← Nederland

ECLI:NL:GHSHE:2013:3521

GERECHTSHOF TE ’S-HERTOGENBOSCH meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek Registratienummer wraking: 188-10-2013 Datum uitspraak: 2 augustus 2013 BESLISSING op het mondelinge verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met parketnummer 20-003577-08 van: [verzoeker] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres], hierna te noemen: “de verzoeker”, bijgestaan door raadsman mr. P.M.J. Graus, advocaat te Heerlen, strekkende tot wraking van mr. H.D. Bergkotte, raadsheer-commissaris in de strafsector van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. 1Het procesverloop 1.

  1. De wraking van mr. H.D. Bergkotte is mondeling verzocht bij gelegenheid van het getuigenverhoor van [getuige] bij de raadsheer-commissaris in de strafzaak tegen verzoeker op 2 juli
  2. 1.
  3. Mr. H.D. Bergkotte heeft schriftelijk te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en geen gebruik te maken van de mogelijkheid om schriftelijk dan wel mondeling op het verzoek te reageren. 1.
  4. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek met gesloten deuren behandeld op 25 juli
  5. Bij die gelegenheid was de verzoeker niet aanwezig, doch heeft de raadsman van verzoeker het wrakings-verzoek mondeling toegelicht. Bij de behandeling is geen vertegenwoordiger van het openbaar ministerie aanwezig geweest. Na afloop van de behandeling van het wrakingsverzoek heeft de coördinator die belast is geweest met de voorbereiding van de wrakingszitting aan de wrakingskamer laten weten dat de behandelend advocaat-generaal wel op de hoogte was gesteld van datum en tijdstip van de wrakingszitting maar heeft meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. 2Het standpunt van verzoeker 2.
  6. Aan het wrakingsverzoek heeft de verzoeker – kort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat uit de gesloten vraag die door mr. Bergkotte aan de getuige [getuige] werd gesteld – gelet op de formulering en wijze waarop deze vraag werd gesteld – blijkt van vooringenomenheid van mr. Bergkotte dan wel is daardoor de schijn van vooringenomenheid gewekt. 3De beoordeling van het wrakingsverzoek 3.
  7. Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan wraking van een rechter worden verzocht op grond van feiten en omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. 3.
  8. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 3.
  9. Het wrakingsverzoek is gegrond op de stelling van de raadsman van verzoeker dat de raadsheer-commissaris mr. Bergkotte bij het horen van de getuige [getuige] op 2 juli 2013 een gesloten vraag aan de getuige heeft gesteld. De bedoelde vraag is in het proces-verbaal van getuigenverhoor als volgt verwoord: “U vraagt mij of degene die de politie heeft aangehouden dezelfde persoon is als die ik zo even heb beschreven, te weten: degene die aan de auto’s heeft gevoeld.” Volgens de raadsman heeft mr. Bergkotte door deze vraagstelling blijk gegeven van vooringenomenheid dan wel heeft hij de schijn van vooringenomenheid gewekt. 3.
  10. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan de hier bedoelde vraagstelling niet als een blijk van vooringenomenheid van mr. Bergkotte worden aangemerkt. Evenmin kan de vraagstelling de kennelijk bij (de raadsman van) verzoeker bestaande vrees van vooringenomenheid objectief rechtvaardigen. 3.
  11. De raadsman heeft bij de behandeling van het wrakingsverzoek weliswaar aangegeven dat de weergave van de vraagstelling in het proces-verbaal van 2 juli 2013 onjuist is in die zin dat in zijn visie niet zozeer sprake is geweest van een vraagstelling maar eerder van een constatering van de raadsheer-commissaris waaromtrent aan de getuige een bevestiging werd gevraagd, maar de wrakingskamer kan de raadsman hierin niet volgen. Voor hetgeen is voorgevallen tijdens het getuigenverhoor van 2 juli 2013 is het proces-verbaal van dat getuigenverhoor leidend. In dit verband neemt de wrakingskamer mede in aanmerking dat de raadsman – blijkens het proces-verbaal van het getuigenverhoor – de vraagstelling door de raadsheer-commissaris heeft begrepen als een vraag, immers de raadsman heeft, voordat de getuige kon antwoorden, de raadsheer-commissaris geïnterrumpeerd en kenbaar gemaakt dat de laatste vraag een gesloten vraag is, te weten een vraag die slechts met ja of nee kan worden beantwoord. 3.
  12. Omdat de vraag, zoals geformuleerd in het proces-verbaal van 2 juli 2013 reeds eerder voor verzoeker aanleiding is geweest om in deze zaak een wrakingsverzoek in te dienen, welk wrakingsverzoek eveneens is afgewezen (beslissing van 21 juni 2012, registratienummer 169/09-2012) zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend wrakingsverzoek wegens het stellen van de vraag aan een getuige, zoals geformuleerd in het proces-verbaal van 2 juli 2013, als misbruik van het wrakingsmiddel moet worden aangemerkt zodat het verzoek niet in behandeling hoeft te worden genomen (artikel 515, lid 4, Sv). B E S L I S S I N G Het hof: wijst het verzoek tot wraking af; bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek; bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek wegens het stellen van de vraag aan een getuige, zoals geformuleerd in het proces-verbaal van 2 juli 2013, als misbruik van het wrakingsmiddel moet worden aangemerkt zodat het verzoek niet in behandeling hoeft te worden genomen; beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, zijn raadsman, het openbaar ministerie en de raadsheer-commissaris mr. H.D. Bergkotte. Aldus gedaan in raadkamer door mr. N.J.M. van Etten, voorzitter, mr. J.C.A.M. Claassens en mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Oort als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2013.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.