GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.112.825/01 arrest van 10 december 2013 in de zaak van [de man] , wonende te [woonplaats], België, appellant, advocaat: mr. G.C.L. van de Corput, tegen [de vrouw], wonende te[woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. H.G.A.M. Spoormans, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 oktober 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 208285/HA ZA 09-1592 gewezen vonnis van 18 april 2012 tussen appellant ([appellant]) als gedaagde en geïntimeerde ([geïntimeerde]) als eiseres. 5 Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenarrest van 23 oktober 2012 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast, welke comparitie niet heeft plaatsgevonden; - de memorie van grieven; - de memorie van antwoord. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg 6De gronden van het hoger beroep Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven. 7De beoordeling 7.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 7.2. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] een vordering ingesteld tot ontbinding van een overeenkomst van geldlening tussen haar als schuldeiser en [appellant] als schuldenaar, op grond van tekortkomingen in de nakoming van deze overeenkomst door [appellant]. [appellant] zou zijn uit de geldleningsovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen. [appellant] betwist een overeenkomst van geldlening met [geïntimeerde] te hebben gesloten en betwist onder meer de echtheid van de handtekeningen op de door [geïntimeerde] overgelegde overeenkomsten van geldlening. De rechtbank heeft bij vonnis van 13 oktober 2010 geoordeeld dat de bewijslast van de echtheid van de handtekeningen ingevolge artikel 159 Rv op [geïntimeerde] rust en heeft een deskundigenbericht gelast. 7.3. De rechtbank heeft in het bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - vonnis geoordeeld dat [geïntimeerde] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. De rechtbank overweegt hiertoe dat de deskundige concludeert dat het waarschijnlijk is dat de in geschil zijnde handtekeningen van [appellant] afkomstig zijn en dat geen nabootsingskenmerken of andere valsheidskenmerken zijn waargenomen. Uit de door [geïntimeerde] overgelegde e-mailberichten van [appellant], in het bijzonder die van 20 september 2006, 26 oktober 2007, 3 maart 2008, 4 april 2008en 9 juli 2008, valt voorts op te maken dat [appellant] geld aan [geïntimeerde] verschuldigd was dat in termijnen diende te worden terugbetaald. Gelet hierop, in samenhang met het feit dat [appellant] zekere (termijn)betalingen daadwerkelijk heeft verricht, als ook de vele aanmaningen van [geïntimeerde], acht de rechtbank het aannemelijk dat door [appellant] geld van [geïntimeerde] is geleend en dat [appellant] de overeenkomsten van geldlening heeft getekend. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat aan de voorwaarden voor ontbinding is voldaan en heeft [appellant] veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 22.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. 7.4. [appellant] kan zich met dit vonnis niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. 7.5. Met de grieven van [appellant] wordt het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. 7.6. De eerste grief van [appellant] ziet op het volgende. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs dat de handtekeningen op de door haar overgelegde overeenkomsten van geldlening van [appellant] zijn. [appellant] is van mening dat door het deskundigenrapport niet is komen vast te staan dat deze handtekeningen van hem afkomstig zijn, nu de deskundige tot de conclusie komt dat de handtekeningen “waarschijnlijk” van hem afkomstig zijn. Van de drie waarschijnlijkheidsuitspraken is dit immers de minst zekere variant, aldus [appellant]. Volgens [appellant] is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan de verklaring die hij heeft gegeven voor de in r.o. 2.5. van het bestreden vonnis genoemde e-mailberichten, te weten dat [geïntimeerde] incidenteel enige (kleine) bedragen heeft (mee)betaald aan rekeningen die op naam van [appellant] stonden. Volgens [appellant] komt de rechtbank ten onrechte tot het oordeel dat het aannemelijk is dat [appellant] geld van [geïntimeerde] heeft geleend en dat [appellant] de overeenkomsten tot geldlening heeft getekend. [appellant] acht het onbegrijpelijk dat de aannemelijkheid dat geld is geleend, kan bijdragen tot het bewijs dat [appellant] de overeenkomsten tot geldlening heeft getekend. [appellant] is van mening dat “aannemelijk” onvoldoende is om te kunnen concluderen dat [geïntimeerde] in het bewijs is geslaagd. [appellant] stelt verder dat ook nog niets vaststaat omtrent de hoogte van het geleende bedrag. [appellant] betwist een geldbedrag ad € 22.500,-- van [geïntimeerde] te leen te hebben ontvangen en stelt dat [geïntimeerde], ondanks deze gemotiveerde betwisting, op geen enkele wijze heeft aangetoond of zelfs maar aannemelijk heeft gemaakt over een dergelijk bedrag te hebben beschikt, noch heeft zij gesteld op welke wijze en wanneer het betreffende geldbedrag aan [appellant] verstrekt zou zijn. 7.6.1. [geïntimeerde] is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zij is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. De overeenkomsten van geldlening – althans de inhoud daarvan – leveren als onderhandse akten dwingend bewijs op. Nu in de overeenkomsten van geldlening de hoogte van het geleende bedrag (€ 22.500,--) expliciet is vermeld, staat daarmee tevens vast dat dit bedrag door [geïntimeerde] aan [appellant] is verstrekt ten titel van geldlening en hoeft zij derhalve niet aan te tonen op welke wijze en wanneer dit bedrag is verstrekt, aldus [geïntimeerde]. 7.6.2. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft haar oordeel dat [geïntimeerde] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs, gebaseerd op de conclusies van de deskundige, in onderling verband en samenhang bezien met de in r.o. 2.5. van het bestreden vonnis genoemde e-mailberichten, waaruit blijkt dat [appellant] geld aan [geïntimeerde] verschuldigd is dat in termijnen diende te worden terugbetaald, het feit dat [appellant] zekere (termijn)betalingen heeft verricht, alsook de vele aanmaningen van [geïntimeerde] gericht aan [appellant]. De drie laatstgenoemde omstandigheden, zo begrijpt het hof, heeft de rechtbank beschouwd als steunbewijs voor de conclusie van de deskundige. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot dit oordeel heeft kunnen komen. Anders dan [appellant] stelt heeft de rechtbank de door hem gegeven verklaring voor de e-mailberichten wel in haar overweging betrokken, maar – naar het oordeel van het hof terecht – als onvoldoende onderbouwd verworpen. Ook in hoger beroep komt [appellant] niet met een voldoende onderbouwde verklaring voor de inhoud van voormelde e-mailberichten, noch voor de door hem gedane (termijn)betalingen. Het hof is derhalve van mening dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] er in is geslaagd te bewijzen dat de handtekeningen onder de overeenkomsten van geldlening van [appellant] afkomstig zijn. De (inhoud van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.