GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.093.161/01 arrest van 19 november 2013 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. J.J.M. Boot, tegen [de man] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. M.J. Hoogendoorn, op het bij exploot van dagvaarding van 29 juni 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector civiel recht, gewezen vonnis van 30 maart 2011 tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – [geïntimeerde]– als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (nr. 122769/HA ZA 07-843) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep; - de memorie van grieven met producties; - de pleitnota van mr. Hoogendoorn van 2 juli 2013; - de reactie van mr. Boot op de pleitnota van geïntimeerde van 2 juli 2013. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de dagvaarding in hoger beroep. 4De beoordeling 4.1. In dit geding kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 4.1.1. Op 14 juni 2004 is [appellant], die toen 23 jaar oud was, door [geïntimeerde] met messteken ernstig verwond aan de achterzijde en de zijkant van zijn rechterschouder en de voorzijde van zijn rechterbovenarm, hierna ook: het incident. Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Breda van 29 november 2004 is [geïntimeerde] in verband hiermee strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot doodslag. 4.1.2. [appellant], geboren op [geboortedatum] 1981, was voor het incident werkzaam als autopoetser. Na het incident heeft [appellant] van 14 juni 2004 tot en met 11 juni 2006 een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen vanwege letsel aan zijn rechterarm. 4.1.3. Na de periode gedurende welke [appellant] een Ziektewet-uitkering ontving, heeft hij met ingang van 12 juni 2006 gedurende negen maanden een WW-uitkering ontvangen. Na beëindiging van de WW-uitkering op 11 maart 2007 heeft [appellant] een bijstandsuitkering ontvangen. 4.1.4. Bij besluit van 28 juni 2006 heeft het UWV geweigerd [appellant] met ingang van 12 juni 2006 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Het hiertegen ingestelde bezwaar van [appellant] is bij besluit van 5 januari 2007 door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank Breda heeft dit besluit bij uitspraak van 9 oktober 2007 vernietigd doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Zij is daarbij uitgegaan van een verlies aan verdiencapaciteit van 31,41%. De uitspraak van de rechtbank is door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 20 maart 2009 bevestigd, voor zover aangevochten. 4.1.5. [appellant] is in januari 2007 gestart met een eigen autopoetsbedrijf. Na ongeveer zes maanden heeft [appellant] deze werkzaamheden beëindigd in verband met een hersteloperatie aan de rechterpols in juni 2007. Op 18 augustus 2008 heeft [appellant] nog een liposuctie-operatie ondergaan aan zijn rechterhand. 4.1.6. Bij beslissing van het Schadefonds Geweldsmisdrijven van 31 juli 2006 is vastgesteld dat [appellant] als gevolg van het incident ernstig (geestelijk) letsel heeft opgelopen en is aan [appellant] een uitkering toegekend ten bedrage van € 13.195,--. Dit bedrag behelst een tegemoetkoming in immateriële schade (smartengeld) van € 2.750,-- en in materiële schade van € 10.445,--. De beslissing is gebaseerd op een onderzoek naar de aard en ernst van het letsel en naar de aard en omvang van de schade. Het bedrag van € 10.445,-- behelst een bedrag van € 10.000,-- aan vergoeding voor verlies van arbeidsvermogen. 4.1.7. [appellant] is sedert 2008 geïndiceerd voor de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). In opdracht van de gemeente Roosendaal heeft verzekeringsarts [verzekeringsarts] na medisch onderzoek van [appellant] op 27 februari 2008 vragen beantwoord over structurele functionele beperkingen voor werk en een belastbaarheidsprofiel (FML) opgesteld. In het betreffende rapport staan als claimklachten en beperkingen vermeld: “Cliënt kan nog steeds de rechter arm en hand nauwelijks belasten en is erg gevoelig voor koude. Heeft ook vrij veel last van zenuwpijnklachten in de nek/schouderstreek die doortrekken naar de arm. Krijgt hiervoor medicatie. Wordt wekelijks behandeld met fysiotherapie en wil gaan sporten.” Uit het rapport volgt dat sprake is van structurele functionele beperkingen van de rechterhand/arm. Ten aanzien van de belastbaarheid staat vermeld: “Functioneel blijft de rechter hand functie ernstig beperkt. Cliënt zal nooit grote kracht met de rechter hand kunnen uitoefenen en de grijp en knijpfunctie blijft beperkt. Cliënt kan niet tegen trillingen aan de rechter arm en is gevoelig voor koude.” En voorts: “Cliënt heeft duurzame beperkingen. Ik [lees: arts, hof] verwacht hierin geen wezenlijke wijziging in de toekomst. Een medisch heronderzoek is daarom niet zinvol.” Blijkens het rapport geldt er geen medische urenbeperking. Met betrekking tot de werkzaamheden die [appellant] kan verrichten, staat vermeld: “Cliënt is slechts geschikt voor werkzaamheden die grotendeels als eenarmige gedaan kunnen worden. Kan de rechterarm/hand slechts als lichte steunfunctie belasten en is aangewezen op zeer lichte werkzaamheden zoals receptionist of adm. medewerker. Het FML is iets aangepast, cliënt moet niet werken in koude. Gezien de ernst van de lichamelijke stoornis en de beperkingen die gelden is het belangrijk een goed beroepskeuze te maken.” 4.1.8. Bij beschikking van 13 juli 2011 is de WSW-indicatie voor [appellant] verlengd tot 13 juli 2016. In de beschikking staat vermeld: “Volgens het WERKbedrijf is er bij u sprake van beperkingen. U heeft aanpassingen nodig om met deze beperkingen te kunnen werken. De belangrijkste aanpassingen zijn: - u bent aangewezen op werk wat grotendeels eenarmig gedaan kunnen worden, - de rechter arm/hand kan slechts als lichte steunfunctie belast worden en u bent aangewezen op zeer lichte werkzaamheden, - u kunt niet in een koude werkomgeving functioneren, - trillingen moeten vermeden worden, - afwisselend werk en rekening houden met de belastbaarheid, - rekening houden met uw continuïteit, bij pijn is er aanzienlijk minder mogelijk, - coachende en sturende begeleiding die uw belastbaarheid blijft bewaken, - geen medische urenbeperking, wel op gaan bouwen van uren indien u meer uren kunt gaan werken binnen het autobedrijf, - een vertraagd werktempo, wisselend in geval van pijnklachten of lage omgevingstemperaturen. Motivering: U blijft uw aanpassingen nodig hebben in werk en daarom verlengen wij uw indicatie Wsw.” In de rapportage indicatie WSW, dat als bijlage bij de beschikking van 13 juli 2011 is opgenomen, staat nog vermeld, samengevat, dat de klachten gelijk zijn gebleven en dat daarom geen reden is gezien om extra onderzoek te doen ten aanzien van de beperkingen. Voorts dat het zonder technische en organisatorische aanpassingen niet mogelijk is voor [appellant] om passende arbeid te kunnen verrichten alsmede dat de benodigde aanpassingen niet zonder WSW-subsidie kunnen worden gerealiseerd in een gewone werkomgeving. 4.2.1. [appellant] heeft in deze procedure aanvankelijk gevorderd, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en volgens de wet, alsmede tot betaling van een voorschot van € 10.000,--. Na wijziging van eis vordert [appellant], samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 50.000,-- als vergoeding van de door [appellant] geleden schade als gevolg van het incident van 14 juni 2004, te vermeerderen met wettelijke rente, en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat [geïntimeerde] is gehouden tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die [appellant] als gevolg van het door [geïntimeerde] toegebrachte letsel heeft geleden. [appellant] heeft gesteld dat zijn materiële schade bestaat in verlies van arbeidsvermogen. Het gevorderde bedrag van € 50.000,-- is opgebouwd uit een bedrag van € 35.000,-- wegens inkomensverlies en een ‘ex equo et bono’ begroot bedrag van € 15.000,-- voor door hem geleden immateriële schade. 4.2.2. [geïntimeerde] heeft ter comparitie op 14 april 2008 erkend dat hij onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de eventueel door [appellant] geleden schade. [geïntimeerde] betwist echter dat [appellant] als gevolg van het incident schade heeft geleden alsmede de hoogte van de door [appellant] gevorderde bedragen. Hij heeft in het kader van zijn causaliteitsverweer aangevoerd dat sprake is van een medische behandelfout waarvoor hij niet aansprakelijk is en dat sprake is van pre-existente klachten wegens een eerdere peestransplantatie in 1998. Voorts heeft [geïntimeerde] de door [appellant] gevorderde bedragen wegens inkomensverlies en immateriële schade betwist. 4.2.3. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen. [appellant] is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen. 4.3. Grief I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vastgesteld kan worden dat [appellant] als gevolg van het incident door toedoen van [geïntimeerde] de door hem gevorderde materiële schade heeft geleden. Grief II is gericht tegen het oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat [appellant] als gevolg van het incident de door hem gevorderde immateriële schade heeft geleden. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor. 4.4. Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat tussen partijen enkel in geschil is of [appellant] als gevolg van het incident schade heeft geleden (causaliteit), en, in geval van bevestigende beantwoording van deze vraag, wat de omvang is van deze schade. Het hof zal eerst ingaan op de verweren die [geïntimeerde] met betrekking tot het causaal verband heeft aangevoerd. Causaal verband 4.5. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat uit het vonnis van de rechtbank Breda in de WIA-procedure – vermeld hiervoor onder 4.1.4 – blijkt dat er een medische fout is gemaakt. Deze fout, daarin bestaande dat er te laat aandacht is besteed aan het letsel aan een zenuw in de onderarm, wordt volgens [geïntimeerde] ook bevestigd in een brief van het LUMC van 2 november 2005. [geïntimeerde] heeft zich voorts erop beroepen dat uit deze brief blijkt van eerdere klachten aan de rechterhand van [appellant] na een peestransplantatie in 1998. De gevolgen hiervan kunnen naar de mening van [geïntimeerde] niet ten laste van hem worden gebracht. [appellant] heeft in hoger beroep uitdrukkelijk betwist dat de restgevolgen aan zijn rechterhand niet zijn terug te voeren op het incident maar al eerder zijn veroorzaakt. [appellant] heeft gesteld dat zijn huidige handicap enkel is veroorzaakt door de door [geïntimeerde] toegebrachte messteken. Voorts heeft [appellant] uitdrukkelijk betwist dat hij na de steekpartij op een onjuiste medische wijze is behandeld. Daarbij heeft hij gesteld dat het niet zo is dat hij, indien hij eerder was behandeld, geen restgevolgen zou hebben ondervonden. Hij heeft in dat verband uitdrukkelijk verwezen naar bedoelde brief van 2 november 2005. 4.6.1. Het bedoelde vonnis van de rechtbank Breda is in dit geding niet overgelegd. In de door beide partijen aangehaalde brief van het LUMC, waarin wordt gerefereerd aan een (neurologisch) onderzoek van [appellant] op 5 april 2005, staat onder meer vermeld: “Geconcludeerd werd dat hij een compleet N. ulnaris letsel heeft ten gevolge van een steekwond aan de voorzijde van de bovenarm in juni 2004. Gezien het inmiddels verlopen tijdsinterval en de localisatie van het letsel valt van een neurochirurgische reconstructie geen functiewinst meer te verwachten. Zelfs indien een dergelijk letsel op deze localisatie direct wordt gecoapteerd zal er geen totaal functieherstel optreden.” 4.6.2. Voor zover de uitleg van [geïntimeerde] juist is dat uit de brief volgt dat bij eerder ingrijpen misschien geen volledig herstel, maar in elk geval een beter resultaat te verwachten was geweest, is het hof van oordeel dat deze omstandigheid niet afdoet aan het bestaan van het vereiste conditio sine qua non-verband tussen het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en de door [appellant] geleden schade, nu het incident medisch ingrijpen noodzakelijk maakte. Dat de schade aan de rechterarm wellicht beperkter had kunnen zijn bij eerder medisch ingrijpen staat naar het oordeel van het hof ook niet in de weg aan toerekening in de zin van art. 6:98 BW nu de toerekening van deze schade aan [geïntimeerde] wordt gerechtvaardigd door de aard van de onderhavige aansprakelijkheid (opzettelijk toegebracht letsel, te weten poging tot doodslag door middel van messteken) en de aard van de schade (duurzame letselschade). 4.7.1. In de brief van 2 november 2005 staat voorts, onder het kopje “Neurologisch onderzoek (rechter arm)”, vermeld: “- klauwhand, hypotrofie (hypo-)thenar, intrinsieke handmusculatuur, litteken longitudinaal palmaire zijde distale pols (status na peestransplantatie in 1998)”. [geïntimeerde] stelt op basis van deze passage dat de klauwstand van de hand, de verzwakking van de spieren rond duim en pink en het daarmee gepaard gaande functieverlies al bestonden in 1998 na een peestransplantatie, en dat de gevolgen hiervan dus niet ten laste van hem gebracht kunnen worden. 4.7.2. Het hof is van oordeel dat ook dit causaliteitsverweer faalt. In de brief wordt, zoals weergegeven hiervoor in 4.6.1, geconcludeerd dat sprake is van een “compleet” N. ulnaris letsel “ten gevolge van een steekwond aan de voorzijde van de bovenarm in juni 2004”. Voorts heeft [appellant] gesteld dat zijn verdienvermogen pas is verminderd na het incident. Dit is niet door [geïntimeerde] betwist. Evenmin is door [geïntimeerde] betwist dat [appellant] vóór het incident werkzaam was als autopoetser. Uit de hiervoor in 4.1.7 en 4.1.8 vermelde gegevens volgt verder dat [appellant] na het incident door een ernstige beperking van de functie van de rechterhand is aangewezen op lichte werkzaamheden. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat sprake is van pre-existente factoren die zelfstandig, dus zonder het incident, de in dit geding door [appellant] gestelde klachten geheel of gedeeltelijk hebben veroorzaakt en hebben geleid tot de schade waarvan in dit geding vergoeding wordt gevorderd. Het hof ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding voor een nader deskundigenonderzoek naar de mate waarin eventuele pre-existente factoren aan de gestelde klachten en schade hebben bijgedragen. Begroting van de materiële schade 4.8. [appellant] heeft in eerste aanleg bij conclusie van repliek, tevens akte tot wijziging eis van 19 mei 2010 gesteld dat zijn inkomensverlies tot genoemde datum is vast te stellen op een bedrag van (ruim) € 35.000,--. In de akte wordt verwezen naar een aan de rechtbank gerichte brief van 3 februari 2010 waarin opgave wordt gedaan van de gestelde inkomensschade. In de memorie van grieven heeft [appellant] zijn stellingen op dit punt nog verder aangevuld. [geïntimeerde] heeft verschillende verweren tegen de gevorderde materiële schadevergoeding gevoerd. Hij heeft onder meer aangevoerd dat [appellant] inkomensgegevens heeft overgelegd maar op geen enkele manier concreet heeft gemaakt, laat staan inzichtelijk heeft becijferd op welke wijze de door hem gevorderde materiële schade op die stukken gebaseerd kan worden. 4.9. Het hof constateert dat [appellant] tot op heden heeft nagelaten afdoende inzicht te geven in de berekening van het gevorderde bedrag van € 35.000,--. Het hof zal [appellant], zoals vermeld hierna in r.o. 4.12 en r.o. 4.13, nog één maal in de gelegenheid stellen alsnog inzicht te geven in de door hem gestelde materiële schade. Het geleden verlies aan arbeidsvermogen dient te worden berekend door vergelijking van de situatie zonder ongeval, met de situatie met ongeval. In verband daarmee dient [appellant] in ieder geval inzicht te geven in: Situatie zonder ongeval a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.