GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.116.060/01 arrest van 13 augustus 2013 in de zaak van 1 [appellant 1.], wonende te [woonplaats] (Duitsland), 2. [appellante 2.], wonende te [woonplaats] (Duitsland), appellanten, advocaat: mr. J.F.C. Eliëns te Beek, tegen [X.] & Partners B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht, op het bij exploot van dagvaarding van 15 oktober 2012 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Roermond gewezen vonnissen van 21 september 2011 en 15 augustus 2012 tussen appellanten – [appellant 1.] en [appellante 2.] – als eisers en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 107797 / HA ZA 11-240) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het tussenvonnis van 1 juni 2011. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord met producties; het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd; de bij brief van 6 mei 2013 van mr. Eliëns en de bij brief van 15 mei 2013 van mr. Stollenwerck toegezonden producties, die bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 4De beoordeling 4.1. Geen grief is gericht tegen de door de rechtbank onder 2 van het beroepen vonnis van 21 september 2011 vastgestelde feiten. Het hof gaat dan ook uit van deze feiten die ook overigens niet door partijen zijn betwist. In de kern staat tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast. a. [appellant 1.] en [appellante 2.] hadden in augustus 2009 interesse om een huis in [plaats], dat te koop stond en op 14 augustus 2009 door hen werd bezichtigd, te kopen. b. Zij hebben op 25 augustus 2009 met de hypotheekadviseur [hypotheekadviseur], een hypotheekadviseur in dienst van [geïntimeerde], gesproken over de mogelijkheden van een hypothecaire geldlening. c. [appellant 1.] en [appellante 2.] hebben op 7 september 2009 het huis in [plaats] gekocht voor € 242.500,- kosten koper. d. [appellant 1.] en [appellante 2.] hebben op 7 september 2009, nadat zij de koopovereenkomst voor het huis in [plaats] hadden ondertekend (hierna de koopovereenkomst), een overeenkomst gesloten met [geïntimeerde], die ertoe strekte dat [geïntimeerde] tegen betaling diensten verleende met het oog op de financiering voor de aankoop van dat huis. Tot deze diensten behoorden een haalbaarheidsonderzoek, het presenteren van een persoonlijk financieel plan en het doorspreken van dit plan, het adviseren ten aanzien van de hypotheek, het aanvragen van offertes, het afstemmen van uitgangspunten met de geldverstrekker, het controleren van offertes en overleg met [appellant 1.] en [appellante 2.] hierover. e. [hypotheekadviseur] heeft op 25 augustus 2009, 7 september 2009, 23 oktober 2009 en 14 december 2009 adviezen en berekeningen aan [appellant 1.] en [appellante 2.] ter hand gesteld. Hij is hierbij uitgegaan van een totaal bruto jaarinkomen van € 24.000,- van [appellant 1.] en [appellante 2.] gezamenlijk. Hij heeft, afhankelijk van het gekozen bedrag aan eigen middelen (na de voorgenomen verkoop van het huis van [appellante 2.] € 132.442,- respectievelijk € 75.725,-), een (aflossingsvrije) hypotheek berekend van € 125.000,- of € 126.000,- respectievelijk € 185.000,-. f. [appellant 1.] en [appellante 2.] konden tot (en met) 22 september 2009 een beroep doen op het in de koopovereenkomst opgenomen voorbehoud van financiering. Zij hebben hierop geen beroep gedaan. g. [hypotheekadviseur] heeft [appellant 1.] en [appellante 2.] op 26 november 2009 telefonisch laten weten dat de financiering niet rond zou komen. h. [appellant 1.] en [appellante 2.] moesten het huis op 1 december 2009 afnemen. Zij hebben het huis niet afgenomen. Zij zijn door de verkoper van het huis aangesproken voor de betaling van de voor dit geval overeengekomen boete. Zij hebben met de verkoper een schikking getroffen op grond waarvan zij een bedrag van € 20.000,= moeten voldoen aan de verkoper. 4.2. [appellant 1.] en [appellante 2.] vorderen bij arrest uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] te veroordelen aan hen € 21.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2010 tot de dag der voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, de nakosten, de wettelijke rente over deze kosten en € 900,- aan buitengerechtelijke kosten. Hiertoe stellen zij dat [hypotheekadviseur] bij zijn advisering niet de zorg van een goed adviseur in acht heeft genomen. Zij verwijten [geïntimeerde] in de kern dat: . [hypotheekadviseur] bij zijn berekeningen is uitgegaan van een onjuist en te hoog inkomen voor wat betreft de periode tot pensionering en hen vóór het aangaan van de koopovereenkomst op 7 september 2009, uitgaande van een correct inkomen tot pensionering, had moeten waarschuwen dat de hypothecaire geldlening niet zou worden verstrekt; . hij hun op 7 september 2009 en daarna heeft voorgehouden dat de bank bereid was de hypothecaire geldlening te verstrekken; . hij hun steeds heeft gezegd dat het goed zou komen met de hypotheek; . hij heeft verzuimd ervoor zorg te dragen dat de financiering vóór het verstrijken van de termijn van het financieringsvoorbehoud tot stand zou komen, dan wel dat [appellant 1.] en [appellante 2.] tijdig, met de ingevolge de koopovereenkomst vereiste twee schriftelijke afwijzingen, op dit voorbehoud een beroep konden doen; . hij [appellant 1.] en [appellante 2.] niet op de hoogte heeft gehouden van de relevante ontwikkelingen. [appellant 1.] en [appellante 2.] stellen dat zij materiële schade lijden doordat zij een boete van € 20.000,- aan de verkoper van het huis in [plaats] moeten betalen en dat zij daarnaast immateriële schade lijden, waarvoor zij een vergoeding van € 1.000,- vorderen. 4.3. De rechtbank heeft bij vonnis van 21 september 2011 aan [appellant 1.] en [appellante 2.] opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [hypotheekadviseur] hun heeft voorgehouden dat het goed zou komen met de hypotheek en dat het voor [hypotheekadviseur] voorzienbaar was dat de hypotheek niet zou worden verstrekt. De rechtbank heeft hiertoe kort gezegd overwogen dat: de gestelde schade het gevolg is van het feit dat niet tijdig een beroep is gedaan op het financieringsvoorbehoud; de stelling van [appellant 1.] en [appellante 2.] dat de berekening van [hypotheekadviseur] niet juist is, onvoldoende is geconcretiseerd; [appellant 1.] en [appellante 2.] zelf de termijn van het financieringsvoorbehoud (dat een ontbindende voorwaarde oplevert) dienden te bewaken; tussen partijen in geschil is of [hypotheekadviseur], zoals [appellant 1.] en [appellante 2.] stellen, hun steeds heeft voorgehouden dat het goed zou komen met de hypotheek. In het vonnis van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank, na gehouden enquête, overwogen dat [appellant 1.] en [appellante 2.] als partijgetuigen hebben verklaard en dat onvoldoende aanvullende bewijzen voor handen zijn, die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de verklaringen van [appellant 1.] en [appellante 2.] voldoende geloofwaardig maken. Een door [appellant 1.] en [appellante 2.] overgelegde brief van 8 november 2011 van Volino Financieel Adviesbureau is daartoe onvoldoende, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat de verklaring van [hypotheekadviseur], die ook als getuige is gehoord, lijnrecht staat tegenover de verklaringen van [appellant 1.] en [appellante 2.]. Daarom heeft de rechtbank het gevorderde afgewezen. 4.4. Hiertegen voeren [appellant 1.] en [appellante 2.] acht grieven aan. Het hof ziet aanleiding de grieven gezamenlijk te behandelen. 4.5. Het eerste verwijt van [appellant 1.] en [appellante 2.] (4.2 hiervoor onder a.) betreft de door [hypotheekadviseur] gemaakte berekening waaruit volgt dat het inkomen van [appellant 1.] en [appellante 2.] in de periode tot pensionering € 24.000,- bruto per jaar zou zijn. Ter toelichting voeren [appellant 1.] en [appellante 2.] kort gezegd aan dat de bijstandsuitkering van [appellante 2.] (deels) zou wegvallen (doordat zij met [appellant 1.] zou gaan samenwonen in het nieuwe huis) en dat [hypotheekadviseur] dit bij zijn schatting van € 24.000,- over het hoofd heeft gezien (toelichting grief 3). Dit verwijt, ook indien [hypotheekadviseur] deze fout zou hebben gemaakt, kan niet leiden tot toewijzing van het gevorderde. [appellant 1.] en [appellante 2.] gaan er immers bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep van uit dat ontoereikend pensioeninkomen de reden is geweest voor de afwijzing van de aangevraagde hypothecaire geldlening. Zij hebben niet toegelicht welk inkomen tot pensionering bij deze aanvraag is opgegeven, welke eisen door de bank in dit verband zijn gehanteerd en of (en in hoeverre) het inkomen tot pensionering bij de beslissing van de bank een rol heeft gespeeld. Evenmin is gesteld dat zij niet in staat zijn deze punten toe te lichten. Daarom is onvoldoende gesteld om het vereiste causale verband tussen deze gestelde fout van [hypotheekadviseur] en de gestelde schade aan te kunnen nemen: de gestelde schade, waarvan zij vergoeding vorderen, kan in redelijkheid niet worden toegerekend aan voormelde gestelde fout van [hypotheekadviseur]. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de door [appellant 1.] en [appellante 2.] ingeschakelde financieel adviseur [financieel adviseur appellanten] van Volino Financieel Adviesbureau in zijn verklaring van 8 november 2011 (productie 23 bij akte van 16 november 2011) het pensioeninkomen van [appellant 1.] en [appellante 2.] tot uitgangspunt neemt voor de advisering over een mogelijke hypothecaire geldlening (‘Rekening houdend met pensioeninkomen van € 16.800,- zou dit nog een flink stuk lager moeten zijn. Gezien de korte termijn van ingangsdatum pensioen zou ik persoonlijk van dat inkomen uitgaan.’). Dit wijst erop dat het inkomen tot pensionering van ondergeschikte betekenis is geweest. Bij deze stand van zaken kan, anders dan [appellant 1.] en [appellante 2.] stellen, niet worden gezegd dat [hypotheekadviseur] gehouden was, uitgaande van een lagere schatting van het inkomen tot pensionering (hun werkelijke inkomen in 2009 was € 19.545,- bruto naar zij onweersproken stellen), vóór het aangaan van de koopovereenkomst voor het huis in [plaats] op 7 september 2009 te waarschuwen dat de voor aankoop van het huis benodigde hypothecaire geldlening niet zou worden verstrekt. 4.6. Het tweede verwijt van [appellant 1.] en [appellante 2.] houdt, kort gezegd, in dat [hypotheekadviseur] heeft gezegd en bij hen het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt ‘dat de bank bereid was de hypotheek te verstrekken’ (4.2 hiervoor onder b. en c.). 4.6.1. [appellant 1.] en [appellante 2.] hebben in de enquête in eerste aanleg verklaard dat [hypotheekadviseur] steeds heeft gezegd dat het goed zou komen met de hypotheek. Zij stellen verder dat [hypotheekadviseur] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.