Afdeling strafrecht Parketnummer : 20-004404-11 Uitspraak : 22 augustus 2013 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 november 2011 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-820545-11 en 01-825297-11, tegen [verdachte], geboren te 's-[geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres] Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het feit met parketnummer 01-820545-11 en het feit met parketnummer 01-825297-11, beide gekwalificeerd als belaging, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf heeft de rechtbank de navolgende bijzondere voorwaarden verbonden: een contactverbod met [benadeelde]; het houden aan de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook indien dat inhoudt een behandeling vanuit GGZ Breburg of een gelijksoortige FPK en het gebruik van medicijnen. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende: verdachte ter zake van beide aan hem ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest; aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en een contactverbod met [benadeelde] zal verbinden; de vordering van benadeelde partij [benadeelde] zal toewijzen tot een bedrag van € 1.000,- en voor het overige de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering zal verklaren; de in beslag genomen goederen zal onttrekken aan het verkeer. De raadsman van verdachte heeft: - primair integrale vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde bepleit; subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit omdat verdachte heeft gehandeld vanuit psychische overmacht; meer subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit wegens afwezigheid van alle schuld; verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt en verdachte strafbaar acht, toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht; ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde] bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. zich met betrekking tot het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak met parketnummer 01-820545-11 hij in of omstreeks de periode tussen 13 januari en 19 april 2011 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde] (zijn ex-partner), in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte met dat oogmerk, toen en daar: - een tas met een bericht en/of een luizenkuur erin aan de deur van de woning van die [benadeelde] gehangen en/of enige voorwerpen in de buurt van de woning van die [benadeelde] neergelegd en/of - diverse malen zich in zijn auto, althans in de bosjes, althans anderszins in de buurt van (het huis van) die [benadeelde] opgehouden en/of foto's gemaakt en/of - die [benadeelde] bespioneerd en/of - bij de politie klachten tegen die [benadeelde] ingediend en/of procedures tegen die [benadeelde] aangespannen en/of - foto's van die [benadeelde] en de personen in haar gezelschap gemaakt en/of die foto's aan anderen verspreid en/of - die [benadeelde], en/of haar moeder en/of haar dochter en/of de ex-man van die [benadeelde] en/of de kliniek alwaar die [benadeelde] verbleef en/of andere personen in de omgeving van die [benadeelde], brieven en/of e-mailberichten gestuurd, waarin hij die [benadeelde] beschuldigt van prostitutieactiviteiten en/of anderszins die [benadeelde] in een kwaad daglicht stelt en/of - contact gezocht met de dochter van die [benadeelde] en/of - geprobeerd te solliciteren op het werk van die [benadeelde]; Zaak met parketnummer 01-825297-11: hij op of omstreeks één of meerdere tijdstippen in de periode van 20 april 2011 tot en met 1 mei 2011 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde] (zijn ex-partner), in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij toen en daar: - een koffiebekertje met daarop de tekst[voornaam verdachte] (afbeelding hartje met pijl) [voornaam benadeelde] 1 april 2010’ aan een paal in de buurt van die [benadeelde] gebonden en/of - die [benadeelde] een kaart gestuurd met als opschrift 'Prettig Pasen' en/of - een mandje met drie paaseitjes in de voortuin van die [benadeelde] gelegd en/of - een heksenpop achter de ruitenwisser van de auto van die [benadeelde] gestopt en/of - een boekje van slachtofferhulp achter de ruitenwisser van de auto van die [benadeelde] gestopt en/of - zich in de buurt van die [benadeelde] opgehouden en/of naar die [benadeelde] gezwaaid en/of - die [benadeelde] een e-mailbericht gestuurd waarin hij meldde dat hij een detectivebureau heeft ingeschakeld om de antecedenten van die [benadeelde] te onderzoeken en/of - bij de FIOD een melding gedaan van verdenking van fraude door die [benadeelde], en/of de garage van een auto met kenteken [kenteken auto] waarbij hij die [benadeelde] had zien staan, verzocht om informatie te verstrekken omtrent de naamhouder van dat kenteken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 01-820545-11 en het in de zaak met parketnummer 01-825297-11 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: Zaak met parketnummer 01-820545-11 hij in de periode tussen 10 februari 2011 en 19 april 2011 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde] (zijn ex-partner) met het oogmerk die [benadeelde] te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, immers heeft verdachte met dat oogmerk, toen en daar: - een tas met een bericht en een luizenkuur erin aan de deur van de woning van die [benadeelde] gehangen en - diverse malen zich in de buurt van (het huis van) die [benadeelde] opgehouden en foto's gemaakt en - die [benadeelde] bespioneerd en - foto's van die [benadeelde] en de personen in haar gezelschap gemaakt en die foto's aan anderen verspreid en - die [benadeelde] en haar moeder en de ex-man van die [benadeelde] en de kliniek alwaar die [benadeelde] verbleef brieven en/of e-mailberichten gestuurd, waarin hij die [benadeelde] beschuldigt van prostitutieactiviteiten en/of anderszins die [benadeelde] in een kwaad daglicht stelt en - geprobeerd te solliciteren op het werk van die [benadeelde]. Zaak met parketnummer 01-825297-11 hij op tijdstippen in de periode van 20 april 2011 tot en met 1 mei 2011 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde] (zijn ex-partner) met het oogmerk die [benadeelde] te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, immers heeft hij toen en daar: - een koffiebekertje met daarop de tekst[voornaam verdachte] (afbeelding hartje met pijl) [voornaam benadeelde] 1 april 2010’ aan een paal in de buurt van die [benadeelde] gebonden en - die [benadeelde] een kaart gestuurd met als opschrift 'Prettig Pasen' en - een mandje met drie paaseitjes in de voortuin van die [benadeelde] gelegd en - een heksenpop achter de ruitenwisser van de auto van die [benadeelde] gestopt en - een boekje van slachtofferhulp achter de ruitenwisser van de auto van die [benadeelde] gestopt en - zich in de buurt van die [benadeelde] opgehouden en naar die [benadeelde] gezwaaid en - die [benadeelde] een e-mailbericht gestuurd waarin hij meldde dat hij een detectivebureau heeft ingeschakeld om de antecedenten van die [benadeelde] te onderzoeken en bij de FIOD een melding gedaan van verdenking van fraude door die [benadeelde], en de garage van een auto met kenteken [kenteken auto] waarbij hij die [benadeelde] had zien staan, verzocht om informatie te verstrekken omtrent de naamhouder van dat kenteken. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft. De raadsman heeft ten verweer betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde belagingen. Daartoe is het navolgende aangevoerd. A. Verdachte heeft bij de door hem erkende handelingen niet het voor belaging vereiste oogmerk gehad om [benadeelde] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. De raadsman heeft in dit verband verwezen naar de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij bezig was met een onderzoek naar het netwerk rondom mevrouw [benadeelde], omdat hij werd bedreigd door personen gelieerd aan [benadeelde]. Daarnaast wilde hij middels een aantal symbolische boodschappen aan [benadeelde] laten weten dat hij op de hoogte was van deze bedreigingen. B. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte in ieder geval dient te worden vrijgesproken van die in de tenlastelegging genoemde handelingen, waarbij hij juist heeft getracht om niet gezien te worden door [benadeelde] (zoals bespioneren of het heimelijk maken van foto’s). Uit deze handelingen kan immers niet het oogmerk worden afgeleid dat verdachte [benadeelde] geen andere keuze heeft gelaten dan het aanvaarden van contact met verdachte. Nu na vrijspraak van deze gedragingen, de ten laste gelegde gedragingen die resteren van dermate beperkte aard, frequentie en intensiteit zijn geweest, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan één van de ten laste gelegde belagingen, aldus de raadsman. Ad. A Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, blijkt dat verdachte een aantal van de hiervoor in de bewezenverklaring omschreven handelingen (mede) heeft verricht met het oogmerk om: [benadeelde] te bewegen goederen, die volgens zijn verklaring aan hem toebehoorden, aan hem af te geven, en/of [benadeelde] duidelijk te maken dat hij niet meer bedreigd wilde worden door aan [benadeelde] gelieerde personen en/of [benadeelde] duidelijk te maken, dat hij niet wilde dat zij haar broers of personen uit een (vermeend) prostitutienetwerk of personen die evenals de moeder van [benadeelde] betrokken waren in de paardensport of paardenhandel op hem zou afsturen. Reeds hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte bij een aantal van de bewezen verklaarde handelingen het oogmerk heeft gehad om [benadeelde] te dwingen iets te doen of niet te doen. Daarnaast kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat [benadeelde] verdachte op 10 februari 2011 duidelijk heeft gemaakt dat zij de relatie met hem wilde beëindigen. Het had voor verdachte op dat moment duidelijk moeten zijn dat zij geen contact meer met hem wilde. Verdachte heeft echter in weerwil daarvan de hiervoor in de bewezenverklaring genoemde handelingen verricht. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte het slachtoffer geen keuze gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met hem en deze daarmee feitelijk gedwongen te dulden dat hij (onder meer) stelselmatig contact met haar zocht. Aldus heeft verdachte inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Ad. B Het hof overweegt dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij in de bewezen verklaarde periode tussen 10 februari 2011 en 19 april 2011 veelvuldig in de buurt van (de woning van) [benadeelde] is geweest. Hij heeft toen met een fotocamera foto’s gemaakt van de woning van [benadeelde], van [benadeelde] zelf en van de personen die in haar buurt waren. Tevens heeft verdachte met een verrekijker [benadeelde] bespied. Uit de aangifte van de moeder van [benadeelde], mevrouw [moeder benadeelde], d.d. 30 maart 2011 (doorgenummerde pagina’s 51 en 53) en de aanvullende verklaring van [benadeelde] d.d. 20 april 2011 (doorgenummerde pagina’s 62 en 63) blijkt dat verdachte is gezien in de buurt van de woning van [benadeelde]. Tevens verklaart [benadeelde] dat zij heeft gezien dat verdachte foto’s nam in de straat waarin zij woonde. Het hof overweegt dat uit de hiervoor genoemde verklaringen, in onderling samenhang bezien, blijkt dat verdachte zo frequent heeft gespioneerd en foto’s heeft gemaakt en zich daarbij blijkbaar dusdanig opvallend heeft gedragen, dat hij is gezien door in ieder geval [benadeelde] en haar buurtbewoners. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte [benadeelde] geen keuze gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met verdachte en deze daarmee feitelijk gedwongen te dulden dat de verdachte (onder meer) stelselmatig met hem werd geconfronteerd en aldus inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Voor wat betreft de bewezen verklaarde periode van 20 april 2011 tot en met 1 mei 2011 volgt reeds uit de bewezen handelingen dat verdachte het oogmerk heeft gehad de aandacht van [benadeelde] op zich te vestigen om, naar uit zijn verklaring volgt, haar te dwingen iets te doen of niet te doen, een en ander zoals hiervoor overwogen onder ad A. Het hof is voorts van oordeel dat gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de bewezen verklaarde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven van [benadeelde], beide ten laste gelegde feiten gekwalificeerd kunnen worden als belaging van [benadeelde] door verdachte. Het hof verwerpt het verweer in zijn beide onderdelen. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het in de zaak met parketnummer 01-820545-11 en het in de zaak met parketnummer 01-825297-11 bewezen verklaarde levert op: Belaging, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft ten verweer gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft in dit verband het navolgende aangevoerd. C. Ten aanzien van verdachte was sprake van psychische overmacht. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich ernstig bedreigd voelde door het netwerk van [benadeelde], hetgeen heeft geleid tot gevoelens van angst en onmacht. Deze bedreigingen - in combinatie bezien met zijn stoornis(sen) - hebben geleid tot een zodanige druk dat de wilsvrijheid van verdachte werd aangetast en van hem redelijkerwijs niet te vergen viel dat hij weerstand bood aan deze druk, aldus de raadsman. D. Meer subsidiair was sprake van afwezigheid van alle schuld. Daartoe is aangevoerd, dat voor strafbaarheid geen plaats is wanneer de gedraging wordt verontschuldigd door een bij de dader aanwezige onjuiste voorstelling van zaken ten gevolge van een dwaling in de feitelijke realiteit. In dit geval betreft die het van toepassing zijn van een rechtvaardigingsgrond. Ad. C Een beroep op psychische overmacht kan pas slagen indien sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het hof heeft in het kader van dit verweer kennis genomen van het Pro Justitia rapport opgemaakt door mevrouw P. Gritters en de heer W.H. Braam, respectievelijk psychiater in opleiding en psychiater d.d. 29 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.