschrift van artikel 3:301 lid 2 BW een eenvoudige formaliteit behelst, zodat naleving daarvan voor de aanlegger niet bezwaarlijk is (vgl. HR 4 mei 2007, LJN AZ7615). Gezien het doel en strekking van gemeld artikel, leiden de door [appellante] aangevoerde omstandigheden niet tot ontvankelijk-verklaring van het hoger beroep. 2.5. Wel onderschrijft het hof de stelling van [appellante] dat op grond van jurisprudentie het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW niet zonder meer leidt tot integrale niet-ontvankelijkverklaring. Gelet op de uitspraken van de Hoge Raad van 24 december 1999, LJN AA4005 en 4 mei 2007, LJN AZ 7615 moet deze bepaling aldus worden opgevat dat de appellant die het instellen van zijn beroep niet (tijdig) heeft doen aantekenen in het in artikel 433 Rv bedoelde register, uitsluitend niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard voor zover het hoger beroep dat gedeelte van de uitspraak betreft ten aanzien waarvan de rechtbank heeft bepaald dat het op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de akte en overigens voor zover met dat gedeelte een onlosmakelijk verband bestaat. Aan dit laatste aspect – een (eventueel) onlosmakelijk verband – besteedt [appellante] evenwel geen aandacht. 2.6. Zakelijk weergegeven heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg na vermeerdering van eis gevorderd: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.